Door de vele vluchtelingen zou je kunnen denken dat de hele wereld op hol is geslagen. Maar dat betekent niet dat we moeten doen alsof de aardbol volledig uit nomaden bestaat, zoals Denker des Vaderlands Marli Huijer in haar nieuwe boek stelt.
Boven Achterblijven. Een nieuwe filosofie voor een grenzeloze wereld, het nieuwe boek van de Denker des Vaderlands Marli Huijer, blijft tot de laatste pagina de vraag hangen of het wel een serieus maatschappelijk en filosofisch probleem is. Natuurlijk zijn de achterblijvende familieleden van de hedendaagse vluchtelingen een schrijnend probleem, dat is evident, en natuurlijk kan achterblijven een psychologisch probleem zijn als het gaat om dierbaren die in een ander land gaan wonen, al wordt dat probleem door de hedendaagse transport- en communicatiemiddelen aanzienlijk verzacht. Wat Huijer ‘de klassieke achterblijver’ noemt bestaat niet meer, daarvoor is de wereld te dichtbij geworden (behalve als je arm bent). Dus heeft Huijer het over de hedendaagse beweeglijke mens die maar over de aardbol vliegt alsof het niets is. De mens die door sommige sociologen graag als de nieuwe ‘nomade’ beschouwd, net als door Huijer.
Maar er zitten toch nog steeds meer mensen thuis dan in de lucht. Dat worden door Huijer nu de ‘nieuwe onbeweeglijken’ genoemd. Dat is tamelijk tendentieus, want die zijn door de bank genomen helemaal niet onbeweeglijk. Het zijn bij wijze van spreken allemaal Xavier de Maistres, de schrijver van Voyage autour de ma chambre (1795). Vervang die kamer door de stad, het land waar je woont en het hoofd dat je met je meedraagt, en je hebt ongeveer de habitat van iemand die niet emigreert. Die kan daar alle dagen van de week zoet mee zijn. Het is grote onzin om mensen die niet zijn gaan emigreren ineens onbeweeglijken te noemen, om ze daarna, zoals Huijer doet, pontificaal in ere te herstellen en ze als redders te beschouwen van het door de emigranten achtergelaten land.
Huijer mag nog zo vaak Hannah Arendt citeren, er is helemaal geen probleem met de wereld die emigranten achter zich laten.
Huijer weet het fenomeen ‘achterblijven’ soms wel aardig aan te kleden door het over Penelope te hebben, de vrouw van Odysseus die twintig jaar op hem zit te wachten; over Gerald Hughes, de geëmigreerde broer die door de dichter Ted Hughes werd gemist, en over Rutger Kopland die de leegte in huis voelt nu zijn dochters uit huis zijn. En over Sartre die het niet-zijn bij het zijn vond behoren. Maar Huijer heeft het over de achterblijver als een uitstervende soort. Die zou ervoor zorgen dat alles op de thuisbasis in stand blijft voor de terugkeer van de emigranten (terwijl die zelden terugkomen, behalve voor een familiebezoek).

Huijer suggereert dat de hele wereld op drift is en dat de achterblijvers de redders van cultuur en samenleving zijn. Ze zet de wereld op zijn kop. Ze doet alsof de nomaden en de emigranten nu de norm zijn en de hele wereld aan de wandel is: ‘Zonder blijvers en achterblijvers zou de wereld er heel anders uitzien.’ Het hele idee van de ‘achterblijvers’ is fictief. Mensen die niet emigreren worden door Huijer als iets bijzonders beschouwd, terwijl zij nog steeds de norm zijn. We zouden van Huijer meer waardering moeten hebben voor de achterblijvers omdat ze voor de lokale cultuur zorgdragen: voor ‘de lokale economie, het gebruik van lokale producten en de kracht van de lokale gemeenschappen.’ Het gaat ver om dit een ‘nieuwe filosofie voor een grenzeloze wereld’ te noemen.
Huijer mag nog zo vaak Hannah Arendt citeren, er is helemaal geen probleem met de wereld die emigranten achter zich laten: daar wordt gewoon doorgeleefd en er wordt tamelijk goed gezorgd voor alles waar mensen die niet zijn vertrokken mee te maken hebben. Die houden de wereld waarin ze leven gewoon in stand. Door Huijer worden ze ineens als helden beschouwd: ‘In dat behoud van voorwerpen, spullen, bouwsels en kunstwerken ligt een van de grootste waarden van achterblijvers: zij voorzien in een stabiliteit, duurzaamheid en continuïteit zonder welke de achterblijvende wereld met haar geschiedenis, verhalen, tradities en cultuur verloren zou gaan.’
Het bedrieglijke aan Achterblijven is dat Huijer door haar soepele manier van schrijven en kennis van de literatuur de suggestie weet te wekken dat ‘achterblijven’ meer is dan een eventueel psychologisch probleem is. Ze zuigt voor haar filosofie veel uit haar duim. Ze doet alsof de emigrant al de nieuwe mens is. Maar de mensen wonen niet voor de helft van de tijd in een ander land, zoals ze suggereert.

Huijer moet gegrepen zijn door het idee van de liquid society, de vloeibare samenleving, zoals die als een mogelijke dreiging is beschreven door de socioloog Zygmunt Bauman. Dat idee is met haar op de loop gegaan. Zij heeft maar alvast haar ‘achterblijvers’ bedacht die daar kennelijk een soort dam tegen moeten vormen. Maar die vloeibaarheid van de samenleving wordt sterk overdreven. De meeste mensen hebben een thuisbasis nodig, een bedding van waaruit ze van tijd tot tijd kunnen uitvliegen en weer naar terug kunnen keren. Om haar filosofie op te kunnen tuigen doet Huijer alsof iedereen al deel is van de nomadische jet set.
Achterblijven. Een filosofie voor een grenzeloze wereld van Marli Huijer is uitgegeven door Boom.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.