Het valt niet iedereen op dat we bijna constant met onszelf in gesprek zijn. En dat er iemand in je zit die je gedachten helpt sturen: door de psycholoog Dolph Kohnstamm ‘de eigenander’ genoemd. Hij schreef een boek over het ontstaan van het zelfbesef.

Het is altijd weer verrassend als in een van de oudste boeken van de wereld de eerste bron te vinden is van een respectabele menselijke eigenschap: het vermogen jezelf te beheersen. Verrassend mag dat eigenlijk niet zijn. Hoe zou dat boek – de Odyssee – het anders tot een eeuwige bestseller hebben gebracht? Die zelfbeheersing doet zich voor wanneer Odysseus na tien jaar avonturen uiteindelijk het paleis bereikt waar zijn vrouw Penelope al die jaren opdringerige mannen van zich af heeft weten te houden. Hij maakt zich niet meteen bekend. Hij probeert eerst in een marmeren gang wat te slapen onder dierenhuiden. Dat lukt niet erg omdat hij het gegiechel hoort van de slavinnen die zich met de kostelijke wijn van het huis hebben vermaakt met hun ‘hoogmoedige’ vrijers. Odysseus’ hart draait om in zijn lijf van woede. Zou hij ze nog een laatste nacht gunnen, of meteen een einde aan die losbandige bende maken? Zijn hart blijft tekeer gaan. Maar met een slag op zijn borst roept hij het tot de orde: ‘Koest hart, verdraag het! Je hebt wel schofteriger streken verdragen op de dag dat de woeste Cycloop je vrienden opvrat.’ Dat zegt hij tegen het hart in zijn borst ‘en het hart kalmeerde.’

Het is misschien een iets te geforceerd aandoend woord, maar het zegt wel precies waar het om gaat: de eigenander.

In de Odyssee doet zich veel voor de eerste keer voor (het is ook het eerste verhaal over een ‘ik’). Hier gaat het er nu om dat de Odyssee het eerste verhaal is over iemand die zichzelf ‘stuurt’, met zichzelf overlegt over wat het beste is om te doen. Odysseus gebruikt zijn ‘sluwe verstand’ en kalmeert zijn woede om de vrijers niet vroegtijdig de kans te geven zich uit de voeten te maken. Hier spreekt de tweede ‘ik’ in Odysseus, de zichzelf waarnemende ‘ik’, de zichzelf beschouwende instantie die door Dolph Kohnstamm in zijn gelijknamige boek ‘De eigenander’ wordt genoemd. Het is misschien een iets te geforceerd aandoend woord, maar het zegt wel precies waar het om gaat: de eigenander is degene die naar je kijkt, je tot de orde roept, bepaalt wat je wilt, waar je naar verlangt, plannen met je maakt, wat je gaat doen en wat je denkt. Het is degene waarmee je innerlijk overlegt, delibereert en discussieert. Het is een ander die je eigen is, die bij je hoort. Het is de instantie die zorgt voor het zelfbesef en de zelfreflectie. Het is een gesprekspartner en de coördinator van alles wat op je afkomt.

De eigenander is het vervolg op Ik ben ik, het boek uit 2002 van Kohnstamm over de plotselinge ontdekking van het zelf, het ineens opduikende heldere inzicht dat je bestaat, een ‘ik’ bent en niet iemand anders. Zoals de zevenjarige Beatrijs Ritsema overkwam, logerend bij haar oma: ‘Het was een moment van grote helderheid. Ik viel niet meer met mezelf samen, maar bekeek mezelf als het ware van boven. Alleen al het feit dat ik over mezelf “ik” kon denken, was nieuw en raar.’ Vaak gaat deze gewaarwording gepaard met angstige gevoelens: ineens is niets meer vertrouwd. De Franse schrijver Julien Green noemt het zelfs ‘de verdrijving uit het paradijs.’ Het is alsof er ineens een splitsing heeft plaatsgevonden tussen jou en de wereld. Dat is zowel prachtig, want je bent ineens ‘iemand’, en eng.

De eigenander gaat over de verschillende manieren waarop men zich van zichzelf bewust kan worden. Kohnstamm heeft als ontwikkelingspsycholoog een empirische instelling. Hij laat zich niet afleiden door al te veel theorie, maar beschrijft eenvoudig het fenomeen van de innerlijke waarneming en het zichzelf bewust worden. Hij trekt zich hierbij niets aan van modieuze theorieën die zeggen dat men zichzelf niet kan kennen, dat het innerlijk een ongrijpbaar fenomeen is en dat wij omtrent onszelf in het duister tasten. Hij heeft sterke voorbeelden om dat te weerleggen, zoals de essays van Montaigne (‘Ik sla mijzelf voortdurend gade’), de Conversations with Myself van Nelson Mandela, de autobiografie van de historicus Jacques Presser, of het dagboek van Anne Frank. Die schrijft bijvoorbeeld: ‘Ik kan me bij al m’n handelingen bekijken alsof ik een vreemde was. (…) Dat zelfgevoel laat me niet los en bij elk woord dat ik uitspreek weet ik dadelijk als het uitgesproken is: dit had anders moeten zijn, of, dat is goed zo als ‘t is!’ Kohnstamm gebruikt het woord niet, maar het zelfbesef dat hij beschrijft is hetzelfde als een zekere identiteit, een elastisch basisgevoel dat ervoor zorgt dat men zich niet verloren voelt in het universum. Hij noemt zeven kenmerken van het zelfbesef: eenheid, continuïteit, lichamelijkheid, privacy, sociale inbedding, zelfbesef en vrije wil.

Kohnstamm heeft een prachtige verzameling persoonlijke getuigenissen aangelegd van de manieren waarop dat zelfbesef kan ontstaan. Bijvoorbeeld via het loutere bewegen om het bewegen bij kinderen, als lijfelijke lust, door Duitse psychologen ‘Funktionslust’ genoemd. Denk maar aan het zelfbesef in de zwembadpas van Kees de Jongen. Of via het alter ego, jezelf gaan zien door jezelf in een ander te zien. De eigenander is een functie die verschillende gedaanten aan kan nemen, zoals dat van het geweten, het betere ik. Dat ontstaat door de inperkingen (wat wel en niet mag) waarmee het aanvankelijk louter egocentrische kind te maken krijgt. Of die van het ideaal-ik, door Kohnstamm het niet-morele zusje van het geweten genoemd. Dat ideaal-ik suggereert dingen die je zou willen kunnen, eigenschappen die je zou willen hebben, dingen die je zou willen bereiken.

Michel de Montaigne, Vladimir Nabokov, Socrates, en Anne Frank.

De eigenander is de motor van het denken en het zelfbewustzijn.

Tot de tijd-ruimtelijke gewaarwordingen die tot zelfbesef kunnen leiden behoort die van de vierjarige Vladimir Nabokov. Die kreeg ‘een ontzagwekkende stimulerende schok’ toen het op de verjaardag van zijn moeder tot hem doordrong dat het ‘zevenentwintigjarige wezen in zacht wit en roze dat mijn hand vasthield mijn moeder was’. In bed liggend dringt het tot een negenjarig meisje door dat ze morgen 10 wordt. Dat voelde als ‘een fuik waar ik niet uit kon komen.’ Maar ze besluit vanaf dat moment ‘een zelfstandig wezen’ te zijn dat zichzelf de opdracht geeft ‘om dit aan te kunnen.’ Goed voorstelbaar is het zelfbesef dat ontstaat door kritiek van andere kinderen. En het schaamtegevoel dat tot zelfbesef leidt. Mooi is ‘de ander als bron van zelfbesef’, zoals in het geval van de socioloog Joop Goudsblom. Terwijl hij als kind achterop de fiets van zijn moeder zit te zingen hoort hij ineens iemand zeggen ‘Moet je dat jongetje horen zingen’. Daarin hoorde hij iets schampers, hij voelde zich betrapt en ineens scherp van zichzelf bewust.

Het boeiende aan dit alles is dat het gaat om zelfbesef en introspectie van de niet-spectaculaire soort. Het gaat niet over de meer opgerekte soorten zelfbesef: egoïsme, egocentrisme of narcisme. Daarin is geen sprake meer van een ‘innerlijke gesprekspartner’, maar van iemand die onafgebroken aan het woord is. Dat schrijvers en filosofen het nog wel eens over de eigenander in zichzelf hebben is maar al te begrijpelijk. Zij zijn voortdurend met zichzelf in gesprek, net als hun peetvader Montaigne. Zij hebben ook personages geschapen die symbool staan voor de innerlijke tegenstem, zoals Sancho Panza in Cervantes’ Don Quichot, Dr. Pangloss in Candide van Voltaire, Jacques in Jacques de fatalist van Diderot, en Mefisto (de man die altijd ‘nee’ zegt) in Goethe’s Faust. Vergeet ook niet de figuur van de dubbelganger en de innerlijke raadgever van Socrates, zijn ‘daimon’. De eigenander is de motor van het denken en het zelfbewustzijn.

Dit ontstaan van het zelfbesef beschrijft Kohnstamm in eenvoudig en nauwkeurig Nederlands, zonder enig jargon. Als ontwikkelingspsycholoog heeft hij natuurlijk een zeker belang bij duidelijkheid over zelfbesef. Wat zou ontwikkeling zijn als het niet tot iets leidde. Maar daar komt nog iets bij en dat beschrijft hij pregnant zelf aan het slot van de inleiding van Ik ben ik: waarom hij de herinneringen over het ontstaan van het zelfbesef zo belangrijk vindt: ‘Dat moet te maken hebben met hoe ik de mens, mezelf ook, het liefste zie: als een over zichzelf nadenkend wezen, als een persoon die zich bewust is van zijn of haar uniciteit, die niet altijd op wil gaan in een groep, die weerstand biedt aan modes, die van tijd tot tijd stilstaat bij wie hij of zij eigenlijk is of zou willen zijn, die de waarheid onder ogen wil zien van de eenzaamheid van het eigen denken, de eigen zelfreflectie.’ De eigenander, de sturende instantie in ons, veronderstelt dat de mens tenminste een beetje maakbaar is en ook dat er zoiets als vrije wil bestaat. Dat te beseffen zou wel eens voor ‘een ontzagwekkende stimulerende schok’ kunnen zorgen, zoals Nabokov zei.

De eigenander, van Dolph Kohnstamm is uitgegeven door Uitgeverij Nieuwe Druk, Arnhem.