Botheid mag in deze tijd tot een levensstijl zijn uitgegroeid, in de zestiende eeuw betekende het heel iets anders, schrijft René van Stipriaan in zijn boek Lof der botheid.

Lompe directheid, beter bekend als botheid, is niet iets dat aanmoediging verdient. Van de varianten die zich desondanks voordoen zijn die van Johan Derksen en Donald Trump om snel te vergeten. Ik geef de voorkeur aan Maarten van Rossem. Zijn oneliners zijn meestal voorzien van een steekhoudende toelichting, of je kunt die erachter vermoeden. Hij komt het dichtst bij de oorspronkelijke betekenis van botheid: ongepolijste eenvoud. Er niet omheen draaien, geen pirouettes, maar een snedige en kernachtige samenvatting van het veronderstelde betoog. In de zestiende eeuw, schrijft René van Stipriaan in Lof der botheid, was botheid nog geen uiting van gebrek aan beschaving, maar een bepaalde sobere mentaliteit die je in de zeventiende eeuw terug zag bij Michiel de Ruyter en later in de Mariakaakjes die Willem Drees offreerde aan bezoekende staatshoofden.

De zestiende-eeuwse Hollandse botheid verliest in de bloeiende zeventiende eeuw zijn naïviteit.Het is jammer dat Lof der botheid niet helemaal over dit onderwerp gaat. Er is maar één essay dat expliciet handelt over ‘de waarheid zeggen als nationale hebbelijkheid.’ De rest moet je zoeken in aangenaam erudiete essays die kunnen gaan over het Wilhelmus, Johan van Oldenbarnevelt, de oorlogen die Willem van Oranje voerde, P.C. Hooft als minnaar en historicus, de rijken in de Gouden Eeuw en het flirten van Constantijn Huygens. Van Stipriaan is een neerlandicus die de zeventiende-eeuwse literatuur ziet als een sociaal document, en dan in het bijzonder toneelstukken zoals Bredero’s Spaanschen Brabander of Vondels Palamedes. Aan de hand daarvan schrijft hij fragmentarische mentaliteitsgeschiedenis.

Seneca en Maarten van Rossem (foto: Jos van Zetten). Beeld: Wikimedia Commons

De zestiende-eeuwse Hollandse botheid verliest in de bloeiende zeventiende eeuw zijn naïviteit. De snel ontstane weelde maakte rond 1600 dat van de waarheid theater werd gemaakt (‘all the world is a stage’). Verhullen, vermommen, misleiden, veinzen en toneelspelen werd nodig om met de kameleontische en onbetrouwbare wereld vol listen en dubbelzinnigheden om te kunnen gaan. Rembrandt schilderde zichzelf als Paulus of als bedelaar, Willem van Oranje zei dat ‘wie niet weet te veinzen, niet weet te regeren.’ Breda werd in 1598 ingenomen met de theatrale list van het Turfschip. Tegelijk ageerden de calvinisten tegen het ‘toneelvermaak’ en tegen het aanrichten van grootse feestelijke maaltijden.

De zeventiende eeuw had volgens Van Stipriaan een drankprobleem. De burgemeester van Amsterdam Nicolaas Tulp bedacht de ‘weeldewetten’ die de overdaad moesten terugdringen. De Hollandse botheid maakte plaats voor de ‘welllevendheidscultuur’ zoals die ontstond op de bijeenkomsten van de Muiderkring. P.C. Hooft werd ‘een van de meest verfijnde en wufte dichters van de Nederlandse literatuur.’

Die wellevendheidscultuur werd in de kringen van Hooft gevoed door het stoïcisme van Seneca. Het werd bekend door het onaanzienlijk ogende boekje De constantia van Justus Lipsius. De ‘standvastigheid onder alle omstandigheden’ die daarin wordt bepleit hield in dat men zich niet moest laten meeslepen door zijn driften: niet door woede, niet door jaloezie of geldzucht. Zelfs niet door lichamelijke begeerte. Men moest zijn eigen veranderlijke en wispelturige geest leren kennen.

Hooft had veel profijt van deze filosofie. Hij wist hoe de hartstochten de loop der dingen konden bepalen. Dat was ook wat de geschiedenis hem leerde. Hij bezondigde zich niet aan enigerlei botheid, genoot van het leven met grandeur en levenslust, maar werd volgens Van Stipriaan ‘een van de hardst zwoegende auteurs uit de Nederlandse literatuur.’ In de geest van Tacitus wist hij de duurzame discipline op te brengen om van 1628 tot zijn dood in 1647 de Nederlandse Historiën te schrijven, in zesentwintig delen. Daarin werd stelling genomen tegen botte tirannen en geestdrijvers, maar een democraat was Hooft niet. Bij de massa kregen de driften veel te snel de overhand.

Van Stipriaan heeft het over de zeventiende eeuw en de regenteske families die de dienst uitmaakten in Amsterdam, maar je denkt voortdurend aan onze eigen tijd als je leest dat de Bicker-broers (van wie gezegd werd dat ze de wereld onderling verdeeld hadden) prat gingen op hun eenvoud en zelfs botheid: rijkdom, macht en eenvoud gingen moeiteloos samen. Zij werden representanten van de ‘Amsterdamse branie’: ‘een mengeling van lompe directheid en theater.’ Van Stipriaan laat zien dat nog altijd een stil gevecht aan de gang is tussen de aanhangers van de ongepolijste eenvoud en degenen die vinden dat maskerade en toneelspelen in deze onbetrouwbare wereld onvermijdelijk is.

Lof der botheid. Hoe de Hollanders hun naïviteit verloren door René van Stipriaan is uitgegeven door Querido.