Hij was min of meer vergeten, maar in de negentiende eeuw was Jacob van Lennep (1802-1868) een schrijver die niet over het hoofd te zien was. Marita Mathijsen schreef zijn biografie.

In haar zogenaamde gesprekken met negentiende-eeuwse schrijvers in De geest van de dichter (1990) gaf Marita Mathijsen Jacob van Lennep een gedroomde voorzet door hem te vragen of hij niet een geheel eigen standpunt in de geschiedschrijving had ingenomen. Van Lennep kreeg daardoor alle kans te zeggen dat hij inderdaad niet een braaf ‘loop in ‘t lijntje’ was, maar dwars was geweest en regelmatig geknaagd had aan Neêrlands roem door het over ‘de lafheid van de natie en het geflikflooi van de grote heren’ te hebben. Hij wees daarvoor op een prentenboekje met tekeningen van Pieter van Loon dat hij in 1854 had uitgegeven: Tafereelen uit de geschiedenis des vaderlands. Daarin werden wat minder fraaie kanten van nationale helden als Willem van Oranje en Jacoba van Beieren aangesneden in ‘groteske en boertige rijmpjes’. Heel Nederland stond op zijn kop. Er verschenen meer dan honderd artikelen tegen het boekje waarin Van Lennep werd afgeschilderd als een nestbevuiler en een ‘dichter-hansworst’.
Maar wat deed Jacob van Lennep? Het drong tot hem door dat hij als nationaal gekoesterde schrijver niet zo maar zijn ironische buien kon uitleven. Bovendien had hij zelf in alles meegeholpen de nationalistische trots te paard te helpen. ‘De ballon die Van Lennep zelf mee opgeblazen had, mocht nog niet doorgeprikt worden’, schrijft Mathijsen. Van Lennep liet het boekje uit de handel nemen en schreef een draaitollerige ‘Verantwoording’ waarin hij herhaaldelijk ‘sorry’ zei, maar niets terugnam. Wel beloofde hij gauw weer een echte geschiedenis met veel onversneden vaderlandsliefde te schrijven, wat hij ook deed met De geschiedenis des vaderlands in schetsen en afbeeldingen.
Hij ontpopt zich tot de typische grootburgerlijke schrijver die zo is ingeregen in de conventies van zijn stand, dat hij er van tijd tot tijd uitbreekt en schavuit wordt.
Wie zien hier wat het schavuitschap onder meer inhield waarvan sprake is in de titel van Mathijsens biografie over Jacob van Lennep: Een bezielde schavuit. We zien hier ook dat hij lang niet altijd een schavuit was en wel degelijk ‘in ‘t lijntje’ van de vaderlandse mores kon lopen. In haar lezenswaardige oratie De mythe terug pleitte Mathijsen in 2000 voor het leren zien van ‘mythes’ in figuren en personages in de literatuur, als personificaties van collectieve preoccupaties en obsessies. Figuren als Droogstoppel, Jan Salie, Pieter Stastok of Meester Pennewip vertolken een karakter, mentaliteit of psychologisch fenomeen dat tot de verbeelding spreekt. Jacob van Lennep wordt in deze biografie ook zo’n personage. Hij ontpopt zich tot de typische grootburgerlijke schrijver die zo is ingeregen in de maatschappelijke conventies van zijn stand, dat hij er van tijd tot tijd uitbreekt en schavuit wordt. Hij zoekt het dan buiten de lijntjes van het fatsoen door te drinken, te hoereren, te spotten, buitenechtelijke kinderen te maken, en dan weer terug te keren op het nest. In 1834 liet Van Lennep bijna zijn vrouw en vijf kinderen achter toen hij met een minnares probeerde te vluchten naar Engeland. Zijn vader kon hem nog net tegenhouden.
Wat Van Lennep heeft geschreven aan romans, poëzie, brochures, geschiedschrijving, pamfletten, gelegenheidsgedichten, toneelstukken en liederen komt al lang niet meer de bibiotheken uit, met uitzondering van zijn romans De pleegzoon, De lotgevallen van Ferdinand Huyck, De roos van Dekama en de vijf delen Klaasje Zevenster, maar ook dan voornamelijk ten behoeve van de cultuurhistorie. Het zijn in hoge mate romans die maatschappelijke preoccupaties uit die tijd uitbeelden, zoals het vondelingschap, de gevallen vrouw en de dubbele moraal van de burgerij. Als een conservatief en orangist vertegenwoordigde Van Lennep ook wat Mathijsen de ‘historiezucht’ in de negentiende eeuw noemt. Geschiedenis was voor Van Lennep als een 4e dimensie. Er was breedte, diepte, lengte en geschiedenis. Alles kwam ergens uit voort en was geworteld. Hoe open Van Lennep ook was ten opzichte van iedereen, er bleef altijd een zekere afstand, gevoed door het besef dat hij geworteld was en tot de aanzienlijkste families van de stad Amsterdam behoorde, net als de Röells, de Sixen, de Van Loons, Van de Polls, Huydecopers en Bickers. Van Lennep was een herdenkingstijger die voortdurend gelegenheidsgedichten schreef. Het oprichten van standbeelden hoorde daar bij.

Maar hoe ook begeesterd (of bezield) door de historie, van Lennep had ook zijn vooruitstrevende kanten. Mathijsen gaat uitvoerig in op zijn ‘daadkracht’, het bevorderen (veelal via vrienden en relaties) van grote projecten die voortuitgang betekenden. Zoals de aanleg van het Noordzeekanaal dat Amsterdam met de Noordzee verbond, de bouw van het Amstel Hotel ten behoeve van de beter gesitueerde toeristen, de waterleiding die voor fris duinwater zorgde. Het was Van Lennep die er voor zorgde dat de Ridderzaal niet gesloopt werd en niet meer als paardenstal dienst deed. Van Lennep zat ik elk denkbaar genootschap en in talloze commissies, maar hij moest en zou ook lid worden van de Tweede Kamer. Hij was Rijksadvocaat en was secretaris van de Provinciale Commissie voor de landbouw. Onderdeel daarvan was de ‘hengstenkeuring’. Hij wilde eigenlijk hoogleraar worden, maar dat ging niet omdat hij weer eens onwelgevoegelijke gedichtjes had geschreven. Niet alleen kwam er een standbeeld voor Vondel, hij bezorgde ook het Verzameld Werk van Vondel in luxe uitvoering.
Hoeveel boeiende details Mathijsen ook aan het leven van Van Lennep weet te onttrekken, hij blijft een publieke figuur waar we het intieme leven van leren kennen zonder er echt vertrouwd mee te raken. Hoe autobiografisch Klaasje Zevenster ook is omdat Van Lennep zelf meerdere buitenechtelijke kinderen had, van de vondeling maakt hij toch vooral een publiek, maatschappelijke thema, niet iets waar specifiek zijn hart in zit. Mathijsen noemt Van Lennep met een mooi begrip van Stefan Collini een public moralist: zijn werk is geen zoektocht ‘naar eigen hart en drijfveren’, maar naar publieke preoccupaties. Voor Mathijsen vertegenwoordigt Van Lennep de cultuurgeschiedenis van negentiende eeuw met zijn hang naar geschiedenis, maar ook met zijn schandaal-kant, de eeuw waarin veel buiten het zicht van de moraal en de goede zeden gebeurde, wat Mathijsen eerder in een gekijknamig boek De gemaskerde eeuw heeft genoemd.
Zijn werk is geen zoektocht ‘naar eigen hart en drijfveren’, maar naar publieke preoccupaties.

De regentenkant van Van Lennep, de enigszins hooghartige afstand die hij hield, speelde hem parten in zijn verhouding met Multatuli. Het was Van Lennep die als eerste het manuscript van Max Havelaar in handen kreeg en er meteen de kwaliteit van zag (‘een meesterwerk’), maar ook meteen begreep hoe brisant het was. Hij zag al een volksopstand uitbreken als het zonder meer gepubliceerd zou worden. Dus ging hij het met alle goede bedoelingen zo bewerken dat het minder brandgevaarlijk zou zijn. Het moest meer roman worden, en minder aanklacht. Hij wilde het slot verwijderen waar Multatuli de koning zelf toespreekt. Maar dat ging niet door, want het hele boek leidt daar naartoe. ‘’t Is er meê als de paradijsvogel. Het heele dier is om die staart geschapen’, schreef Multutali schrander. Van Lennep meende die veranderingen aan te kunnen brengen, gesteund en gerechtvaardigd door zijn conservatieve en enigszins betuttelende instelling. Op dat moment was hij weinig schavuit met Multatuli.
Dat Van Lennep in Een bezielde schavuit uiteindelijk vooral ‘een boeiende figuur’ wordt en geen paradijsvogel waarvan alle kleuren je bekoren, ligt niet aan Mathijsen. Ze laat hem van alle kanten zien, ook als nationalist en xenofoob. Wat Van Lennep aan diepte ontbeerde compenseerde hij in de breedte door zoveel te doen en zoveel, al dan niet op verzoek, te schrijven. Hij kon moeilijk ‘nee’ zeggen. Er was iets grootburgerlijk oppervlakkigs aan Van Lennep, wat vooral te zien is in de brieven en de vriendschap met Aart Veder, een volwassen corpsbal die het over Multatuli had als ‘dat zijn van die lieden’. Dat oppervlakkige zag de afschuwelijk orthodoxe Isaac da Costa helaas ook al vroeg toen hij na een conflict schreef dat Van Lennep ‘toch al geen wezenlijke kennis en diepgang’ had. Uiteindelijk blijf je zitten met de tegenstellingen in zijn karakter waar Mathijsen steeds weer op stuit: sympathiek en berekenend, trouw en trouweloos, romantisch en verlicht, religieus bevlogen en zorgeloos, conservatief en modern.
Jacob van Lennep. Een bezielde schavuit door Marta Mathijsen bij Uitgever Balans.€19,99 (ebook), €39,95 (hardcover).
ISBN: 9789460037719 (ebook) 9789460038501 (hardcover).
Benieuwd naar andere literaire kronieken? Lees hier ‘de Speld prikt dieper’: een bloemlezing uit tien jaar van de satirische nieuwswebsite bevestigt wat men al kon weten. Dit is veelal sublieme humor.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.