Joost Zwagerman publiceert bijna sneller dan God kan lezen. Na Alles is kleur en Kennis is geluk heeft hij nu in De stilte van het licht zijn stukken over kunst verzameld. Met zijn daaruit blijkende hang naar stilte en leegte is hij definitief geen Maximaal meer.

Deze Literaire Kroniek over Joost Zwagermans deze week verschenen boek ‘De stilte van het licht’ is voor zijn overleden op dinsdag 8 september geschreven.

Het kan niet anders of het valt op dat Joost Zwagerman het motto voor De stilte van het licht, zijn nieuwe boek met artikelen over kunst, ontleent aan Gerrit Kouwenaar. Dat is de dichter die hij in 1987 in zijn hoedanigheid van voorman van de ‘Maximalen’ verantwoordelijk hield voor alle minimalistische ‘hermetische’ dichters die het poëzieklimaat bepaalden waar de Maximalen zich tegen keerden. Kouwenaar zelf bleef gespaard, maar zijn navolgers kregen in Zwagermans pamflet Het juk van het grote niets te horen dat ze ‘hyperkeurige poëzie’ schreven ‘die aansluit bij al die anderen die ieder op hun beurt óók weer bezig zijn met zo’n zelfde frêle stilte’. De hyperkeurige poëzie kwam te staan tegenover de Maximale ‘kunst van het grote gebaar, waarbij dan ook alles wordt geannexeerd, de hoge en lage kunst, de liefdeslyriek en de pornografie, cocaïne en gezondheidscultus, kortom de Tros en De Held’.

Alles in het boek staat in het teken van niets of weinig. Je kunt niet zeggen dat Zwagerman in de loop der tijd ontrouw geworden is aan zijn maximale principes (hij is nog steeds een alleseter), maar hij heeft inmiddels wel het minimalisme in de kunst compleet geannexeerd getuige De stilte van het licht. Alles in het boek staat in het teken niets of weinig: Het gaat over stilte, over het niets, over het wit, over de leegte, het ontbrekende en het verdwijnen.

Wanneer Zwagerman iets doet, doet hij het maximaal, ook als het gaat om het niets of het weinig. Het ene na het andere motto bij de artikelen getuigt ervan. Dat van Kouwenaar luidt: ‘ik ontvang meer/ik word leger’. Een ander motto is van Herman Gorter: ‘De dingen staan om me zo stil/te luist’ren wat de stilte wil’. Nog een ander is van George Bataille: ‘De stilte is zelf een hoogtepunt en, beter nog, het heilige der heiligen’. Of van Martinus Nijhoff: ‘Een wit vertrek, vol licht’. Van de filosoof Cornelis Verhoeven is ‘We kunnen ons God nog denken als leegte tussen de afgoden in’. Met het aanroepen van deze zoekers en vinders van stilte en leegte is het maximale grote gebaar bij Zwagerman wel definitief geschiedenis geworden.

Naar aanleiding van De stilte van het licht mag je wel concluderen dat Zwagerman op een nuchtere manier op zoek is naar een soort mystiek in de kunst. God zit in de stilte en de leegte. De Spaanse schilder Francisco de Zurbarán (1598-1664) schilderde adembenemende stillevens, maar ook verstilde monniken, heiligen en Christussen aan het kruis. Het is niet per se nodig om Zurbaráns stillevens van vaasjes, fruit en schalen mystiek of religieus te duiden, maar dat doet Zwagerman wel. De vorm van die vaasjes en schalen staat voor hem voor de leegte en ‘binnen die leegte bevindt zich God, alomtegenwoordig maar onkenbaar’.

Francisco de Zurbarán. ‘Bodegón’ of ‘Stilleven met Aardewerk’. Circa 1650.

Het bijzondere aan de Zurbaráns schilderijen van heiligen als Sint Lucia, Apollonia, Dorotea of Casilda zijn de gewaden, de strikken, de stoffen, de watervallen aan plooien die alle aandacht opeisen. Het is een wereldse weelde die je daar ziet. Dat het heiligen zijn die deze kleren aan hebben is niet het eerste wat je denkt. Deze kleren zouden je heel goed van elke religieuze associatie kunnen wegdrijven, maar Zwagerman niet.

Zwagerman is lyrisch over de lendendoek van de Christus aan het kruis van 1627. Met wulpse plooien hangt die lendendoek als een wolk in de lucht en tart de zwaartekracht. Zwagerman ziet het aanvankelijk als een afzonderlijk schilderij, als ‘een onaanraakbare sculptuur’. Dat lijkt mij heel goed mogelijk. Maar daar laat hij het niet bij, het schilderij en de lendendoek móeten voor hem meer bevatten: het is, schrijft hij, ‘alsof met Christus’ lijdensweg ook de táál aan het kruis is geslagen en er alleen nog een alomvattend zwijgen rest, verbeeld door het in plooien verstilde wit van een lendendoek die niet van deze wereld kan zijn.’ Zwagerman wil per se bij het ‘alomvattend zwijgen’ en het ‘verstilde wit’ uitkomen. Maar die lendendoek zou je ook alleen maar als een artificieel zelfstandig geworden wolk van stof kunnen zien, waarbij Zurbarán tijdens het schilderen juist niet aan God of Christus heeft gedacht, zo autonoom is die doek geworden.

Het is jammer dat Zwagerman de stukken waarin het gaat over de stilte, het niets, het wit, de leegte en het verdwijnen niet nog consequenter bij elkaar heeft gezet, anders zou nog duidelijker zijn dat het minimalisme door hem gefascineerd gezocht wordt in de kunst, alsof hij op een bevestiging in iets in hemzelf uit is. Nu komen er stukken over luidruchtigen als Jeff Koons, Lucebert, Richard Hamilton of Goya tussen door.

De stilte treft hij in sublieme vorm aan in de monochrome schilderijen van Mark Rothko, het wit ziet hij bij J.H. Weissenbruch, de verstilling bij Giorgio Morandi, de stilte bij John Cage, het wit bij Kazimir Malevich, de leegte bij Vilhelm Hammershøi, de stilte bij de performance-kunstenaar Marina Ambramovic en bij Robert Ryman. Het niets bij Yves Klein, het ‘tot leegte inpolderend wit van Herman de Vries’.

Vilhelm Hammersøi. ‘Interieur met jonge vrouw’. 1903-1904.

Zwagerman ziet de leegte soms ook waar hij echt niet is, zoals op een geënsceneerde foto van Jeff Wall, The Destroyed Room uit 1978. Je ziet een kamer waarin het één grote puinhoop is, alles is stuk, de kasten, het matras, de kleren, het raam. De foto mag geïnspireerd zijn door het overvolle schilderij De dood van Sardanapalus van Eugène Delacroix, dat neemt niet weg dat Zwagerman aan inlegkunde doet wanneer hij schrijft: ‘De kamer puilt uit van de rotzooi, maar is toch vooral adembenemend leeg: met het vernielen en vernietigen van al dit huisraad is ook de ziel uit deze verlaten kamer weggeslagen’. Dit lijkt mij of een dooddoener, of een sofisme, een mooie punt draaien aan iets dat evident is. Als het zo moet is voortaan vol hetzelfde als leeg.

Uit De stilte van het licht wordt duidelijk dat Zwagerman uit alle macht betekenis wil ontlenen aan de kunst, en speciaal de hedendaagse. En met succes.

Er wordt door Zwagerman in De stilte van het licht wel erg veel nadruk gelegd op kunstenaars die erop uit zouden zijn door middel van hun kunst ‘niet te zijn’, te willen verdwijnen in hun kunst. Dat is een begrijpelijke aanvechting, maar uiteindelijk is het de bedoeling dat ze door middel van die kunst juist meer aanwezig zijn dan ooit. Wel wordt uit De stilte van het licht duidelijk dat Zwagerman uit alle macht betekenis wil ontlenen aan de kunst, en speciaal de hedendaagse. En met succes, want het zijn breed geïnformeerde en geanimeerd geschreven stukken waarin van de lezer wordt verondersteld om mee te denken. Soms probeert hij erg geforceerd verbanden te leggen en neemt het gegoochel met het wit, de stilte en de leegte groteske vormen aan (zelfs in de opgewekte kunst van Joan Miró moet de stilte opdraven in het stuk ‘Het verborgen geluid van de stilte’), maar dat staat niet in verhouding tot de maximale animo en eruditie waarmee deze stukken zijn geschreven.

De stilte van het licht is uitgegeven door De Arbeiderspers.