Emeritus hoogleraar psychologie Joop Hueting ontvangt in zijn appartement in de Noord-Hollandse kustplaats Castricum. Hij is vijfentachtig en een paar jaar geleden getroffen door epileptische aanvallen, waardoor hij alleen nog maar schuifelend vooruitkomt. In de hoek van de woonkamer ligt een grote stapel kranten en boeken, kriskras door elkaar. Met rode pen zijn woorden en zinnen onderstreept. ‘Joop doet niets liever dan onderstrepen,’ zegt zijn vrouw Ditha Hueting-Philips. Hueting is dan wel niet meer de knappe, welbespraakte dertiger die eind jaren zestig Nederland op zijn kop zette toen hij in de Volkskrant en een maand later bij VARA’s Achter het Nieuws het stilzwijgen doorbrak over Nederlandse oorlogsmisdaden in Indonesië – kampongs die werden doorzeefd, verhoren waarbij werd gemarteld, krijgsgevangenen die in koelen bloede werden vermoord – maar hij heeft nog steeds dezelfde fonkelende ogen en is nog immer scherp in zijn observaties.
Nieuwe getuigen oorlogsmisdaden Indië
Afgelopen zomer speelde de ‘Indonesische kwestie’ opnieuw op. De Volkskrant publiceerde op de voorpagina foto’s van geëxecuteerde Indonesiërs. Die foto’s waren gevonden in een vuilcontainer in Enschede. Het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH), het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV-KNAW) en het Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies (NIOD-KNAW) riepen op tot een groots opgezet onderzoek naar de oorlogsmisdaden die door Nederlandse militairen tussen 1945 en 1950 zijn gepleegd. Het demissionaire kabinet wees dat voorstel in augustus af. De instituten hebben hun hoop nu gevestigd op de komende regering, zeker omdat de PvdA hun plannen steunt.
Hueting is blij met de hernieuwde aandacht voor het Indische verleden (‘Mooi dat ik dit aan het einde van mijn leven mag meemaken’), maar hij vreest dat een onderzoek naar wat er in het veld gebeurde niet veel zal opleveren. ‘In de archieven zullen ze niks vinden, die moordpartijen werden gewoon niet gerapporteerd. De mensen die je het echte verhaal kunnen vertellen, zijn bijna allemaal dood. Ik behoor tot de laatste der Mohikanen.’
Een krakend geluid
Hueting was soldaat eerste klas, zat bij het vijfde bataljon Regiment Stoottroepen, en werkte voor de inlichtingendienst. Hij stond in december 1948 in de voorste linies tijdens de aanval op Jogjakarta, waar de republikeinse regering van Soekarno zetelde, en was daarvoor gestationeerd op Oost-Java. In al die jaren is Hueting de enige veteraan geweest die het heeft aangedurfd onder eigen naam in de krant en op televisie te verklaren dat er oorlogsmisdaden werden gepleegd en dat hij daar zelf aan mee had gedaan.
Al in de jaren vijftig had Hueting Het Parool en de Nieuw Rotterdamse Courant benaderd, maar de redacties wezen zijn verhalen af. Zelfs het rebelse studentenblad Propria Cures schrok terug voor publicatie. Hij sprak tijdens het televisie-interview in 1969 onder meer over de slechte behandeling van een gevangengenomen Indonesiër door medestrijders uit zijn eenheid. ‘Dat was eerst slaan en trappen, toen was het schoppen en toen hield-ie nog steeds zijn mond. Toen werd het nog harder slaan, zodat er wat bloed tevoorschijn kwam.’
Maar de Indonesiër brak niet. Hij werd opgehangen aan een touw, met zijn hoofd naar beneden. Het touw werd keer op keer gevierd, zodat de man met zijn hoofd op de betonnen vloer sloeg, harder en harder, totdat ‘overal het bloed uit sloeg en er een beetje een krakend geluid uit het hoofd kwam’. Hueting – ‘ik was toen nog niet zo’n harde jongen’ – kon het niet langer aanzien en liep weg, zo vertelde hij in 1969.
Zijn getuigenis sloeg in als een bom. De mythe dat ‘onze jongens in de Oost’ zich immer heldhaftig en vredelievend hadden gedragen, lag aan scherven. Oud-veteranen reageerden woedend, blijkt ook uit brieven die Hueting heeft bewaard. ‘Jij smerige lafbek,’ schreef oud-onderofficier J. Muller van het Koninklijk Nederlands Indisch Leger, drager van het bronzen kruis. ‘Ben je nu voldaan, is de last van je schouders gehaald, kan je nu ruimer ademhalen? Heb je over dit alles wel nagedacht? Zeker niet, want je bent nu toch al doktor in de piesologie (sic), dan hoef je niet meer te denken. Zo zie je, je begint als een stumpert, je eindigt als een stumpert. Ik hoop dat je in je verdere loopbaan net zo gekraakt wordt als je je gesneuvelde kameraden nu gekraakt hebt.’ Een anonieme briefschrijver schreef: ‘Wurgen zullen we je smeerlap, rooie landverrader, wurgen zullen we je.’
‘Mensen die Hueting bekritiseerden hebben nooit patrouilles gelopen, wisten niets af van wat zich precies afspeelde in de buitengebieden.’
Hueting moet glimlachen als de brieven hem worden voorgelezen. ‘Die man was door het dolle heen.’ Zijn vrouw Ditha: ‘We kregen niet alleen post maar ook ongelofelijk veel dreigtelefoontjes, dat ding bleef maar rinkelen. Een anonieme beller beweerde zelfs dat veteranen aan de overkant van de straat klaar lagen met een mitrailleur. Iedereen wist waar we woonden, we hadden politiebewaking, er reed een surveillanceauto door de buurt in die dagen. Als we zaten te eten met de kinderen deden we voor de zekerheid de gordijnen dicht.’
Foto:s: privéarchief Joop Hueting
Bloed uit de slagaders
Tot op de dag van vandaag is er nooit een medeveteraan opgestaan die bereid is geweest de verhalen van Hueting te bevestigen. Hij stond er alleen voor. Tot nu toe. In Groesbeek woont de vierentachtigjarige Thé van de Locht die ook bij de derde compagnie van het vijfde bataljon Stoottroepen diende. En die bevestigt, drieënveertig jaar na de roemruchte televisie-uitzending, voor de eerste keer on the record de verhalen van de emeritus hoogleraar. ‘Hueting heeft altijd gelijk gehad, er waren misstanden,’ zegt Van de Locht in de woonkamer van zijn seniorenwoning in Groesbeek. ‘Mensen die hem bekritiseerden hebben nooit patrouilles gelopen, wisten niets af van wat zich precies afspeelde in de buitengebieden.’
Waarom is Van de Locht Hueting destijds nooit publiekelijk bijgevallen? ‘Ik hield in die jaren mijn mond, ik was bang dat er hier veteranen voor de deur zouden staan als ik wel iets zou zeggen. Pas later ben ik stukje bij beetje mijn herinneringen gaan opschrijven. Dat is voor mij een enorme opluchting geweest.’
Bij Van de Locht kwamen de gebeurtenissen die hij meemaakte in Indonesië steeds weer terug. Hij sliep moeilijk, kreeg hulp en ontvangt tegenwoordig een militair invaliditeitspensioen. Zijn herinneringen zijn gebundeld in De Kist, een in eigen beheer uitgegeven boek dat Van de Locht verspreidde onder familie en vrienden. In De Kist staan foto’s en verhalen over een jongen die Market Garden meemaakt (de Amerikanen landden zo’n beetje in zijn achtertuin), na de oorlog naar Nederlands-Indië wordt gestuurd en daar in een keiharde guerrillaoorlog belandt.
Van de Locht beschrijft een hele reeks nooit eerder opgetekende oorlogsmisdaden, waaronder een gruwelijke moordpartij op 28 februari 1949 in een kampong waar zijn eenheid een rustpauze hield. Twee militairen gingen rondkijken in het dorp. Na verloop van tijd begreep Van de Locht dat er in een gebouwtje ‘wat mannen werden ondervraagd’.
Samen met een andere soldaat ging Van de Locht zelf een kijkje nemen. ‘Juist als we het gebouw binnengaan, wordt er hevig geschoten,’ schrijft hij in zijn boek. Bij binnenkomst zag hij van achter een korporaal en een soldaat zes mannen liggen, die door hun borst en hoofd waren geschoten. Hij zag hoe het bloed uit de slagaders spoot. ‘De meeste mannen hielden hun armen afwerend omhoog. Er klonk veel gerochel en gekreun.’ Zij die nog wel leefden, probeerden zich te beschermen met afwerende gebaren. Na de moordpartij keerden de luitenant en de soldaat zich om en liepen naar buiten. Een van hen zei volgens Van de Locht: ‘Laten we hier maar gauw weg zijn.’
Van de Locht en Hueting zaten weliswaar bij dezelfde compagnie, maar Hueting kan zich de Groesbekenaar niet herinneren. Van de Locht herinnert zich Hueting wél. ‘Ik zag hem een keer ’s nachts voorbijkomen met een zestal gevangengenomen Indonesische strijders. Hij zat bij de inlichtingendienst, ik was een verkenner bij de Stoottroepen.’ Hueting: ‘We opereerden bij verschillende eenheden dus hebben andere dingen meegemaakt. Maar Van de Lochts ervaringen komen overeen met die van mij. Het beeld in het veld was eigenlijk overal hetzelfde.’
Geen soesa
Thé van de Locht mag dan de eerste veteraan uit het vijfde bataljon Regiment Stoottroepen zijn die Hueting openlijk bijvalt, maar al na zijn eerste interview in de Volkskrant in december 1968 ontving deze ook een brief van oud-veteraan Ben Verschuuren uit Moergestel, die net als Hueting en Van de Locht diende bij de derde compagnie van het vijfde bataljon.
Ondervragers beukten tijdens verhoren met de kolf van hun geweer op mensen in, waarna de commanderende officier vroeg ‘het wat rustiger aan te doen’.
‘Ik onderschrijf volkomen dat er nodeloos werd gemoord in Indonesië,’ schreef Verschuuren in de brief die Hueting in zijn privé-archief bewaart. In juni 1969 voegde hij bij een volgende brief een ‘rapport van door mij geconstateerde misdragingen van Nederlandse militairen en politie tijdens mijn verblijf in Indonesië’. Hierin beschrijft Verschuuren gedetailleerd een reeks incidenten waarvan hij ooggetuige was. In februari 1948 zag hij hoe gevangenen door Nederlanders werden geslagen in de hulpgevangenis Lajang op Zuid-Celebes. ‘Een en ander gebeurde met veel plezier, het was kennelijk een soort ontspanning.’
Na het begin van de tweede politionele actie in december 1948 regen de incidenten zich blijkens Verschuurens aantekeningen aaneen. Er waren soldaten die wild in het rond schoten. Of eentje die zomaar een man neerschoot met als argument ‘dan had hij maar niet weg moeten lopen’. Ondervragers beukten tijdens verhoren met de kolf van hun geweer op mensen in, waarna de commanderende officier vroeg ‘het wat rustiger aan te doen’.
En dan waren er ook de plunderingen: ‘Ik heb nog nooit gezien dat er op zo’n grote schaal werd gebietst als hier,’ aldus Verschuuren. ‘Krissen, zilverwerk, schilderijen en kledingstukken.’ Ook werd er op de terugweg van een grote actie ten zuiden van Jogjakarta op 19 januari 1949 een passerende boer zonder reden doodgeschoten. Enige reactie van de leidinggevende officier: ‘Laat dat luitenant.’
Het commentaar van Verschuuren: ‘Er was geen enkele reden denkbaar voor deze moord. Het was gewoon zoals iemand anders gedachteloos een blaadje van de boom plukt. Enige jongens maakten bezwaar, maar de korporaal lachte stupide en gaf verder geen verklaring.’ En zo gaat het maar door. Het vuur werd geopend op vluchtende burgers die hun kant op kwamen lopen (‘Of er doden of gewonden waren weten we niet want we trokken verder’), een Indonesische strijder werd geëxecuteerd zonder dat er rapport van werd opgemaakt (‘een commandant zou de executie hebben voltrokken’). Op 21 februari 1949 zag Verschuuren hoe een korporaal ‘een oudere Javaan’ zonder reden onder de kin sloeg. ‘Om te kijken of hij iemand met een slag knock-out kon slaan.’
Tijdens zijn verblijf in Indonesië maakte Verschuuren niet alleen aantekeningen maar ook foto’s. ‘Jammer genoeg had ik een beroerd toestel en had ik toen niet het benul om die dingen te fotograferen die belangrijk waren.’ Na terugkeer in Nederland verwerkte Verschuuren zijn oorlogservaringen in een nooit gepubliceerde roman getiteld ‘Soldaat sadja’. Hij bood het aan bij zes uitgevers, maar Indonesië stond niet meer in de belangstelling bij het grote publiek.
Verschuuren leeft nog, maar is niet meer aanspreekbaar. Het manuscript van zijn boek is niet meer te vinden, laat zijn echtgenote telefonisch weten. Ben Verschuuren onderschreef in zijn brieven aan Hueting volledig diens visie, maar viel hem net als Thé van de Locht nooit in het openbaar bij. Verschuuren had een gezin en een bedrijf, hij wilde geen ‘soesa van geïrriteerde officieren’. Van het schrijven van ‘een kritisch boek’ over Indonesië (naast zijn niet uitgegeven roman) zag hij dan ook af.

Een bevrijdende belevenis
Een andere veteraan die in 1969 Huetings weergave van de feiten volledig onderschreef, is de nu zesentachtigjarige Herman Burgers. Hij werkte jarenlang voor het ministerie van Buitenlandse Zaken. Lange tijd was hij hoofd van het bureau ontwapening en internationale vredesvraagstukken. Hij speelde een belangrijke rol bij de totstandkoming van het Antifolteringsverdrag van de Verenigde Naties begin jaren tachtig.
In 2010 verscheen van hem het standaardwerk De garoeda en de ooievaar, over de dekolonisatie van Indonesië. Burgers kan zich nog goed herinneren dat hij in 1969 naar Achter het Nieuws keek. ‘Toen Hueting op televisie was, moest ik de kamer uitlopen, het was te gruwelijk om aan te horen,’ zegt Burgers terugkijkend. ‘Maar ik was ook opgetogen. Ik dacht: eindelijk komt er beweging in de zaak.’
Twee dagen na de uitzending stuurde Burgers een brief aan Hueting. ‘Het is voor mij een bevrijdende belevenis om te zien dat u met dezelfde instelling over dezelfde zaak gepreoccupeerd bent als ik,’ schreef hij. ‘Het verschil is, dat u er wat aan gedaan heeft en ik niet.’
Burgers was van 1948 tot 1950 werkzaam als kantoormedewerker bij de krijgsraad in Batavia. Daar zag hij dat oorlogsmisdaden níét werden vervolgd, op een enkele uitzondering na. ‘En dat terwijl door kantoorpersoneel van de krijgsraad volop werd gesproken over wantoestanden zoals de wreedheden die tijdens verhoren werden toegepast.’
Toen Hueting zijn verhaal deed, vond Burgers dat hij bijval moest krijgen. Hij dacht aan een vroegere BuZa-collega, de Nijmeegse hoogleraar Govaert van den Berg, die als dienstplichtig militair werkzaam was geweest bij de inlichtingendienst op West-Sumatra. ‘Volgens mij moet hij in staat zijn uw voorstelling van zaken te bevestigen,’ schreef Burgers aan Hueting. ‘Hij is geen bangerd en zeer actief; ik hoop dat hij over deze zaak in actie zal willen komen.’
In zijn brief aan Van den Bergh doet Burgers een dringend beroep naar buiten te treden. ‘De interviews met Hueting vormen de eerste en vermoedelijk ook de laatste kans de waarheid aan het licht te brengen,’ aldus Burgers. ‘Als er nu niet meer dan een paar reacties op komen en de zaak daarna verzandt, zullen alle toekomstige onthullingen (if any) met een schouderophalen worden afgedaan. De enige kans is nu dat het optreden van Hueting tot een kettingreactie leidt, dat er enkelen, daarna tientallen en daarna misschien honderden gaan praten. Hoe meer er durven spreken, hoe meer remmen om te spreken zullen wegvallen.’
Drie dagen later kwam er een afhoudende brief van Van den Bergh. Waren er echt wel op zulke grote schaal oorlogsmisdaden gepleegd? Kwam Hueting niet expres nu pas naar voren, omdat oorlogsmisdaden waren verjaard? En veel feiten waren toch al lang bekend? Van den Bergh zag weinig heil in ‘opzienbarende publiciteitsstunts’, zeker omdat kopstukken als oud-premier Willem Drees, oud-premier Louis Beel en hoge militairen volgens de hoogleraar nooit in staat van beschuldiging zouden worden gesteld.
Volgens hem zouden ‘goedbedoelende mensen’ die in de openbaarheid traden ‘min of meer tussen de molenstenen van publiciteit, massahysterie en al dan niet gemeende morele verontwaardiging worden vermalen’. Daarna zou het land overgaan tot de orde van de dag, de politici hun winst uittellen en de journalisten – al dan niet met betuiging van leedwezen aan de vermalen slachtoffers – op zoek gaan naar ‘het zoveelste succesvolle item om het hooggeëerd publiek mee bezig te houden’. Van den Bergh had er kortom geen zin in zich ‘te exponeren’.
Herman Burgers was diep teleurgesteld over de cynische houding van zijn vriend en oud-collega. ‘Hij maakte zich er te gemakkelijk van af, vond ik,’ zegt Burgers terugkijkend. ‘We hebben elkaar daarna nooit meer gezien.’
Een goed mens
Maar Van den Bergh kreeg wél gelijk. De zaak-Hueting liep op niets uit. De honden blaften en de karavaan trok verder. Naar aanleiding van Huetings optreden besloot de toenmalige regering-De Jong tot een onderzoek dat resulteerde in de Excessen-nota. Hueting werd voor dit onderzoek in april 1969 geïnterviewd door het hoofd van de commissie, E. Korthals Altes, raadsheer van de Hoge Raad en vader van VVD-coryfee Frits Korthals Altes. Dat gesprek herinnert Hueting zich nog goed. ‘Het was in een voornaam pand aan Het Plein in Den Haag. Ik stelde me heel bescheiden op. De heer Korthals Altes was een belangrijk man en wie was ik? Hij moedigde me aan, toe maar, zei hij, vertel me wat je weet.’
Hueting was een uitzondering, de commissie die het onderzoek deed, richtte zich verder op archiefonderzoek, zocht in uitspraken van de Krijgsraad, patrouillerapporten en andere documenten naar aanwijzingen voor oorlogsmisdaden. In totaal kwamen de onderzoekers tot 114 zaken. De incidenten die Hueting in de openbaarheid had gebracht, werden niet in het rapport vermeld omdat ze nergens waren vastgelegd. Toenmalig premier Piet de Jong betreurde het dat ‘zich excessen hebben voorgedaan’ maar vond tegelijkertijd dat ‘de krijgsmacht zich als geheel correct heeft gedragen’ en dat van ‘systematische wreedheid’ geen sprake was geweest.
‘Ik was er al bang voor dat dit zou gebeuren,’ schreef medeveteraan Ben Verschuuren na publicatie van de nota. ‘Dat zij (de autoriteiten, HEB) zich zouden verschuilen achter officiële rapporten, terwijl de ergste misdaden plaatsvonden ergens in het voorterrein.’
Een andere medestander van Hueting, veteraan van het Koninklijk Nederlands Indisch Leger en overlevende van de jappenkampen Math Jalhaij was ervan overtuigd dat een breder opgezet onderzoek de Nederlandse regering niet goed uitkwam. Immers, de verhoudingen met de voormalige kolonie moesten goed blijven en veel Indië-veteranen zaten nog op sleutelposities op het ministerie van Defensie.
‘Laffer dan laf vind ik het dat zij die ons toen het bevel gaven zich thans schuilhouden,’ schreef Jalhaij aan Hueting. ‘Als mijn ex-commandant morgen voor de televisie zegt: ik heb opdracht gegeven om een paar mensen te laten doodschieten, dan zal ik de eerste zijn die zijn oude pet uit de schuur haalt en opzet, mijn medailles zal omhangen, naar hem toe zal gaan en zal zeggen: “Overste u bent een moordenaar, maar toch vind ik u een flinke vent.” Maar goed, zulke sprookjes bestaan niet.’
Jalhaij, die zijn hele werkzame leven bij de politie werkte, overleed in 2003 op eenentachtigjarige leeftijd. Hueting moet glimlachen als hij de zinnen opnieuw leest. ‘De heer Jalhaij was een goed mens. De enige oud-militair in die jaren die me openlijk bijviel, brieven naar kranten schreef, mee ging naar bijeenkomsten. Een Indische jongen, heel moedig.’
Op 1, 2 en 3 juli 1969 behandelde de Tweede Kamer de Excessen-nota. Een parlementaire enquête, waartoe toenmalig PvdA-leider Joop den Uyl opriep, kreeg geen meerderheid. Hueting, de inmiddels overleden Achter het Nieuws-presentator Herman Wigbold, Herman Burgers en zijn vrouw zaten tot ver na middernacht op de inmiddels geheel verlaten publieke tribune. Hueting was ontgoocheld. ‘Op die avond is de kans verkeken goed en diepgravend onderzoek te doen. Alle betrokken leefden toen nog.’






Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.