Het blokje kaas, de geranium, de yoghurtuitdruiper. Sommige voorwerpen roepen tegelijk vertedering en beschaming op. Net als Nederland, een objectief zelfportret in 51 voorwerpen, dat deze typisch Hollandse zaken belicht.

Het boek dat voor Wim Brands en Jeroen van Kan als inspiratie heeft gediend voor Nederland, een objectief zelfportret in 51 voorwerpen, Greil Marcus’ en Werner Sollors’ A New Literary History of America uit 2009, is een totaal ander boek. Het is alleen al 1095 pagina’s dik en bevat twee honderd bijdragen over films, schrijvers, boeken, gebeurtenissen, dichters, politici, musici, uitvindingen, woorden, comics, rampen en filmsterren die gezichtsbepalend zijn geweest voor Amerika. Echt een boek voor Joost Zwagerman, aan wie ik het ook cadeau heb gedaan. Maar wel een grabbelton, vandaar dat ‘New’. En waarom ‘literary’ terwijl het overduidelijk een boek is over allerlei culturele verschijnselen? Omdat, zei Marcus indertijd tegen The New York Times, ‘A New Cultural history’ intellectueel een ‘te softe’ indruk zou maken. Dat gevaar liep hij niet met ‘literary’.

‘Nederland, een objectief zelfportret in 51 voorwerpen’ (Uitgeverij Balans) en ‘A New Literary History of America’ (Harvard University Press)

Er moet zich in het hoofd van Brands en Van Kan een alchimistisch proces hebben voltrokken dat het boek van Marcus met stukken over films, uitvindingen en populaire cultuur veranderde in een boek dat als basis voorwerpen zou hebben. Dat is heel wat anders. Het gevaar van nationale voorwerpen is dat ze zo gewoon, oudbakken of huisbakken zijn dat er niets opwindends over te schrijven valt, zoals in Nederland al gauw het geval is met de klomp, de tuinkabouter of de sjoelbak. Om het niet al te huisbakken te maken hebben Brands en Van Kan er nadrukkelijk wat tijdgeest-voorwerpen aan toegevoegd, zoals de xct-pil, de bierfiets en het festivalbandje. Dat doet mij denken aan Nouvelle Mythologies, het boek dat Jerôme Garcin, de literair redacteur van de Nouvel Observateur, in 2007 samenstelde ter gelegenheid van de vijftigste verjaardag van Mythologieën van Roland Barthes, dat oorspronkelijk in 1957 verscheen. Veel meer dan Roland Barthes richtte Garcin zich op tijdgeestvoorwerpen of tijdgeestverschijnselen, zoals botox, Google, Nespresso, de GPS, de sushi, gratis kranten, de blog, de bobos: typische zaken die bij een jaar of tien geleden horen.

Spionnetje, uit ‘Nederland, een objectief zelfportret in 51 voorwerpen’.

Bij een derde categorie in het Zelfportret gaat het om voorwerpen die je cultureel representatief voor Nederland zou kunnen noemen. Ze staan voor een eigenschap of een gewoonte. Zoals de meegenomen boterham in een plastic zakje die onmiskenbaar voor zuinigheid, maar ook voor no nonsense staat. Of de fietspaddestoel waaraan te zien is dat in Nederland alles geregeld moet worden – verdwalen mag niet. Of de spaarzegel die soelaas moet bieden in grote financiële nood. En de koektrommel, het spionnetje, de Solex (waar ik zelf over schreef voor dit boek), de kaasschaaf en de kruimeldief, die allemaal in de richting wijzen van zuinigheid, voorzichtigheid en kleinburgerlijke nieuwsgierigheid. Zulke voorwerpen helpen niet om Nederland aantrekkelijk te maken.

Het interessants zijn de voorwerpen waar overduidelijk een psychologische en culturele wereld achter zit, dus meer dan een slappe Hollandse koektrommel-gewoonte, hoe aardig Maartje Wortel daar ook over schrijft. Ik bedoel meer in de geest van Roland Barthes die in zijn Mythologieën de biefstuk, de Citroën DS en de Guide bleu beschreef als sociaal-culturele fenomenen. Thomas Verbogt doet dit in het Zelfportret voor de wereld achter de geitenwollen sok: ‘Een persoon met geitenwollen sokken aan kent vele zekerheden.’ Vele zekerheden leiden tot een gebrek aan humor en ‘een typisch Nederlandse bedomptheid.’ En tot iemand die we een geitenwollensok noemen. Daar zit van alles aan vast, van vegetarisme tot het niet eten van wit brood. En tot verschrikkelijke woordspelingen als ‘consuminderen’.

Koektrommel. Uit ‘Nederland, een objectief zelfportret in 51 voorwerpen’.

Een goed evenwicht tussen het persoonlijke, historische en de sociaal-culturele betekenis van het voorwerp weet Maarten Asscher te bereiken in zijn verhandeling over de sigaar en, specifieker: de bolknak. Er zijn alleen al linkse en rechtse sigaren. De keuze van de rookwaar stond gelijk aan zelfonthulling: ‘De typische bolknakroker was een kwadratuur van de Nederlandse burgerman, maar zelf zag hij zich simpelweg als een tevreden mens.’ Gecompliceerder ligt het met de rollator die door Lex ter Braak wordt behandeld. Daar klampt iedereen zich aan vast als het zijn tijd is, maar dat gaat wel gepaard met een ongewenste knak in het zelfbeeld: ‘Mooi of sexy is de rollator in het geheel niet’. Er zijn meer voorwerpen die tegelijk dit soort vertedering en beschaming oproepen. Zoals de mattenklopper, het draaiorgel, het blokje kaas, de tuinkabouter, de geranium en de yoghurtuitdruiper. Ze bestaan kennelijk noodzakelijk, maar ze hadden er beter niet kunnen zijn. Het boek zelf is ook een bron voor ambivalente gevoelens: geïntrigeerd door wat je leest in deze Hollandse cultureel antropologische spiegel voel je tegelijk sterk de aandrang om te vluchten naar kosmopolitischer einders.

Nederland, een objectief zelfportret in 51 voorwerpen

Wim Brands en Jeroen van Kan, Balans, 320 p., €19.95.