Terwijl de schoonmakers de laatste resten bouwafval aan het opruimen zijn in het huis dat hij voor zijn zuster in Wenen heeft gebouwd, besluit de filosoof Ludwig Wittgenstein dat het plafond van de grote zaal drie centimeter hoger moet worden. Dat zou hem een beter gevoel geven.

Tot alles waar Walter Benjamin geld mee probeerde te verdienen behoorde ook het vertalen van delen van Marcel Prousts romancyclus À la recherche du temps perdu. Op den duur niet van harte, want de verwantschap die hij voelde was te groot: het riep ‘zoiets als innerlijke vergiftigingsverschijnselen’ bij hem op.

Als Martin Heidegger met iets bezig was in zijn hoofdwerk Sein und Zeit, dan was het met het ‘onthuizen’ van de vertrouwde begrippen van de westerse filosofie en er een nieuwe behuizing voor bedenken (‘erzijn’, ‘eigenlijkheid’). Het eerste wat hij in 1928 deed na zijn benoeming tot hoogleraar in Freiburg (als opvolger van Edmund Husserl) is het bouwen van een huis.

Toen Martin Heidegger en Ernst Cassirer op het filosofencongres in Davos in 1929 met elkaar in discussie zouden gaan, was Cassirers vrouw Toni er niet gerust op dat dit wel goed zou gaan, Heideggers vijandigheid kennende jegens haar man. Ze besloot een gesprekje met hem te voeren. Ze voorzag hem van allerlei charmante persoonlijke details over haar man. Dat zou ‘de sluwe vos’ ontwapenen.

Dit zijn vier fragmenten uit Het tijdperk van de tovenaars, een boek van Wolfram Eilenberger over wat hij ‘het grote decennium van de filosofie, 1919-1929’ noemt. Dit moet dan een variant van de ‘Roaring Twenties’ zijn, iets waar niet veel mensen op zullen komen als het om filosofie gaat. De jaren twintig worden immers, afgezien van het wilde dansen, geassocieerd met de naweeën van de Eerste Wereldoorlog en de gevolgen van het Verdrag van Versailles, met Lenin en de Russische Revolutie, met de avant-garde, met De Stijl, met Bauhaus, met de Weimarrepubliek, met Berlijn als hoofdstad van Europa, met Stalin, met schrijvers aan de Côte d’Azur, met de beurskrach in 1929. Niet met het feit dat in 1927 Sein und Zeit van Martin Heidegger verscheen, al zal dat ongetwijfeld anders zijn voor liefhebbers van Heideggers filosofie.

Eilenberger
Van links naar rechts: Ernst Cassirer, Martin Heidegger, Ludwig Wittgenstein en Walter Benjamin.
Aardige anekdotische dingen

Dat in de jaren twintig belangrijke filosofische werken zijn geschreven, kan niet de enige reden zijn voor Eilenberger om een boek over dat tijdperk te schrijven: er moet een overkoepelend thema zijn dat alles bij elkaar brengt. Je zou denken dat dat dan ook in de titel terug te vinden zou zijn. Dat is niet zo omdat dat overkoepelende thema er niet of nauwelijks is. De vier filosofen Ludwig Wittgenstein, Martin Heidegger, Walter Benjamin en Ernst Cassirer die in Het tijdperk van de tovenaars in hun leven en werk door Eilenberger worden gevolgd, hebben niet zo veel gemeen behalve dat ze in de jaren twintig actief waren. Er zijn over hun leven in verband met hun werk aardige anekdotische dingen te schrijven (zoals in het begin van dit stuk), maar is het vruchtbaar om hun leven en werk door elkaar gehusseld te behandelen, zoals Eilenberger doet, alsof het een documentaire is?

Op het moment dat je met Eilenberger meegaat in het leven van Wittgenstein en te horen krijgt over zijn tijd als frontsoldaat in Italië, over zijn besluit om ‘financieel zelfmoord’ te plegen door zijn vermogen aan zijn zusters en broer te schenken, over het schrijven van de Tractatus enzovoort, houdt hij op over Wittgenstein en gaat hij verder over op Walter Benjamin of Martin Heidegger. Veel over het ‘tijdperk’ zelf komt daar niet bij kijken: niet of er een verband is tussen het werk van deze filosofen en de politiek, de culturele stromingen, de grote gebeurtenissen, zoals de moord op Walter Rathenau, de dood van Rosa Luxemburg. Niets over het dadaïsme, de opkomst van het Italiaanse fascisme, nauwelijks iets over de poging tot putch van Hitler in München.

Eilenberger doet noeste pogingen Heidegger uit te leggen, maar dat is alleen vruchtbaar voor wie zijn werk al enigszins kent en aanvaardt.

Er zijn hele stukken, met name de biografische delen, dat Eilenberger op een geanimeerde manier over het leven van zijn filosofen schrijft. Maar hun werk wordt veel te fragmentarisch en te terloops aangesneden om een duidelijk begrip te veroorzaken. Eilenberger doet noeste pogingen Heidegger uit te leggen, maar dat is alleen vruchtbaar voor wie zijn werk al enigszins kent en aanvaardt.

Afkeer van Descartes

Eilenberger doet ook pogingen verbanden te leggen tussen de vier filosofen, maar de draden zijn te dun. Met enige goede wil zou je kunnen zeggen dat Wittgenstein, Heidegger en Benjamin alle drie met hun filosofie terug willen naar de oorsprong, naar het dagelijks leven, de gewone taal, het niet-theoretische leven. De ware aard van de dingen en de taal moet weer tevoorschijn komen.

Ook hebben ze allemaal een afkeer van Descartes als vertegenwoordiger van de wetenschap in de filosofie. Op cultureel niveau betekent dit: geen (wat Heidegger noemt) ‘zijnsvergetelheid’, geen vervreemding, geen ‘verdinglijking’ van de mens, geen burgerlijke hypocrisie. Er zou een demasqué plaats moeten hebben om de samenleving te ontdoen van haar tevredenheid, vooruitgangsgeloof en machtsbelustheid. Dat wordt door Eilenberger een ‘decivilisatieproject’ genoemd, alsof civilisatie iets compleet verkeerds was. Ernst Cassirer doet daar niet aan mee.

Terug naar de oorsprong wil elke filosoof op een of andere manier wel, in welke tijd ook.

Wanneer je deze mogelijke strekking van het boek ‘terug naar de oorsprong’ zou noemen, zou dat een vertekening zijn, ook al zit er iets in. Terug naar de oorsprong wil elke filosoof op een of andere manier wel, in welke tijd ook. Zoals elke filosoof ook wel terug wil naar ‘de kern’.

De documentaire vorm die Eilenberger heeft gekozen door leven en werk met elkaar te verbinden, maakt het boek wel afwisselend en onderhoudend, maar die levens beïnvloeden het werk uiteindelijk vooral in praktische zin. We horen wel dat Heidegger Sein und Zeit aan het schrijven is, maar over wat er zich in zijn hoofd afspeelt weten en horen we weinig. Ineens is het boek er. Het leven heeft zich in zijn hoofd afgespeeld. Pikanter is dat Eilenberger Heideggers filosofie in verband brengt met zijn erotische belangstelling buiten het huwelijk. Zijn relaties met verschillende vrouwen (onder wie Hannah Arendt), zou een onderdeel zijn van zijn trouw en ontrouw aan bepaalde filosofische begrippen. Hij moest ergens toe behoren én helemaal los kunnen staan.

Van Wittgenstein weten we dat hij zijn Tractatus in de Italiaanse loopgraven heeft geschreven. En dat hij als onderwijzer in Otterthal een leerling een klap heeft gegeven. Die viel flauw. Wittgenstein vluchtte en meldde zich in het klooster van de Barmhartige Broeders te Hütteldorf om monnik te worden. Walter Benjamin was altijd met van alles bezig, maar ineens waren daar de sublieme verhaaltjes die Einbahnstrasse zouden gaan vormen. Die herinneringen laten een heel andere Benjamin zien, een die we niet kenden, waar we ook niet op voorbereid waren door zijn zwalken door Europa. Benjamin leefde grotendeels in zijn geest.

Bestaan is een cultuurscheppende bezigheid, alleen al door te begrijpen en te interpreteren wat je ziet.

Over Ernst Cassirers leven weet Eilenberger ook wel het een en ander te vertellen, maar zijn filosofie is veel interessanter: de mens is ‘animal symbolicum’ omdat hij alles wat hij ziet en ondergaat voor zichzelf creatief interpreteert. Bestaan is een cultuurscheppende bezigheid, alleen al door te begrijpen en te interpreteren wat je ziet.

Hoe geanimeerd Het tijdperk van de tovenaars vaak ook geschreven is, er is menige filosofische passage die het in duidelijkheid laat afweten. Het is bijna knap dat de vertaler niet te begrijpen zinnen weet te vertalen. Het heeft ook met de filosofie, met name die van Heidegger, te maken, zoals in deze zin: ‘De vervallende vlucht in het huis van de openbaarheid is een vlucht voor het niet-thuis-zijn, dat wil zeggen voor de ontheming die in het erzijn als geworpen, aan zichzelf in z’n zijn overgeleverd-in-de-wereld-zijn besloten ligt.’ Naar zo’n filosofie wil je niet leven.  

Het tijdperk van de tovenaars. Het grote decennium van de filosofie, 1919-1929 door Wolfram Eilenberger, vertaald door W. Hansen, is uitgegeven door De Bezige Bij.