achtergrond
Wisten de rechters wel hoe duur dat was, een drugstransport vanuit Pakistan? Dat je moest betalen voor de kamelen die de hasj uit de bergen naar de boot brengen? ‘En wat dacht u van het smeergeld dat aan de douane moet worden toegeschoven? Of het huren van safe houses?’
Piet Doedens voerde in 1994 bij de Amsterdamse rechtbank een kleurrijk en gedetailleerd nummer op. Het OM beschuldigde zijn cliënt Cees H. ervan een half miljard gulden drugswinst te hebben behaald. Dat was zwaar overdreven, beweerde de toenmalige Utrechtse advocaat. ‘Hasjhandelaren hebben onkosten en lijden verliezen bij de ex- en import.’ Doedens wapperde daarbij met het zogenaamde ‘huishoudboekje’ van zijn cliënt. Na aftrek van alle kosten zou er hooguit een winst van pakweg drie miljoen gulden zijn overgebleven.
Er zat een diepe kloof tussen de berekening van de advocaat en die van het OM, constateerde rechtbankvoorzitter Frits Lauwaars. Hij vond dat de strijdende partijen eerst maar eens om de tafel moesten gaan zitten om te zien of ze wat dichter bij elkaar konden komen. Achter de schermen volgden verhitte onderhandelingen.
op een tropisch eiland
Het was midden jaren negentig en het OM had de handschoen opgepakt in de war on drugs. Niet alleen hoorden ogenschijnlijk onaantastbare criminelen achter de tralies, ook diende al hun onrechtmatig verkregen bezit te worden afgepakt. Daarbij verkenden de magistraten de grenzen van de opsporing. Een van hen was de jonge crimefighter Fred Teeven, die eerder bij de Fiod naam had gemaakt. Daar had hij drugscrimineel Johan ‘de Hakkelaar’ V. al op de korrel gehad. In Teevens ogen was Johan V. de baas der bazen. De latere officier van justitie begon zijn jacht door eerst in te zetten op de kompaan van de Hakkelaar: Cees H. Cees H. had in 1985 negen jaar gekregen voor drugshandel, maar was voortijdig het land uitgevlucht. Hij werd op 26 april 1993 alsnog aangehouden toen hij een drugstransport vanuit Pakistan organiseerde. Het daaropvolgende proces tegen hem mondde uit in een prestigezaak: de overheid wilde laten zien dat ze brutale beroepscriminelen, die het met luxe huizen en dure bolides publiekelijk breed lieten hangen, hard aanpakte.
Uiteindelijk kreeg Cees H. in 1995 vier jaar gevangenisstraf, bovenop de negen jaar die er al stonden voor de eerdere veroordeling. Daar kwam nog twee jaar bij omdat hij tijdens zijn voorarrest had geprobeerd zijn celdeur op te blazen. Daardoor kwam H. op de zwaarbewaakte afdeling (EBI) in de gevangenis van Vught. Hij zou – bij goed gedrag – niet eerder dan in 2002 vrijkomen. Het ‘verstikkende’ regime viel hem zwaar, noteerde een journalist van de Volkskrant in 1996. Cees H. deed uitvoerig zijn beklag, maar zei ook ‘in de gelukkige financiële omstandigheid’ te verkeren dat hij na zijn detentie zes maanden kon ‘bijkomen op een tropisch eiland’.
Opmerkelijk, want in 1994 had justitie beslag gelegd op alles wat ze had kunnen vinden. Volgens een proces-verbaal van de Fiod beschikte H. alleen al op de bank over ruim vijf miljoen gulden. Daarnaast had de Nederlandse staat de hand gelegd op meerdere bezittingen, waaronder H.’s riante appartement in Antwerpen en zijn jacht in Marbella. Dat bracht het totaal op 7.370.200 gulden. Ook zijn bankrekeningen in België en Luxemburg waren bevroren. H. zat klem. Hij vond de omstandigheden in de EBI zo zwaar dat hij tot grote concessies bereid was. Hij wilde afstand doen van al zijn getraceerde bezittingen, als hij maar uit die gevangenis weg mocht. Het staat te lezen in een brief die advocaat Doedens in 1999 naar de toenmalige minister van Justitie Benk Korthals stuurde. In dat document – in bezit van Vrij Nederland – doet de raadsman uit de doeken hoe de Nederlandse staat in de persoon van Fred Teeven heeft geprobeerd met zijn cliënt Cees H. tot een akkoord te komen. Dat begon op 22 mei 1995. Die dag kreeg de advocaat naar eigen zeggen een telefoontje van Teeven ‘met het verzoek of cliënt niet bereid zou zijn om met hem te praten. Cliënt zou volgens mr. Teeven een belastende verklaring kunnen afleggen over Johan V. “De Hakkelaar”.’
Doedens liet op 15 augustus van dat jaar schriftelijk weten dat Cees H. bereid was tot een gesprek met Teeven, mits hij eerst zou worden overgeplaatst naar een gevangenis met een milder regime. Mochten de gesprekken vervolgens leiden tot een verklaring, dan wilde H. als kroongetuige ook nog ‘een nieuwe identiteit, een vestiging in het buitenland en extra beveiliging’. Twee dagen later lag er een antwoord van Teeven: hij wilde niet ingaan op de voorwaarden.
Met andere verdachten uit de groep rond Cees H. en Johan V. – de kroongetuigen Ad Karman, ‘chef laden en lossen’ van de bende, en ‘hasjmakelaar’ Fouad Abbas – sloot Teeven wel overeenkomsten. Beiden kregen geen straf en Abbas – toch ook een grote vis die miljoenen overhield aan de drugshandel – moest ‘slechts’ 1,8 miljoen gulden boete betalen, in termijnen.
Op basis van hun verklaringen werd de Hakkelaar begin 1998 veroordeeld. Een succes voor het OM. Justitie wilde nu ook nog de criminele winst van Johan V. afpakken. De ervaringen met de financieel-strafrechtelijke vervolging van Cees H. waren echter niet bemoedigend. Het zou jaren kunnen duren, met een ongewisse uitkomst. Daarom bedachten ze voor de Hakkelaar een andere manier: ze stuurden de fiscus op zijn dak omdat hij geen belasting had betaald over zijn drugsinkomen. Die legde een claim neer van – omgerekend naar nu – 123 miljoen euro.
Ondertussen zat de financiële strafzaak tegen Cees H. nog steeds muurvast. Er lag weliswaar beslag op het vermogen van de drugshandelaar, maar het OM moest nog wel eerst definitief bewijzen dat het om criminele revenuen ging. Een patstelling dreigde en voor beide partijen was het opportuun om tot een vergelijk te komen. Dus benaderde Doedens opnieuw Teeven. Die zag wel heil in een schikking. Dan zou de staat tenminste nog iets kunnen afromen van Cees H.’s vermeende criminele winsten, eerder ingeschat op een kleine half miljard gulden. Het OM had een goede uitgangspositie: H. voelde zich zo beroerd in de EBI dat hij er alles voor over had om buiten te komen. Het leidde tot de volgende deal: Cees H. deed afstand van zijn beslagen vermogen, mits Teeven beloofde zijn best te zullen doen om de veroordeelde gratie te bezorgen. Het document, één A4’tje, werd op 22 juni 1998 ondertekend door de officier van justitie, de drugshandelaar en diens advocaat (zie afbeelding).
Een onverbiddelijk ‘nee’
Maar Teeven was vergeten dat hij toestemming nodig had van zijn baas bij het OM, de procureur-generaal. Dat liet hij Doedens telefonisch weten op 6 juli 1998. Een dag later reageerde de advocaat met een brief waarin hij Teeven erop wees dat deze had getekend voor kwijtschelding van het volledige strafrestant, ‘ingaande onverwijld’. Het mocht niet baten. Weliswaar had Teeven toestemming gekregen van hoofdofficier van justitie Hans Vrakking, zijn directe meerdere bij het Amsterdamse parket, maar hoger in de hiërarchie van het OM klonk een onverbiddelijk ‘nee’. Bij een deal met een crimineel dient namelijk toestemming te worden gevraagd aan het College van procureurs-generaal. Dat had Teeven verzuimd. Daarnaast mocht Teeven als officier van justitie nooit én een financiële schikking én gratie toezeggen in een en dezelfde deal. Minister Korthals zou het later in antwoord op Kamervragen zo zeggen: ‘In het kader van een ontnemingsschikking kan geen sprake zijn van afspraken over andere dan de financiële aspecten.’
Teeven had zijn hand overspeeld en Cees H. bleef achter de tralies. Doedens liet het er niet bij zitten: hij had immers een door een vertegenwoordiger van de staat getekend contract. De advocaat liet nog andere varianten los op het OM, bijvoorbeeld door te schipperen met het strafrestant en de bevroren tegoeden, maar hij kreeg geen gehoor. Pas toen hij op 3 september dreigde naar de rechter te stappen om de deal met H. alsnog af te dwingen, reageerde Teeven. ‘Ik meen u er thans opnieuw op te moeten wijzen dat een overeenkomst tussen het OM en uw cliënt nooit tot stand is gekomen,’ schreef hij. En verderop: ‘Het past mijns inziens niet om daarbij met rechterlijke tussenkomst te dreigen.’ Daarmee leek de deal dood, hoewel Doedens in het daaropvolgende jaar nog meermalen heeft geprobeerd om Teeven te vermurwen. Tevergeefs. In mei 1999 stuurde de officier van justitie opnieuw een brief naar de raadsman. Deze keer met de mededeling dat zowel het College van procureurs-generaal als de minister ‘geen mogelijkheden zien’ voor een schikkingsovereenkomst met een gratietoezegging.
Ten einde raad wendde de advocaat zich toen maar rechtstreeks tot de minister. In zijn brief betitelde Doedens het optreden van Teeven als ‘onjuridisch, onzorgvuldig, ondoorzichtig en derhalve onprofessioneel en oncontroleerbaar’. De raadsman verweet Teeven een ‘Fiod-achtige koopmansmentaliteit, gepaard gaande met solistisch optreden’. Doedens vroeg Korthals het OM alsnog aan de overeenkomst te houden en zijn cliënt onmiddellijk over te plaatsen.
Daar lag een schandaal in de dop. Vermoedelijk besefte men aan de kant van de overheid dat Doedens hier toch wel een punt had. Dat maakt gemakkelijker te begrijpen waarom Cees H. uiteindelijk toch nog rijkelijk werd beloond. De partijen gingen begin deze eeuw in alle stilte opnieuw in onderhandeling. Als aflaat mocht Cees H. in 2001 uiteindelijk een jaar eerder uit de gevangenis en kreeg hij een flinke bonus mee: de 4,7 miljoen gulden waar vorige week twee bewindslieden over struikelden.
Juridisch niet zuiver
Daarmee was Teevens jacht op het criminele geld van de Hakkelaar-groep nog niet beëindigd. Vlak nadat H. als vrij en bemiddeld man afreisde naar de zon, spande de fiscus een kort geding aan tegen Johan V., die weigerde de miljoenenboete over zijn drugswinsten te betalen. De Hakkelaar belandde zelfs enige tijd in de cel als gevolg van het geschil met de Belastingdienst dat tot op de dag van vandaag voortduurt. Daarbij vindt de drugscrimineel het onverteerbaar dat hij moet bloeden, anderen de dans ontsprongen en zijn voormalige partner in crime Cees H. zelfs een onbelaste miljoenenwinst opgestreek.
Vermoedelijk lekte in 2002 daarom ook niet geheel toevallig uit dat de overheid afspraken had gemaakt met Cees H. Het was in elk geval munitie voor de verdediging van Johan V. De media sprongen er indertijd bovenop, de Kamer stelde vragen, maar de minister kwam ermee weg. Korthals bezwoer het parlement dat het om twee gescheiden trajecten ging – een over de schikking en een over het jaar gratie. Teeven had wel degelijk mogen onderhandelen over het geld. (Korthals sprak van een ‘vermogensbestanddeel van 2 miljoen gulden’ bij de beslaglegging en een boete voor H. van ‘een paar ton’. Geen woord over wat justitie op H.’s rekening terugstortte.) ‘Het was juridisch niet zuiver,’ concludeerde de bewindsman, een steek onder water richting Teeven en het Amsterdamse parket, dat had gesneden in een door de rechter opgelegde straf. Daarmee leek de kous af.
Tot vorig jaar. De deal bleek nog steeds explosief: opnieuw lekten documenten naar de pers en stond het parlement op z’n kop. Een grote drugscrimineel had niet alleen strafvermindering gehad maar ook nog eens miljoenen teruggekregen in een afspraak die was stilgehouden voor de Belastingsdienst. Deze keer waren de gevolgen een stuk dramatischer. Opstelten en Teeven stapten op. In een reactie op de affaire heeft H. laten weten dat wat hem betreft de hele deal nu ‘gewoon op tafel’ mag komen. Het ‘huishoudboekje’ van Cees H. en de Teeven-deal zijn inmiddels onderdeel van de fiscale zaak tegen zijn oude maat Johan de Hakkelaar. Op 11 mei buigt het Amsterdamse hof zich hierover.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.