In Melancholie van de onrust, het essay dat Joke Hermsen schreef voor de Maand van de filosofie, wordt melancholie niet beschouwd als het zwarte gat waarin niks te zien is. Integendeel.
Het zeventiende-eeuwse vanitas-schilderij is het beste voorbeeld van een melancholie die cultureel was ingebed: we weten dat alles ijdelheid is, dat alles voorbijgaat, en dat stemt droef. Al die juwelen, zilveren kannen, gouden broches en damasten tafelkleden kun je niet mee je graf in nemen. Dat vertellen de symbolen van de vergankelijkheid die op het schilderij te zien zijn: de kaars, de schedel, de botten en de zandloper. Het calvinisme wreef deze vergankelijkheid nog eens extra in door de nietigheid van de mens te benadrukken. Wee degenen die niet uitverkoren waren. Met het katholicisme kon je ten minste nog op eigen kracht in de hemel komen.
Het besef van vergankelijkheid is maar één van de bronnen voor melancholie als een milde vorm van droefheid. Je kunt ook denken aan de verdrijving uit het paradijs van de kindertijd, aan liefdesverdriet, aan het niet verwerven van wat je graag wilt, aan de maar voort jakkerende tijd, aan het ‘bestendige gevoel van onze onvolkomenheid’ zoals Diderot de melancholie omschreef. Of ‘dat er altijd iets ontbreekt’, dat het nooit eens echt goed is, zoals Bertolt Brecht zei.
Van melancholie naar depressie-epidemie
Aan dit soort melancholie zit een louterende kant: ze duurt een tijdje, maar verdwijnt ook weer, al komt ze ook weer terug. Melancholie heeft eeuwenlang (Plato heeft het er tenslotte al over) een dubbel gezicht gehad: na het dal van de droefheid komt de heuvel van de opluchting. Dat werd in de twintigste eeuw anders toen de melancholie plaats maakte voor de depressie. Melancholie werd ineens iets voor de literatuur, de muziek of de schilderkunst, ze behoorde niet meer tot het echte harde leven. Dat werd het terrein van de depressie. Daarin dook het harde cijfer op dat vierhonderd miljoen mensen wereldwijd aan depressieve verschijnselen lijden. In Nederland alleen al kregen ruim een miljoen mensen in 2014 antidepressiva voorgeschreven.
Melancholie heeft eeuwenlang een dubbel gezicht gehad: na het dal van de droefheid komt de heuvel van de opluchting.

Joke Hermsen pendelt in haar essay van boekachtige proporties Melancholie van de onrust voortdurend tussen melancholie en depressie. Ze neemt een beschermende positie in tegenover de melancholie. Ze gaat op zoek naar de oorzaken van de depressie-epidemie. Alles wat de melancholie tot een vruchtbare droefenis maakt verdwijnt in de grauwheid en de onrust van de depressie. Alles wordt dan gemedicaliseerd, er is niets natuurlijks meer, zoals in het geval van de melancholie. Door de verbazingwekkend hoge cijfers over depressie is het onmogelijk om er geen maatschappelijke oorzaken voor te zoeken. Hermsen, en met haar kenners als Trudy Dehue (Het nieuwe zwart), Darian Leader (De depressie-epidemie) en Karin Johannisson (De kamers van de melancholie) wijten de structurele depressiviteit aan ‘tal van sociale en politieke factoren’. Het gaat dan om ‘het groeiend individualisme, de teloorgang van de gemeenschappelijke verbanden, het neoliberale consumentisme en de vertechnologiseerde cultuur.’ Ook de complexiteit van de moderne wereld, de toenemende prestatiedruk, het kapitalisme, het marktdenken, de anoniemer wordende werkelijkheid, de moderne communicatiemiddelen en internet zouden hun rol spelen. Om het beeld compleet te maken mogen we ook nog denken aan het opkomende nationalisme, de intolerantie en de xenofobie. En: hoe rijker we worden, hoe banger we lijken te worden om de welvaart te verliezen.
Deze opsomming van ‘tal van sociale en politieke factoren’ voor ‘ongezonde melancholie’ mag nog zo realistisch zijn, tegelijk heeft dit alles op veertien van de vijftien volwassenen geen deprimerende invloed (omdat ze geen grote consumenten zijn, en omdat ze niet elke minuut op hun telefoon kijken).
Tijd zonder tijd
Het interessantste aan Melancholie van de onrust is niet het traceren van deze diffuse sociale en politieke achtergrond van collectieve depressiviteit, maar wat Hermsen aan zegeningen aan de melancholie toekent. Met Hannah Arendt en de filosoof van de hoop Ernst Bloch beschouwt Hermsen de mens als een melancholiek wezen dat altijd onvoltooid zal blijven en nooit helemaal bij zichzelf ‘thuis’ zal zijn. Er is altijd iets niet. Maar dat is wel de basis om steeds iets nieuws te beginnen. De menselijke onvoltooidheid zorgt voor dynamiek, er moet iets gebeuren, het is een bron voor creativiteit.
Melancholie betekent ook dat mensen met zichzelf geconfronteerd worden en met zichzelf in gesprek raken, met hun ‘innerlijke zelf’, zoals de vriendin van Nietzsche Lou Andreas-Salomé het noemde. Dat maakt de mens tot een ‘dialogisch wezen’ dat voortdurend met zichzelf in gesprek is. De melancholie schept daar de ruimte voor wanneer je op advies van Hermsen van de ‘kairotische tussentijd’ gebruik maakt, genoemd naar Kairos, de kleinzoon van de god van de tijd Chronos. Om de melancholie niet te laten omslaan in depressiviteit moet er volgens Hermsen tijd gemaakt worden voor ‘aandacht’, voor tussentijd, voor een hapering in de tijd, voor een contemplatieve pauze, voor een interval, voor wikken en wegen, voor een houding van ‘belangeloze beschouwing’, een toestand waarin men ‘vrij is van onrust.’ Dit leidt bij Hermsen, die eerder een boek heeft geschreven over het stilzetten van de tijd, al snel tot het negeren van de gewone kloktijd en voor wat Henri Bergson de durende tijd heeft genoemd, een tijd zonder tijd. Zo ontstaat ook de figuur van ‘de denkende mens’ als een rustpunt in een voortrazende wereld.
De menselijke onvoltooidheid is een bron voor creativiteit.
Op deze manier wordt melancholie, begrepen als een permanent tekort waarin niet op een hysterische, maar op een bedachtzame manier met dat tekort wordt omgegaan, een bron van creativiteit. Vandaar dat de kunst profiteert van de melancholie: ze zorgt voor een bedachtzame leegte waarin ideeën kunnen bloeien. Ze zorgt voor een nulpunt van waaruit iets nieuws kan ontstaan.
Hermsen kan van alles in de melancholie projecteren omdat ze het, als ‘een grondstemming van de mens’, zo breed mogelijk maakt: van het menselijk tekort tot de Weltschmerz, van de angst voor de toekomst, het ervaren van ‘wezenlijke momenten’ tot het ‘onbestemde verlangen’ dat niet weet waar het vandaan komt.
Melancholie van de onrust is een veelkleurig essay waarin een hoop te sprake komt. Maar net als eerder in haar boek Kairos, maakt zich van tijd tot tijd van Hermsen de profeet meester die ‘de helende werking van tijd en aandacht’ predikt. Niet dat er iets mis is met tijd en aandacht, maar zoals Hermsen het er over heeft wordt het de taal van de welzijnszorg. Zo ook wanneer ze het over ‘gemeenschapszin’ en ‘gemeenschappelijke verbanden en verhalen’ heeft. Hermsen heeft de neiging om van alles wat ze met uiterste zorgvuldigheid ontdekt en beschrijft bijna religieuze begrippen te maken. Zoals in het geval van de ‘nataliteit’, de geboorte van een nieuw begin, van Hannah Arendt, de ‘tussentijd’ van Kairos, van de Hoop van Ernst Bloch en van de ‘innerlijke zelf’ van Lou Andreas-Salomé. Melancholie van de onrust wil ook een ‘waarschuwing’ zijn. Wanneer al het negatieve in de samenleving zich ophoopt zou dat wel eens kunnen leiden tot een ‘algehele morele depressie’ zoals in de jaren dertig.
Melancholie van de onrust van Joke J. Hermsen is uitgegeven door de Stichting Maand van de filosofie.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.