‘Elke dag polijst de mens aan zijn persoonlijkheid en vaardigheden tot hij het punt heeft bereikt dat zijn deugden en talenten tot in de perfectie zijn geslepen. Sommigen bereiken die perfectie nooit, altijd ontbreekt het hun aan iets, anderen doen er lang over.’ Dit schrijft Baltasar Gracián in het jaar 1647 in zijn Handorakel en de kunst van de voorzichtigheid, een verzameling van 299 scherpzinnige en licht cynische adviezen en suggesties voor een zelfbewuste, onsentimentele manier van leven.

Het ontwikkelen van een ‘persoonlijkheid’ klinkt misschien hopeloos ouderwets en ‘polijsten’ is misschien ook niet iets dat in deze ruwe tijden voor de hand ligt, maar in hedendaagse termen gaat het Gracián om wat we nu ons ego noemen, ons ik of het zelf. Dat zou nooit af zijn, maar zich permanent in ontwikkeling bevinden. Er wordt aan gewerkt zodat het beter bestand zal zijn tegen de voetangels en obstakels in het leven. Zorgen voor een weerbaar ik, dat er een even luchtig...