Steeds meer werd Joost Zwagerman gefascineerd door het wit in de kunst, het niets, de stilte, de leegte. Uiteindelijk is zijn ‘verlangen om er niet te zijn’ sterker gebleken dan alle levensdrift die hij in zich had.

Wie, zoals de meeste mensen, vertrouwd was met een extraverte Joost Zwagerman die geregeld op de televisie was te zien, die voortdurend werd geïnterviewd, gerecenseerd en gefotografeerd, kan niet anders dan opkijken bij het lezen van zijn laatste gedichtenbundel Voor alles, eind vorig jaar verschenen. De onschuldig lijkende titel hoort bij een gedicht van twee pagina’s en drieënzestig regels dat een droge opsomming geeft van alles waar Zwagerman bang voor was. Joost Zwagerman? Ergens bang voor? Die durfde en deed toch zo ongeveer alles?

Een ochtendlijk stapeltje post na een doorwaakte nacht was nog maar één ding waar Zwagerman bang voor kon zijn. Hij was bang voor alles, ‘altijd’: ‘voor te veel mensen in een lift of streekbus’, ‘voor mails en sms’en’, ‘voor de benauwenis van aangeboren schaamte’, ‘voor de toekomst en het verleden’, ‘voor sferen, suizingen en de zekerheid’, ‘voor de deurbel en voor straf’ en ‘voor types die met messen spelen’. In het laatste deel van het gedicht herhaalt hij steeds ‘Voor alles altijd bang geweest’, ‘Voor alles altijd bang geweest’. En dan, verscholen tussen de mededeling dat hij bang is ‘voor personen die snoevend zeggen vrij te zijn van alle vrees’, maakt hij één uitzondering: dat hij ‘voor doodzijn misschien iets minder’ bang is.

Terugkerende wens

Joost Zwagerman had twee gezichten. Dat andere gezicht, het schaduw-ik, verborg hij niet, maar hij etaleerde het ook niet al te opzichtig. Hij heeft er wel over geschreven en iets over verteld, maar niet al te expliciet, vooral versluierd in romans en gedichten. In een gedicht kon hij zeggen dat hij minder bang was voor ‘doodzijn’ dan voor te veel mensen in de lift of, typerende toevoeging voor iemand als Zwagerman, die een zwak had voor ‘de provincie’, ‘een streekbus’. Dat schaduw-ik bevond zich op de achtergrond van alles wat hij schreef over zelfmoord. Het stond voor de chronische, steeds terugkerende wens liever niet te willen bestaan, er-niet-te-willen-zijn.
Die wens was al oud. Rond zijn twintigste las Zwagerman de roman Het zwart uit de mond van Madame Bovary van Willem Brakman. Daarin gaat het over de muisgrijze leraar Frans Pouderooyen die aanvankelijk denkt dat hij de enige is die ernaar verlangt om niet te bestaan. Tot hij zichzelf wijsmaakt dat iedereen dit verlangen heeft en hij zich niet meer alleen voelt. Hij denkt ‘dat de diepste uitingen van een mens altijd uitingen zijn van het protest dat hij er is.’ Hoe onwaarschijnlijk het ook is dat ieder mens zou denken dat alles wat hij doet een protest is tegen het feit dat hij bestaat, Zwagerman schrijft in de inleiding van zijn laatste boek De stilte van het licht dat hij dit indertijd ‘enerverend’, geruststellend, vond om te lezen: ‘Ik bleek niet alleen.’

Niet voor jou
Joost Zwagerman, bang? Die durfde en deed toch zo ongeveer alles? Foto: Dave Gray

Drie jaar later heeft de jonge Ingmar Booy in zijn debuutroman De houdgreep (1986) in allerlei situaties de gewaarwording dat hij er niet wil zijn. De grote wens van de aan een painters-block lijdende Walter van Raamsdonk (‘Raam’) in Gimmick! (1989) is dat hij niet bestaat, is uitgewist. In Vals licht (1991) wil Simon, die zich als een normale jongen voordoet maar er een schaduwbestaan op na houdt, zich vereenzelvigen met het hoertje Lizzie. Hij wil dat zijn bewustzijn langzaam maar zeker plaatsmaakt voor het hare, ‘zodat hij het was die schitterde van afwezigheid. Misschien was ware liefde een vorm van afsterven en zou hij pas gelukkig zijn als hij zich met recht en reden haar mutant kon wanen’.
Zwagermans hoofdpersonen willen steevast verdwijnen, er niet zijn. Zo erg is het nog niet bij Theo Altena in De buitenvrouw (1994), maar hij kan zich dan ook laven aan de liefde en het opwindende lichaam van Iris, zijn zwarte collega op het West Fries College. Zij verlost hem van zijn gedachten aan de dood, zij was ‘ontzettend zonder doodsbesef’. Het zijn altijd vrouwen die de hoofdpersonen bij Zwagerman afhouden van hun verlangen naar de dood. Ze zorgen ervoor dat die afgeleid wordt, in hen opgaat, in hen verdwijnt. Het gedicht ‘Voor alles’ eindigt ermee:

Voor alles altijd bang geweest,
maar niet voor jou,
nee, niet voor jou.

‘Ik wil het liefste in jou weg. Zonder jou ben ik te veel’ staat in het titelgedicht van zijn gedichtenbundel De ziekte van jij (1988). Als hij in haar op kon gaan, hoefde hij zelf niet meer te bestaan:

Jij, jij was veel meer dan dat zodat ik van meer
naar minder kon. Jij was zo jij dat je werd mij,
aan mij was het genot om in je op te gaan, geluk
zo groot dat ik steeds minder hoefde te bestaan.

Paradoxaal verlangen

Het ‘verlangen om er niet te zijn’ en ‘het ontmoedigende feit er wél te zijn’, de steeds terugkerende motieven in zijn werk, noemt hij zelf ‘mijn teerste droom en tegelijk grootste nachtmerrie’. Het is een paradoxaal verlangen: een ‘wensdroom annex nachtmerrie’. Dit is wat in het schaduw-ik van Zwagerman leefde. Hij wilde voortdurend niet op de wereld zijn. Hij was er niet echt thuis. Hoe maximaal zijn levensdrift aan de buitenkant ook was, de dood trok aan hem als een hond die de andere kant op wil. In zijn schaduw-ik speelde zich een doodsdrift af die zich onttrok aan zijn controle.
Een van de woorden die bij Zwagerman nogal eens voorkomen is ‘versterven’. De essays in De stilte van het licht gaan over het wit in de hedendaagse kunst, over het niets, de stilte, de leegte, over het ontbrekende en het willen verdwijnen. Gemeenschappelijk aan deze thema’s is dat het om niets of weinig gaat. Het gaat om het minimum, terwijl Zwagerman in het midden van de jaren tachtig toch was begonnen als een van de dichters van de Maximalen, de dichters van het ‘grote gebaar’. In De stilte van het licht gaat het juist om het kleinste gebaar, om de nulgraad van de kunst. Dat zou je een soort versterven kunnen noemen, het terugbrengen van alles tot een minimum. Zwagerman wilde de laatste jaren in zoveel mogelijk kunst de leegte, de stilte en het niets zien, ook als die kunst daar niet speciaal toe uitnodigde. Hij dreef weg van elke uitbundigheid, van het wilde en het expressieve in de kunst.

Protestkunst

Het lichtelijk verbijsterende is dat Zwagerman zijn ‘teerste droom en tegelijk grootste nachtmerrie’, er-niet-willen-zijn, in De stilte van het licht zonder meer tot iets fundamenteels en universeels bombardeert en toeschrijft aan alle kunst, niet alleen aan de kunstenaars die hij in het boek bespreekt. Al die kunstenaars zouden kunst maken ‘uit protest tegen het feit dat men er is’. Zo bezien, gaat hij verder, ‘is alle kunst in essentie protestkunst. Ook ikzelf protesteer in zekere zin nog altijd: dit boek is er het resultaat van. Het protest verbindt mij aan een groot aantal kunstwerken.’ Wat dit ook voor idee is, het is al te voortvarend om alle kunst protestkunst te noemen. Veel onbehagen, spanningen, frustraties en depressies kunnen tot grootse kunstwerken worden omgesmeed en gesublimeerd, maar dat betekent in de meeste gevallen niet dat daarmee geprotesteerd wordt tegen het feit dat men er is. Zwagerman legt hier zijn eigen teerste droom en grootste nachtmerrie op aan alle kunst.

Diep gekoesterd verlangen

Joost Zwagerman ontwikkelde geleidelijk een hang naar schilders en kunstenaars die zijn eigen behoefte aan minimalisme vertegenwoordigden: bij hen werd hij bevestigd in zijn behoefte aan stilte, leegte, het wit, het niets en het willen verdwijnen, in het algemeen, of het verdwijnen in het kunstwerk. Dat vond hij bij de performancekunstenaar Marina Abramovic en haar stilteproject, in de monochrome schilderijen van Mark Rothko, in de stillevens van Giorgio Morandi, in de stilte bij de componist John Cage, het witte vierkant bij Kazimir Malevich, de honderden witte doeken van Robert Ryman of de witte rasterpanelen van Jan Schoonhoven. Zwagerman werd ook gefascineerd door het verdwijnen in de romans van Cees Nooteboom (Rituelen), Frans Kellendonk (Letter & Geest) en Niña Weijers (De consequenties). Of de verdwijning van Bas Jan Ader, de kunstenaar die met een bootje de Atlantische Oceaan op ging en daarna verdween. Alleen zijn bootje werd teruggevonden.
Hoe specifiek deze verdwijningen ook elk zijn, Zwagerman werd er door geobsedeerd, alsof deze kunstwerken de prelude vormden op zijn eigen verdwijning. Marina Abramovic zat gedurende drie maanden elke dag stil in het Museum of Modern Art in New York. Bezoekers mochten zwijgend tegenover haar plaatsnemen. Abramovic sprak Zwagerman aan, schrijft hij, ‘op misschien wel het intiemste en brooste compartiment in mijn innerlijke huishouding. Stilzwijgend deed Abramovic een appèl op een diep gekoesterd verlangen naar afwezigheid.’

Anti-utopie

Hoe ver zijn we na deze tekenen van versterving in de kunst verwijderd van het plegen van zelfmoord door Joost Zwagerman? Dat had vér moeten zijn, maar hij heeft zijn ‘teerste droom’ die tegelijk zijn ‘grootste nachtmerrie’ was, ten uitvoer gebracht. Hij loste de helse paradox op door te kiezen voor zijn ‘teerste droom’. Op grond van wat hij allemaal tegen het plegen van zelfmoord heeft geschreven, had dat het voorkómen van zijn ‘grootste nachtmerrie’ moeten zijn. Maar de werkelijkheid is dat hij het toch gedaan heeft, tegen zijn eigen pleidooien in.
Hoeveel pleidooien Zwagerman ook tegen de zelfmoord hield, hij interesseerde zich bovenmatig voor ‘gevaarlijk’ levende kunstenaars. Hij wist met cijfers en statistieken bij de hand hoeveel kunstenaars en speciaal schrijvers kampten met schizofrenie, depressie, zware melancholie, manische depressiviteit, wanen of een bipolaire stoornis. Hij wist en erkende dat die aandoeningen vaak tot grote kunst hebben geleid, kunst die niet die hoogte zou hebben bereikt als de kunstenaar niet had moeten worstelen met zijn geestelijke onevenwichtigheid. Hij kende dus de standaardwerken over zelfmoord en kunstenaars, A. Alvarez’ The Savage God, Andrew Salomons The Noonday Demon en Jeroen Brouwers’ De laatste deur. Hij kende de namen van die geplaagde schrijvers, zoals Malcolm Lowry, F. Scott Fitzgerald, Anne Sexton, Nikolaj Gogol, Fjodor Dostojevski, Mark Rothko of Vincent van Gogh. Hij kende de hoop die zijn vriend Rogi Wieg jarenlang koesterde, speciaal in zijn suïcidale roman Kameraad scheermes, dat over vijftig of honderd jaar medicijnen uitgevonden zouden worden die geestesziekten naar het verleden zouden dirigeren, zoals met tbc, de pokken, rode hond en deels met aids is gebeurd.
Maar daar moest Zwagerman niets van hebben. Hij huiverde bij de gedachte dat zo’n medicijn werkelijkheid zou worden. Dan zou er voor kunstenaars en schrijvers geen ‘vijfde seizoen’ meer zijn, het ‘saison en enfer’, het seizoen van ‘beproeving en hellegang’ dat Zwagerman typeerde met de paradox in de woorden van Samuel Beckett: ‘dood leven mijn eeuwig seizoen’. Liever leven met de dood in het leven, dan leven op een laag pitje. Met de uitvinding waar Rogi Wieg naar uitkeek, rest ons volgens Zwagerman ‘een Brave New World van overweldigend evenwichtige supermensen. Verdwenen de verzenuwde angstkunstenaar, verdwenen de grimmig-suïcidale dichter, nooit meer een artistiekerige egomaan die op feestjes in de kroonluchter hangt… In plaats daarvan zal iedereen overal en altijd gevrijwaard zijn van wanen, depressie en psychose – het gedroomde eindpunt van onze psychomedicalisering. Het lijkt mij je reinste anti-utopie, een wereld waarin het voorgoed een autoloze zondag van de geest is, schoon en stil, maar ook steriel en eenvormig – een wereld om acuut gek van te worden. Dan nog liever de telkens terugkerende geseling van het gemoed; dan nog liever de herhaalde tuimeling in het vijfde seizoen’.
Dit is de Joost Zwagerman van de enthousiaste stukken over kunst en kunstenaars die zich voor een flink deel in het vijfde seizoen bevonden, schrijvers en kunstenaars met hun demonen en fantomen als Madonna, Norman Mailer, Prince, David Bowie, Andy Warhol, William Burroughs, Henry Miller, Mark Rothko, Bret Easton Ellis, maar ook John Updike, Saul Bellow en Philip Roth.

Bij toeval

Maar de Zwagerman die sympathiseerde met deze kunstenaars die zich verre houden van de ‘autoloze zondag van de geest’, is een andere Zwagerman dan degene die nog vrijwel dagelijks aan zijn vader dacht, die zelfmoord probeerde te plegen, maar niet in zijn opzet slaagde. Hij leefde nog bij toeval, omdat zijn vrouw, van wie hij kort geleden was gescheiden, hem nog net op tijd vond. Als de zelfmoord van zijn vader was gelukt, dan hadden we Zwagerman, schrijft hij, ‘voortaan moeten rekenen tot de door therapeuten meer dan gemiddeld behandelde categorie, met een meer dan gemiddelde neiging tot suïcide: kinderen van zelfmoordenaars.’ In zekere zin is dit toch het geval: hij is een kind van een vader wiens poging niet slaagde. Dan kom je óók in de statistieken en heb je vierenzestig keer vaker dan gemiddeld kans om chronisch depressief te worden. En die kinderen plegen op hun beurt zeventien keer vaker dan ‘normaal’ zelfmoord.

Erfelijk belast
Joost Zwagerman door Siegfried Woldhek (2009).

De zelfmoordpoging van zijn vader riep bij Zwagerman de vraag op of hij erfelijk belast was. Was hij, zoals hij het noemde, ‘een gestempelde’? In Het land van herkomst van E. du Perron had hij gelezen hoeveel zorgen Du Perron zich maakte nadat zijn vader zich met een geweer door het hoofd had geschoten. Du Perron was toen negenentwintig. Die vader had hem ‘de bijzondere geur van zelfmoord’ doorgegeven en erfelijk belast, daar was Du Perron van overtuigd. Zwagerman bestudeerde ook de zelfmoorden in de familie Hemingway. De ene zoon na de andere deed het. Gezien de ellende die dat veroorzaakte, vroeg hij zich af of je zelfmoord de nabestaanden mag aandoen. Die krijgen een mislukt leven in hun schoot geworpen waar ze wellicht part noch deel aan hebben gehad. Zwagerman sympathiseerde met de nabestaanden, hij vond dat ze recht hebben op kritiek op de zelfmoordenaar. Het taboe op die postume kritiek moest verdwijnen. Kritiek leveren beschouwde hij als ‘een bestanddeel van het noodzakelijke verwerkingsproces en de al even noodzakelijke overlevingsstrategie.’
Dat Zwagerman toch zelfmoord heeft gepleegd nadat uitgerekend hij er zoveel tegen heeft geschreven, betekent dat alle overwegingen die hij zelf had aangedragen om het niet te doen uit zijn hoofd waren weggevloeid: weg, nergens meer voor hem te vinden. In Door eigen hand, het boek waarin hij zijn essays over zelfmoord verzamelde, heeft hij niet alleen maar begrip voor de zelfmoordenaar: ‘de zelfmoordenaar die kinderen en familieleden ontredderd en vol verwijt achterlaat, is niet uitsluitend een door ernstige depressiviteit gemarteld slachtoffer; het is soms ook iemand die nog in zijn meest penibele moment van levenswalg en doodswens ten prooi is aan egomanie en zelfobsessie: voor de eigen ellende moet alles wijken, inclusief de kwaliteit van leven van de nabestaanden.’
Het wemelde van de tegenstellingen in Zwagermans hoofd. Er duiken voortdurend opposities bij hem op: bij kunstenaars als Francisco de Zurbarán, Léon Spillaert, Edward Hopper ziet hij in De stilte van het licht de verknoping van ‘schoonheid en onbehagen’. De stilte waar hij de laatste jaren zo door werd geobsedeerd, was ‘soms zegen, soms gesel’. Hij had het gevoel tegelijk te leven in een ‘arcadië en een hellekring’. Dat iets tegelijk een ‘oase en schrikbeeld’ voor hem kon zijn, stoelde, schrijft hij, ‘op die ene sensatie, dat ene verlangen dat telkens weer onstilbaar blijkt, het verlangen om er niet te zijn.’

Uiteindelijk koos hij voor de verlossing, voor zijn ‘teerste droom’, weg van de steeds terugkerende nachtmerrie in zijn schaduw-ik.
Hij wist hoe hij dat kon verantwoorden met de sterkste en overtuigendste citaten. Nietzsches ‘De gedachte aan zelfmoord werkt als een troostmiddel: die helpt je door menige boze nacht’ was hem niet meer genoeg. Er komt een moment dat de potentiële zelfmoordenaar de woorden van Seneca door en door begrijpt: ‘Ziet u die stroom, die rivier, die put? Daarin woont de vrijheid. Ziet u die ellendige, uitgedroogde, onvolgroeide boom? Aan elke tak hangt de vrijheid. Vraagt u de weg naar de vrijheid? U kunt hem vinden in elke ader van uw lichaam.’

Joost Zwagerman, door Frits Woudstra.

Praten over zelfmoord kan bij de hulp- en preventielijn ‘Zelfmoord? Praat erover’. Telefoonnummer 0900-0113, www.113Online.nl