Op zondagmorgen 3 september 1950 werden door de nevel boven Noord-Holland vier gestalten zichtbaar bij station Krommenie-Assendelft. In alle vroegte keken daar twee ouders toe hoe op het perron hun zeventienjarige zoon voor het laatst zijn jeugdliefde omhelsde. Wies heette ze. Wies, over wie hij in zijn dagboek had geschreven: ‘Wies is nu mijn meisje, Wies. Wies, die me elke keer weer kracht en moed geeft.’

Hij zou het zonder haar moeten stellen.

Zijn vader en moeder vergezelden de jongen in de trein naar Rotterdam. Het miezerde nog toen ze later op de dag aan boord gingen van een vrachtschip. Toen de jongen het ouderlijk gezag weer over de loopplank naar wal zag terugkeren, verkrampte zijn keel. Die nacht zou de reis naar Amerika aanvangen en een jaar lang zou hij de twee niet meer zien of horen – telefoon was nog veel te duur. Hij was alleen nu. Zijn hersenpan lag braak en het miezerde nog steeds.

Maar de volgende dag! Enkele uren na vertrek brak de zon de hemel open en bescheen de witte krijtrotsen van de Engelse zuidkust, enige dagen later volgde een orkaan, werd de jongen zeeziek als de hel en zag hij de wolkenkrabbers uit de skyline van New York torenen. De wereld opende zich voor een joch uit Krommenie.

Die jongen, geboren in 1932, was en is Joop Goudsblom. Als socioloog zou hij de wereld baanbrekende studies brengen, over het nihilisme en het waarheidsgebod, en over het vuur, en ook is hij de man die Norbert Elias in Nederland introduceerde. Maar in het verre Amerika zou ook een mindere god een stempel op Goudsbloms gedachtegoed zetten. Iemand die hij precíés op het goede moment las.

Brave New World

De lange reis van de jongen eindigde in Middletown, Connecticut. Een jaar lang zou hij er met een beurs mogen studeren. De VS waren in oorlog; vroeg iemand hem om zijn mening, dan had hij die keurig gevormd op basis van wat hij in Het Parool had gelezen: in Korea werd de strijd uitgevochten tussen het vrije Westen en het onvrije Oosten. Goudsblom was voor vrijheid en democratie, dus voor Uncle Sam.

Joop Goudsblom: ‘Als er nu organisaties en instituties afbrokkelen, kunnen we een paar gruwelijke periodes gaan meemaken tot de tijd van weer grotere organisaties.’ Foto: Annaleen Louwes

In de colleges leerde hij over Aldous Huxley en diens dystopische roman Brave New World, die zich afspeelde in een futuristische wereld waarin, zo schrijft Goudsblom nu in zijn memoires, ‘allerlei in de jaren dertig al in de Amerikaanse consumptiemaatschappij gesignaleerde tendensen in de richting van toenemende massaproductie en toenemend conformisme satirisch waren uitvergroot’. De jonge student nam het gretig tot zich, net als George Orwells roman 1984, en hij schreef een scriptie over negatieve toekomstromans: The Future in Fiction.

In die sfeer sloeg hij in de bibliotheek een boek open van de onbekende Roderick Seidenberg, met de fascinerende titel Post-Historic Man. An Inquiry. Direct in het begin verwees Seidenberg naar Brave New World en 1984. In beide romans zag Seidenberg zijn stelling bevestigd dat ‘het individu’ meer en meer ondergeschikt werd aan allerlei vormen van organisatie. De student nam het boek vol verwachting mee naar huis.
Hij stond op het punt de intellectuele variant van een jeugdliefde te beleven.

Sámen nadenken

Ruim zestig jaar later zit ik in een keurige benedenwoning in Amsterdam-Zuid en vertelt de 84-jarige Joop Goudsblom over zijn verhouding tot Roderick Seidenberg, die begon als een jeugdliefde, weer werd losgelaten, maar uiteindelijk toch bleef echoën in zijn denken.

De wetten van tijd en ruimte maken dat het lichaam voor vertraging begint te zorgen, maar Goudsblom spreekt zo helder als hij schrijft in de ijzersterke memoires die hij binnenkort publiceert: hij roept gemakkelijk beelden op en er is ruimte voor zelfreflectie.
‘Eerst was er de prehistorie,’ articuleert hij nu in ABN. ‘Daarin veranderde bijna niks. De mensen lieten zich leiden door hun instincten en impulsen. Heel langzaam kwamen zij erachter dat intelligentie hen kon helpen om te overleven en dat ze door collectief nadenken als soort sterker kwamen te staan.’

Hoezo sámen nadenken?
‘Ze leerden informatie delen. Hoe ze anderen kenbaar konden maken dat je een bepaald voorwerp als gereedschap kon gebruiken, bijvoorbeeld. Met het collectief nadenken – het leren beheersen van het vuur en de overschakeling naar een agrarische samenleving – nam de bevolkingsgroei toe.’

Instincten

In dat prehistorische verleden gingen mensen, net als andere dieren, af op hun instincten. Maar, zegt Seidenberg, sinds de prehistorie zijn mensen op weg naar een posthistorisch tijdperk: collectief aangeleerde oriëntaties gaan steeds meer domineren en de individuele keuzemogelijkheden worden ingeperkt. Zo bezien vormen de afgelopen millennia de historie en is die eigenlijk een langgerekte overgangsperiode.

‘Wij kennen onze toekomst niet en daarom kennen we ook onszelf niet. Wij weten niet hoe we zullen reageren in nieuwe omstandigheden die we nog niet kennen.’Goudsblom: ‘Volgens Seidenberg ging de samenleving steeds meer in het teken staan van steeds grotere organisaties. Bijvoorbeeld: eerst de steden, toen de natiestaten, toen de Volkenbond en latere VN. Meer en meer zouden die de kaders van het menselijk gedrag gaan bepalen. Seidenberg waarschuwde dat er een verzadigingspunt moet optreden: het moment waarop grote instituties allesoverheersend zijn geworden – het moment van de post-historie.’

De jonge student vond het prikkelend om zo naar de geschiedenis te kijken. De Goudsblom van nu zal Seidenberg niet meer helemaal gelijk geven, maar destijds vond hij dat Seidenbergs betoog klopte als een bus. Het paste perfect bij wat er in zijn scriptie over het toekomstbeeld in romans stond: in een toekomstige samenleving zouden steeds groter en sterker wordende organisaties gebruikmaken van voortschrijdende wetenschap en techniek, en zo het individuele leven steeds strakker inspinnen in collectieve verbanden.
Hij kreeg een hoog cijfer.

‘De tijd zelf is ook al een afspraak.’ Foto: Annaleen Louwes

Maar één keer in zijn leven heeft hij iemand gesproken die Seidenberg ook had gelezen. En het volgende boek van de man viel bar tegen. Maar dit idee van Seidenberg zou Goudsblom nog vaak bevestigd zien: vanuit samen denken ontstaan instituties, die worden groter en nemen de plaats van onze intuïties over. Maar Seidenberg liet ook veel liggen, zoals de invoering van de tijd. Goudsblom: ‘Jij kwam hier net vijf minuten te laat en je vond het nodig om je daarvoor te verontschuldigen. Want wij hadden een afspraak. Maar de tijd zelf is ook al een afspraak. Het tijdsregime is iets dat bewust is bedacht, maar inmiddels natuur lijkt. De beste indicator van gedrag is hoe laat het is. Als het ergens drie uur ’s nachts is, dan is het niet moeilijk te voorspellen dat het grootste deel van de bevolking op dat moment slaapt. Dat is het gevolg van onze dagindeling van 24 uur. Terwijl de kortste dag eigenlijk maar de helft van de langste dag is! Die tijdsafspraak grijpt heel diep in. In je instinctieve impulsen.’

Past precies bij Seidenberg, bedacht hij later.

Wat hij uiteindelijk van Seidenberg leerde: de geschiedenis zien als een overgangsfase. De overgang van instinct naar intelligentie als sturende instantie. De computer en het internet noemt hij schoolvoorbeelden van collectief bedachte instituties.

Luguber

Mooi toch, intelligentie? Nou nee. In 1958 schreef hij in Vrij Nederland, in een stukje over Post-Historic Man, dat onze ‘waarden als vrijheid, persoonlijkheid en zelfs bewustzijn niet meer [zijn] dan de voorbijgaande begeleidingsverschijnselen van een tussenstadium, dat zijn einde al begint te naderen’.

Het toekomstbeeld van Seidenberg noemde hij er luguber, maar er was wel iets nog ergers denkbaar: ‘de eventuele zelfuitroeiing van de mensheid door een rakettenoorlog is nog gruwelijker’.

Goudsblom is consistent: hij heeft het stukje uit Vrij Nederland niet meer gezien, maar nu ik hem bijna zestig jaar later naar zijn toekomstbeeld vraag, zegt hij: ‘Het lijkt mij moeilijk voorstelbaar dat de mensheid kan blijven ronddraaien in dezelfde cirkeltjes nu er steeds meer van ons bijkomen en we steeds meer wapens maken en spelen met een ondergang door kernbommen.’

Meer begrip

De jeugdliefde verwelkte. Hij durft nu niet te zeggen hoe een volgende fase van de mensen eruit kan zien: ‘De toekomst van de mens is niet te voorspellen. Wij kennen onze toekomst niet en daarom kennen we ook onszelf niet. Wij weten niet hoe we zullen reageren in nieuwe omstandigheden die we nog niet kennen.’ Er zit frictie tussen de woorden die hij uitspreekt en de warme toon die hij erin legt. Als je alleen op de koude woorden let, lijkt het ondoenlijk om als individu enige invloed uit te oefenen en goed te doen. Dan paart Goudsblom alles aan de grote gang van de geschiedenis der mensheid. Dan zijn wij allen druppeltjes in een eindeloze oceaan van tijd.

Maar als je hem hoort praten, of mooi ziet schrijven, dan wordt de rede leven ingeblazen en heeft Goudsblom een antwoord op de vraag hoe we moeten leven met de wetenschap dat we maar zo weinig kunnen doen. Dan ziet hij voor redelijk denkende mensen wel een mogelijkheid voor invloed, en signaleert hij van allerlei kanten pogingen voor meer begrip.

Keerpunt

Het jochie dat in 1950 overweldigd werd door de Engelse rotsen, de orkaan en de skyline van New York, heeft in 1991 een half jaar in Oxford gewerkt. Hij herinnert zich hoe hij daar weer overweldigd rondliep door de wereld. Zo mooi en zo oud als die gebouwen waren, dat hij wel eens had gedacht: zal dit ooit door bommen bedreigd en een doelwit worden? Hij had geen ander antwoord dan: er is geen enkele garantie dat dit niet zal gebeuren.

Dat klinkt niet geruststellend.
‘Het kan zijn dat alles van nu met een sisser afloopt, maar er lijkt nu een keerpunt te zijn gekomen. Vrij solide instituties veranderen, zoals de EU met de Brexit, Trump die als een rabauw door de Amerikaanse politiek gaat.’

Maar de gang van de menselijke geschiedenis was er toch een naar steeds grotere instituties?
‘Volgens Seidenberg wel. En het blijft zo dat er tegen organisatie maar één kracht is opgewassen: meer en sterkere organisatie!

Als er nu organisaties en instituties afbrokkelen, kunnen we een paar gruwelijke periodes gaan meemaken tot de tijd van weer grotere organisaties.
Maar Seidenberg zelf was eigenlijk een anarchist, hij was dienstweigeraar in de Eerste Wereldoorlog, en was eigenlijk tegen elke vorm van organisatie. Wat hij heeft gedaan, was vanuit anarchistisch perspectief zijn eigen angst beschrijven.’

Joop Goudsblom, ‘Geleerd. Memoires 1932-1968’, Van Oorschot, 384 p., € 27,50.