Ze zijn tachtig, of bijna tachtig. Reden voor een driegesprek, zoals Vrij Nederland dat drie keer eerder heeft gedaan – de eerste keer toen het drietal vijftig werd. Harry Mulisch, Henk Hofland en Jan Blokker over de vraag wie en wat er nog belangrijk is, wat ze lezen, waar ze bang voor zijn – en natuurlijk over oorlog en de dood. ‘Gaan jullie nog wel eens naar een pornofeestje?’

Henk Hofland, Harry Mulisch, Jan Blokker. In die volgorde betreden de heren de lobby van het Amsterdamse Hotel de l’Europe. De oudste als laatste. Jan Blokker werd in mei tachtig, zijn twee kompanen volgen in juli. Reden om hen uit te nodigen voor een driegesprek, zoals Vrij Nederland dat drie keer eerder heeft gedaan, de eerste keer toen het drietal vijf­tig werd. Inmiddels is het hun vriendschap die de halve eeuw heeft gepasseerd.

Ze ontmoetten elkaar eind jaren veertig, begin jaren vijftig. Mu­lisch en Blokker als jonge schrijvers – ze begonnen ooit aan een gezamenlijke roman. Blok­ker en Hofland als collega’s op de redactie van het Algemeen Han­dels­blad. En Hofland en Mulisch in kunstenaarssociëteit De Kring. Eén schrijver, twee journalisten – al vestigde juist Mulisch, de schrijver, een journalistieke norm met De Zaak 40/61, zijn verslag vanuit Jeruzalem van het proces tegen Adolf Eichmann, en al schrijven de andere twee nu de boeken: recent verschenen van Hofland de roman Cice­ro Consultants en van Blokker (geschreven samen met zijn zoons) Er was eens een God.

De ‘congenialiteit’ bleef, een geestverwantschap die er voor zorgt dat het gesprek tussen hen drieën steeds voortgaat. Gedurende de middag en de avond die we samen doorbrachten, ging het over de vraag wie en wat er nog belangrijk is, wat ze lezen, waar ze bang voor zijn (nergens voor) – en natuurlijk over oorlog en de dood.

Advertentie

Advertentie

Wat is uw meest intense herinnering sinds het vorige gesprek, in 2002?

Mulisch: ‘De moord op Theo van Gogh.’

Hofland: ‘Tenminste, dat was het meest intense moment van de Nederlandse geschiedenis van nu.’

Blokker, die Van Gogh kende door zijn werk voor het Filmfonds: ‘Theo kon een etterbak zijn, maar voor mij was hij een schat, een ontzettend aardige, warme, hartelijke jongen. Bij Fortuyn voelde ik niets. Was het een minder erge ramp geweest als die niet was doodgeschoten, de verkiezingen had gewonnen en Ferry Hoogendijk zijn vice-premier was geworden?’

Hofland: ‘In plaats daarvan hebben we de viervoudige ramp van Balkenende gekregen.’

Mulisch: ‘We hébben het na vijf jaar nog wel over Fortuyn. Denk eens terug aan die begrafenis. Die witte auto. Die rouwende massa. Hij heeft dus wel een zenuw geraakt. Wat is dat dan voor zenuw?’

Blokker: ‘Die waarvan we altijd denken dat Nederlanders hem niet hebben. Namelijk een aanleg voor waanzinnige hysterie.’

Hofland: ‘Wij hebben een capaciteit tot razernij waar de rest van de wereld nog jaloers op kan zijn.

Blokker: ‘Die arme Huizinga zat er helemaal naast met zijn beroemde redevoering Nederlands Geestesmerk. Hij heeft dat idee over Nederlanders erin gewreven waar we nog steeds niet van af zijn: tolerant, nuchter, burgerlijk en onheroïsch…’

Hofland: ‘Geen spráke van…’

Blokker: ‘Was die Huizinga nou gek? Of zat-ie in een ivoren toren in Leiden en had hij het niet in de gaten? Maar er ontbrak in zijn tijd een aantal voorwaarden. Als je in een park liep, stond er om de tien meter een bord “Laat niet als dank voor het aangenaam verpozen de eigenaar van dit park de schillen en de dozen”. Er was nog een soort rare orde in dit land.’

Mulisch: ‘Iedereen had een ingebouwde politieagent.’

Blokker: ‘Precies.’

Mulisch: ‘En die is ontsnapt.’

Hofland: ‘In Nederland komt er nooit revolutie, want hier mag je niet op het gras lopen, zei Marx ooit. Onze generatie heeft een zeer verse herinnering aan die ingebouwde agent.’

Heeft uw generatie niet juist meegewerkt aan zijn verdwijning?

Hofland: ‘Nee, er waren allerlei onzinnige dingen en taboes in de jaren vijftig, wij hebben tegenspraak geleverd aan de notabele politiek die tot dan toe geen tegenspraak duldde. We hebben veel verzet gepleegd, godzijdank wel.’

Mulisch: ‘We hebben zitten woelen en doen.’

Hofland: ‘Het is alleen ’n beetje uit de hand gelopen. Zoals met die softdrugs. Je had wiet, die eerst kif heette, toen kreeg je caféachtige ruimtes en dat werden coffeeshops. Dat soort veranderingen hebben ervoor gezorgd dat die ingebouwde agent op de loop is gegaan.’

Jan Blokker noteert de aanduiding ‘ingebouwde politieagent’ op een velletje briefpapier van het hotel. Vanaf een schilderij aan de muur ziet een dame toe. Vijftien jaar geleden was ze getuige van een eerdere editie van dit driegesprek; de drie heren lijken net zo min als zij een spat veranderd. Aan de andere kant van het vertrek bieden ramen een uitzicht op de Amstel en de Munt. Een stretched Hummer rijdt voorbij.

Hofland: ‘Zie je die sekscinema, dat soort middenstandsexhibitionisme vind je in geen enkel ander land.’

Mulisch: ‘Je kunt je voorstellen dat die moslims zich hier rotschrikken.’

Hofland: ‘Als je hier naar buiten loopt, struikel je over de sufgeblowde Italianen, Britten en Fransen. Dat bepaalt ons gezicht in het buitenland.’

Blokker: ‘Of nu weer: dat comazuipen. Fantastisch woord trouwens. Maar het zouden mijn kleinkinderen kunnen zijn, of bijna mijn achterkleinkinderen.’

Hofland, tegen Mulisch en Blokker: ‘Gaan jullie nog wel eens naar een pornofeestje?’

Met de moord op Van Gogh verloor Blokker een vriend. Hoe was dat voor Hofland en Mulisch?

Hofland: ‘Ik heb Theo heel goed gekend, hij heeft vergeefs geprobeerd mijn boek De alibicentrale te verfilmen. Het was een buitengewoon aardige man en een ongeleid projectiel. Als we elkaar zagen, was het altijd bijzonder gezellig, tenminste, totdat ik Fortuyn een kwibus ging noemen. Toen was het uit met de vriendschap.’

Blokker: ‘Toen Van Gogh voor het eerst bij mij aankwam met zijn “goddelijke kale” zei ik: Theo, lazer toch op met je onzin. Dat is gewoon een heel enge, vervelende man. Als dat een goddelijke kale is, dan weet ik er nog wel een paar.’

Mulisch: ‘Ik heb Van Gogh één keer meegemaakt: heel aardig was hij, complimenteus. Maar dan de grappen die hij maakte, zoals wat ruikt het hier naar caramel – ja, ze verbranden de suikerzieke joden. Die vreemdelingenfobie. Leg me die tegenspraak eens uit!’

Blokker: ‘Theo had een dodelijke angst voor één en straks twee miljoen moslims. Hij was bang: zo meteen hebben ze heel Amsterdam. En aan het hoofd van die stad staat een gek genaamd Cohen die kopjes thee drinkt met de imam. Terwijl de oorlog op uitbreken staat! Intellectueel gesproken had Theo kinderlijke neigingen, Fortuyn was voor hem de Redder. Hij was erg gefocust op zijn zoon, maakte zich grote zorgen over de wereld waar die in terecht zou komen. Hij dacht: de wereld waarin mijn kind opgroeit, daarin kan hij straks niet meer ademen.’

Kan Mulisch zich daar iets bij voorstellen? Zijn zoon Menzo van vijftien is ongeveer even oud als Lieuwe van Gogh.

Mulisch: ‘Bij mij gaat het niet zozeer via een kind. Alsof ik die islamisering een minder groot probleem had gevonden als ik géén kind had gehad.’

Blokker: ‘Theo reageerde recht uit de onderbuik. Zijn kind, dat was een geschenkje dat hij liefst voortdurend zo dicht mogelijk bij zich had. Heel basaal.’

Blokker maakte met zíjn zonen, de een leraar en de ander journalist, een aantal populair-historische boeken. Hoe bijzonder is die samenwerking?

Hofland: ‘Dat is zo’n krankzinnig geluk van zelfbevestiging.’

Mulisch: ‘En dan te bedenken dat je er een probleem mee had dat je een kind kreeg.’

Blokker: ‘Ik móést trouwen.’

Mulisch: ‘Ik heb nog gevraagd: waarom laat je het niet wegmaken? Je had echt de verkeerde vrienden, toen.’

Blokker: ‘En nu schrijf ik boeken samen met mijn zoons. Het is ontzettend leuk om te doen, maar, Henk: heb jij nou het gevoel dat je de vader bent van je zoon Edmond?’

Hofland: ‘Nee. Hij is een van mijn beste vrienden.’

Blokker: ‘Ik ken dat vadergevoel ook niet. Ik vind: je bent aardig of je bent niet aardig. Ik deel met mijn kinderen een basisgevoel van “familie” maar dat houdt niet in: slecht of goed, het is mijn bloed. Mijn waardering heeft te maken met wie ik aardig vind. Er is een verwantschap waardoor Bas en ik goed konden samenwerken, maar we zijn vooral op een open en ambachtelijke manier met elkaar en met dat boek omgegaan.’

Mulisch: ‘Mijn zoon en ik hebben ook niet de klassieke vader en zoon-relatie zoals je ze wel in televisiereclames ziet. Ik zie hem dagelijks, maar niet bij het ontbijt. Ik ben de groot­vader van mijn zoon.’

Hofland: ‘Jij hebt op zijn lot het stempel van jouw schrijverschap gezet: filius Goethe. Je kunt één bof hebben: dat je niet de zoon van een bekende vader bent.’

Blokker: ‘Haat jouw zoon jou al?’

Mulisch: ‘Ach, dat Oedipuscomplex. Is dat niet iets uit de oude doos?’

Het gesprek komt, na Van Gogh, op de anderen in Nederland die menen de noodklok te moeten luiden over de macht van de moslims. Hofland complimenteert Blokker met de kritiek die hij in zijn stukjes levert op Afshin Ellian, een van de luidruchtigste stemmen uit dat kamp.

Blokker: ‘Het rare is, de hetze tegen de moslims wordt aangevoerd door drie mensen van islamitische afkomst. Ephimenco, die schreeuwlelijk uit Trouw, Afshin Ellian, en voor ze vertrok, Ayaan.’

Mulisch: ‘Dat pleit dan vóór de stelling van Ephimenco en Ellian dat moslims gevaarlijk zijn. Zelfs ex-moslims zijn gevaarlijk.’

Wat moeten we denken van Ehsan Jami, met zijn comité voor ex-moslims?

Mulisch: ‘Allochtoon, dat ben ik zelf ook: mijn beide ouders zijn in het buitenland geboren. Wat het zo rottig maakt, is god. Daarom vind ik die Iraniër heel goed, met zijn club van afvalligen. En laat die groezelige Terstall zich er niet mee bemoeien.’

Blokker: ‘Ik sta steeds op het punt om erover schrijven, maar dan denk ik: die Eddy Terstall, dat is toch echt helemaal niks. Wat móét ik met zo’n man.’

Mulisch: ‘Wat is zijn bedoeling? Heeft hij een verborgen agenda?’

Blokker: ‘Het is een humorloze jongen die medemenselijke filmpjes maakt van dubieuze kwaliteit, en die zich opwerpt als prominent PvdA-lid. Vreemd idee trouwens, dat je als je van je geloof valt een comité opricht voor medeafvalligen.’

Mulisch heeft een fraaie website, maar janblokker.nl brengt ons bij een heel ándere familie Blokker. En hofland.nl is eigendom van een beveiligingsfirma. Bent u wel een beetje van de nieuwe media?

Blokker: ‘Nee, in die zin ben ik niet van het internet.’

Hofland: ‘Ik wil helemaal niets over mijzelf horen of lezen, in oude noch in nieuwe media.’

Mulisch: ‘Als ik “Harry Mulisch” intik, krijg ik honderdduizenden hits. Ik heb wel eens gekeken, uit nieuwsgierigheid. Hoeveel hits ik krijg en hoeveel Hermans krijgt. Dat soort kinderachtigheden.’

Hofland: ‘En Reve?’

Mulisch: ‘Ook, ja.’

Leest u nog wel eens een boek, of is het vooral kranten en televisie?

Hofland: ‘Ik lees wel, maar vooral uit belang. Ik ga nu dat boek van Bernstein over Hillary lezen. Maar romans, nee.’

Mulisch: ‘We zijn schrijvers, geen lezers. Je vraagt toch ook niet aan een lezer of hij nog wel eens een roman schrijft? Ik lees net zomin romans als lezers er een schrijven.’

We nemen aan dat u ‘Lucifer’ van Connie Palmen wel hebt opengeslagen.

Mulisch: ‘Ja, omdat het over mij gaat. Natuurlijk! Dat verslind ik!’

Hofland: ‘Streepjes in de kantlijn.’

Blokker: ‘Rood potlood bedoel je! Ik lees een enkele keer een roman en Lucifer is de laatste die ik gelezen heb. Waarschijnlijk ook een beetje aangeraakt door het relletje. Maar ik houd absoluut niet van de schrijfsels van Connie Palmen en dit boek was daar bepaald geen uitzondering op.’

Wat vond u ervan dat zij met zoveel woorden in het boek zelf benadrukte dat het over Peter Schat ging?

Blokker: ‘De discussie daarover heb ik steeds tamelijke onzin gevonden. Ze schrijft een roman, zoals ze ook een roman over Ischa Meijer heeft geschreven. Een gênant boek was dat, in meerdere opzichten. Maar of dat nou met de werkelijkheid te maken heeft, kan me echt niets schelen. Als iemand het over twintig à dertig jaar leest…’

Buiten begint het hevig te onweren.

Mulisch: ‘Ischa slaat terug!’

Hofland: ‘Arme Ischa.’

Blokker: ‘…en de lezer weet niets van Peter Schat, laat staan van Harry…’

Mulisch: ‘Dat geldt nu al in Duitsland, Engeland en de rest van de wereld, waar Lucifer in vertaling uitkomt. Die lezers weten het ook niet.’

Blokker: ‘Daarom had ik graag een literaire kritiek op dat boek willen lezen. De raarste reactie op het boek waren die stukjes van Stephan Sanders in Vrij Nederland.’

Sanders, die Peter Schat goed heeft gekend, was door Connie Palmen geïnterviewd voor haar boek. Hij vindt dat de verwijzing naar de werkelijkheid uit het boek had gemoeten.

Blokker: ‘Zelfs die kleine paragraaf waarin ze naar de werkelijkheid verwijst, had een bekwame criticus vanuit literair oogpunt voor me mogen recenseren.’

Iedereen weet dat ‘De ontdekking van de hemel’ gebaseerd is op Mulisch’ vriendschap met Hein Donner. Maar dat staat niet in het boek.

Mulisch: ‘Nee, zoiets zeg je in een interview. Dat tekstje van Palmen is een tegenspraak in zichzelf, maar er zit vast een gedachte achter. Want Connie is niet dom, alles wat wij hier nu bedenken heeft zij ook bedacht. Ik heb het boek zelf natuurlijk niet als roman kunnen lezen. En ik weet nog wel een paar dingen over Peter Schat die er níet in staan. Daarom vind ik het moeilijk om erover te praten.’

Schaker Hein Donner en componist Peter Schat maakten deel uit van de Herenclub, waarin schrijvers, politici en kunstenaars zich verzamelen om Harry Mulisch. Hofland is ook lid, maar komt nooit meer. Aan Blok­ker is zo’n gezelschap niet besteed. Mulisch heeft hem weleens uitgenodigd, maar kwam tot de conclusie: ‘Jan Blokker kent de vriendschap zoals ik die kan koesteren niet.’

Blokker: ‘Ik ben inderdaad geen sociaal type. Ik heb meer zoiets van fuck off.’

Mulisch: ‘Heb je vrienden?’

Blokker: ‘Weinig. Fons Rademakers was een vriend, maar die is er niet meer. En wat wij drieën hebben gaat, vind ik, veel vérder dan vriendschap. Ook als we elkaar niet zien, zelfs als we ruzie hebben, blijft er toch sprake van een zekere congenialiteit, van geestverwantschap.’

Hofland: ‘Harry en ik hebben nooit ruzie. Wel verschil van mening. Ik was het er bijvoorbeeld niet mee eens dat die club bij Le Garage ging eten…’

Blokker: ‘Ja, dat aanschurken tegen de penose van jullie…’

Hofland: ‘Maar we hebben het goedgemaakt.’

Blokker: ‘We komen nooit meer van elkaar af.’

Uw leeftijdsgenoot Günter Grass heeft in zijn autobiografie ‘De rokken van de ui’ verklaard dat hij lid was van de Waffen-SS. In Nederland verscheen vorig jaar het boekje van Dick Verkijk, waarin stond dat Mulisch lid zou zijn geweest van Jeugd­storm, de jeugdorganisatie van de NSB.

Mulisch: ‘Er is wel een verschil. Het eerste is waar, en opgeschreven door Grass zelf. Het andere is niet waar, en het verhaal van een gefrustreerde gek.’

Blokker: ‘Opgestookt bovendien door die rare uitgeverij Aspekt, daar hebben ze niets beters te doen dan allerlei complottheorieën uitdenken.’

Mulisch: ‘Het is dat mijn joodse moeder niet meer leeft. Als die gehoord had van de beschuldiging dat ik bij de Jeugdstorm zou hebben gezeten, dan was ze gestorven van het lachen. Kijk, als ik bij de Jeugdstorm had gezeten als zoon van een joodse moeder en een Duitse vader, dan had ik daar toch allang een prachtige roman over geschreven?’

Was u verbaasd over die late bekentenis van Grass?

Mulisch: ‘Ik vond het wel heel eigenaardig dat hij pas in 1946 begreep hoe erg het nationaal-socialisme was, bij het proces tegen Baldur von Schirach, leider van de Hitlerjugend. Wij hadden in 1945 toch echt al die foto’s gezien van bulldozers die lijken in kuilen schoven in de concentratiekampen.’

Blokker: ‘Grass was net als wij 17, 18 in de oorlog, hij kwam niet uit een raar achterstandsmilieu. Het is dus heel onwaarschijnlijk dat hij geen signalen heeft opgevangen dat er om hem heen iets totaal verkeerds aan de gang was.’

Mulisch: ‘Hij zegt dat hij geen vragen stelde bij wat er om hem heen gebeurde. Maar je hoefde helemaal geen vragen te stellen. Ik heb ook geen vragen gesteld, maar je wíst het. Niet van die gaskamers. Niet dat ze met de trein aankwamen en twee uur later allemaal dood waren. Dat had niemand kunnen bedenken.’

Blokker: ‘Uit wat er in Mein Kampf stond en wat er door de Hitlerjugend en op school werd verkondigd, was duidelijk dat het met de joden misging. Dat van de treinen en gaskamers was er misschien niet rechtstreeks uit af te leiden. Maar dat ze definitief weg moesten, dat stond als een paal boven water.’

In Die Zeit stond een dubbelinterview met Grass en Martin Walser (ook 1927), die er nu van wordt beschuldigd dat hij lid was van de NSDAP. Daarin trok Grass van leer tegen de ‘Beschuldigungslust’ in de Duitse media. Walser haalde ook uit naar die ‘cultuur van verdachtmaking’.

Blokker: ‘Ik vind het zwak om zoiets uit de mond van Grass te horen. Zo verwonderlijk is die reactie niet, als media zoiets na zestig jaar opeens horen. Denk eens aan Adriaan Venema, over Beschuldigungslust gesproken. Iedereen die toevallig ooit eens een versje in een verkeerd tijdschrift had geschreven: húp. Fout!’

Hofland: ‘Jaha. Niet in orde, die Venema.’

Mulisch: ‘Ik mocht hem wel. Een heel eenzame man, die razend jaloers was op jongens zoals ik, die de Tweede Wereldoorlog hadden meegemaakt.’

Blokker: ‘Hij had vooral dolgraag fóut willen zijn in de oorlog, denk je niet?’

Grass vond zichzelf op zijn zestigste nog te jong voor een autobiografie, tegen de tachtig was volgens hem precies goed. Hofland is, in Torpedo, onlangs begonnen aan zijn memoires. Hoe zit dat met Mulisch en Blokker?

Blokker: ‘Ik heb wel contact gehad met Mai Spij­kers van Prometheus over een klein boekje, uit het familiearchief, een beetje zoals historicus Ernst Kossmann het gedaan heeft. Niet echt autobiografie, ook niet echt memoires. Naarmate je ouder wordt, is zoiets steeds leuker, als je erover nadenkt ben je eigenlijk twee keer zo oud als tachtig. Ik heb de verhalen van mijn grootvader gehoord over de Eerste Wereldoorlog. Sta via hem met één been in de Boerenoorlog. Mijn grootvader is geboren in 1860, hij heeft Thor­bec­ke nog meegemaakt. Dus zo oud ben ik feitelijk ook.’

Mulisch: ‘Mijn leven beschrijven, dat moeten anderen maar doen.’

Blokker: ‘Krijgen jullie ook steeds frequenter het verzoek van het ANP om even je biografie bij te werken? Alvast voor de necrologie, natuurlijk.’

Hofland: ‘ANP, krijg de kolere.’

Blokker: ‘Mijn vrouw Anneke kijkt er wel eens in en ontdekt dan fouten. Ik denk: wat kan het je schélen. Niet op reageren, dat soort dingen.’

Mulisch: ‘Precies. Het doet me denken aan toen Klinkenberg een boek over Bernhard geschreven had. Met beschuldigingen over een SS-lidmaatschap en weet ik wat. Bernhard vertelde mij – dus het is waar – (imiteert een Duits accent): “Ik heb de minister-president gebeld, en gevraagd: heeft u dat boek van Klin­ken­berg gelezen? Van Agt zei nee. Nu, als dat alles waar is, wat in dat boek staat, moet u mij morgen laten fusilleren. Toen zei Dries: laat ik dat maar niet doen, koninklijke hoogheid, want dan gaat iederéén dat boek lezen.”’

Hofland: ‘Die Dries. Ik moet zeggen, ik vind het een áárdige man.’

Blokker: ‘Nee zeg, er zijn grenzen. Echt vreselijk. Die man is een verzinsel van zichzelf.’

Hofland: ‘De laatste keer dat ik Van Agt sprak hadden we het over de Palestijnen, hij is daar geweest, heeft een uitgesproken en gefundeerde mening.’

Blokker: ‘Pleit het niet ontzettend tegen Van Agt dat hij dat soort dingen pas nu allemaal vindt en uitroept?’

Mulisch: ‘Terwijl hij indertijd als premier iets had kunnen doen.’

Hofland: ‘Van Agt zei niet voor niets over zichzelf: ik ben een traag reptiel. Nu had onze Maxime Verhagen trouwens de kans om met een Hamas-vertegenwoordiger te praten. Waarom heeft hij het niet gedaan? De diplomatie moet terugkeren in de buitenlandse politiek. Maar dat zit er niet in met Maxime. Hoe lang is het trouwens geleden, Harry, dat jij de Nederlandse regering het schoothondje van de Amerikanen noemde?’

Mulisch: ‘Bericht van de rattenkoning, 1966.’

Hofland: ‘Jij was heel blij toen Saddam werd aangevallen. Ik kwam je tegen en je zei: hahah, het is gebeurd!’

Mulisch: ‘Ik was fel pro-VS in de Tweede Wereldoorlog. Ik was fel anti tijdens Vietnam. En nu ben ik weer wat meer pro.’

U was vóór de invasie in Irak?

Hofland: ‘Jawel! Harry, jij was vóór de invasie in Irak.’

Mulisch: ‘Het was een nieuw terrein, Saddam was een moordenaar. De rest is wijsheid achteraf.’

Blokker: ‘Op 19 maart 2003 werd ik geopereerd en ik wist dat er een paar dingen gingen gebeuren terwijl ik onder narcose was. Er was een champions league-wedstrijd van Ajax, er was iets met de koningin en Margarita en er was de grote vraag: gaat het nu wel of niet beginnen. Het was het eerste wat ik vroeg toen ik bijkwam in de verkoeverkamer: zijn die stomme Amerikanen nog aan die oorlog begonnen?’

Hofland: ‘Je zag al vroeg aankomen dat Rumsfeld en Condi, Maximes vriendin, druk bezig waren het potje gaar te koken.’

Blokker: ‘Hebben jullie ook nog het beeld voor ogen van die brave schat die de veiligheidsraad zo evident zat voor te liegen?’

Hofland: ‘Allicht. Powells lezing met lichtbeelden. Ik heb me vooral in Blair vergist. Ik dacht, Blair loopt met de kudde mee in de hoop dat hij de koers kan wijzigen. Al gauw bleek dat hij een nog grotere domoor was dan Bush. Ik zou hem graag willen vragen: heb je dat nou allemaal zelf geloofd, man. Als je nou weet dat het zo’n catastrofe gaat worden waar mensen je voor gewaarschuwd hebben.’

Mulisch: ‘Hitler had ook de Sovjet-Unie niet aangevallen als hij de uitkomst had geweten. Maar niemand durfde iets tegen Hitler te zeggen, dat was met Bush anders.’

Hofland: ‘Veel mensen die nu kritiek op hem hebben, riepen halleluja toen hij Irak binnenviel.’

Blokker: ‘Die mensen zijn er nog steeds. Ik lees eens in de zoveel weken de column van Arie Elshout.’

Hofland: ‘Elke keer weer een waar genot.’

Blokker: ‘Ze zijn zelfs in toon helemaal zoals die pro-Vietnamstukken indertijd in Het Parool. Er had zo Herman Sandberg onder kunnen staan.’

Er is nu een initiatief voor een parlementair onderzoek. Openheid over Irak. Bent u daar voor?

Hofland: ‘Natuurlijk wil ik een parlementair onderzoek.’

Blokker: ‘Het moet er komen, een meerderheid is er vóór, maar er is langs democratische weg besloten om het niet te houden.’

Mulisch: ‘Als eenvoudige burger en stemmer zeg ik: het is gebeurd. Stel, je weet hóe het is gebeurd. So what?’

Hofland en Blokker in koor: ‘Kom op, Harry, dat kun je toch niet menen!’

Blokker: ‘Het is de taak van een parlement maar ook van een historicus om te weten hoe beslissingen tot stand zijn gekomen.’

Mulisch gaat naar de Biennale in Vene­tië, Hofland schreef over zijn liefde voor Rembrandt maar ook over de met diamanten bezette schedel van Damien Hirst, de duurste levende kunstenaar. U noemde hem meer een ‘vondstenaar’ dan kunstenaar. Wat is het verschil?

Hofland: ‘Die Hirst kan nog geen plankje aan een muur timmeren. Diamanten op een schedel plakken, ja. Velpon. Bison Kit. En een bloemetje d’rop, léuk! In het Brooklyn Museum zag ik ooit de haai van Hirst op sterk water. Er stond ook nog een kunstwerk dat me zeer tegen Hirst innam: de insectocutor, een koeienkop met vliegen en een elektrisch draadje, als de vliegen daarop gingen zitten, werden ze geëlektrocuteerd. Je mag geen levend wezen offeren ten behoeve van je kunst. Dat vind ik gratuit.’

Mulisch: ‘Eens. Handen af van de dieren. Mijn teckel beschouw ik als intelligenter dan een hele hoop mensen. Ik heb dan ook Partij voor de Dieren gestemd.’

Blokker: ‘Toen wist je nog niet dat ze voor Allah en God en alles tegelijk waren.’

Hofland: ‘De enige vergissing die ik in mijn leven ooit gemaakt heb – en tevens het enige waarover ik het met Harry eens ben – is dat ik geen vegetariër ben geworden.’

Blokker: ‘Ik begin me ontheemd te voelen, de een heeft op de PvdD gestemd en de ander houdt van Van Agt. Daar zit ik mee aan tafel.’

Joop van Tijn vroeg u ooit of u zich Nederlander voelde. Het antwoord was ontkennend. Mogen wij aannemen dat u ja heeft gezegd tegen de Europese grondwet?

Blokker: ‘Ik wel. Om andere redenen vind ik het wel ontzettend leuk dat het misging met die kanenbraaiers in Den Haag. Die Brink­horst, dat vind jij zeker ook een aardige man, Henk? Verschrikkelijk. Wat zei hij ook alweer? Er zou oorlog uitbreken, het gas ging uit, het licht op rantsoen. Dus ik vond: it serves them right. Schadenfreude en niets anders.’

Voelt u zich Europeaan?

Mulisch: ‘Ik voel me vooral Amsterdammer. Geen Nederlander, want dat is ook Spijkenisse en Emmeloord.’

Blokker: ‘In dit land voel je je Haarlemmer of Drent.’

Mulisch: ‘Jij bent ook een echte Amsterdammer.’

Blokker: ‘Toegegeven, als ik iets ben, ben ik een Amsterdammer.’

Hofland: ‘Begin jaren vijftig had je Garry Davis, die verscheurde zijn papieren en had een eigengemaakt paspoort waarop ‘wereldburger nr. 1’ stond. Met foto. Maar als hij een grens over wilde, zei de douane overal: wereldburger? Nooit van gehoord. Hij kampeerde bij grenzen. Eindelijk bereikte hij Parijs, daar kreeg hij bijval van Jean-Paul en Simone. Dik in orde.’

Mulisch: ‘En toen? Dwindled away.’

Hofland: ‘Een groot man.’

De afgelopen vijf jaar brachten niet slechts prijzen en onderscheidingen – alledrie zijn ze inmiddels eredoctor. Jan Blokker onderging een zware operatie wegens longkanker. Een van de gevolgen is dat hij zijn vertrouwde Caballero’s niet meer kan roken – tot troost heeft hij bedacht dat lang niet al die sigaretten hem ook werkelijk hebben gesmaakt.

Blokker: ‘Hoeveel vind je er nou écht lekker, Henk?’

Hofland: ‘Ik rook er precies vijfentwintig per dag en ik vind ze allemáál lekker.’

Mulisch: ‘Ik rookte een à twee pakjes Camel en Lexington per dag. Op een gegeven moment ging ik me, terwijl ik zat te roken, voorstellen dat ik in een kamer zat die iedere twintig seconden werd volgespoten met rook. En dan weer leeggezogen. Ik werd gek van dat idee, en ben meteen gestopt met roken.’

Hofland: ‘Ik zou mijn autobiografie in sigarettenmerken kunnen schrijven. Te beginnen met de Consi-sigaret (Churchill Overwint Na Sicilië Italië) en de Belgische matrassen-shag.’

Mulisch: ‘Roken is nu iets van de onderklasse geworden.’

Blokker: ‘Dezelfde mensen die zich zo weerzinwekkend toetakelen.’

Hofland: ‘Types met een gepiercete kut.’

Mulisch: ‘De getatoeëerde onderklasse is volgevreten. De elite is slank.’

Ter gelegenheid van Mulisch’ verjaardag verschijnen deze zomer bij wijze van eerbewijs novellen van zes schrijvers, onder wie Marcel Möring en A.F.Th. van der Heijden, geïnspireerd op het werk van de meester. Op 15 september is er een feest voor hem in de Amsterdamse Stadsschouwburg. Blokker bracht zijn tachtigste verjaardag in alle rust door in zijn buitenhuis. Hofland hoopt tegen zijn tachtigste in het Chelsea Hotel te bivakkeren, zijn vaste verblijfplaats in New York. Tijd om even stil te staan bij degenen die de tachtig niet gehaald hebben. Van Jean-Paul Sartre tot Gert-Jan Dröge. Bart Tromp. En W.F. Hermans natuurlijk.

Mulisch: ‘Gerard Reve wel, maar vraag niet hoe, zeg.’

Hofland: ‘Wij tweeën moeten het nog maar afwachten, maar Jan, jij bént al tachtig.’

Blokker: ‘Godzijdank was ik op mijn verjaardag in Frankrijk. Bovendien was de bliksem de avond tevoren in mijn laptop geslagen. Ik was een aantal dagen helemaal offline. Goed geregeld.’

Hofland: ‘Ik ben absoluut niet blij dat ik tachtig word. En ik heb er ook alles aan gedaan om het niet te hoeven worden.’

Blokker: ‘Oud worden is dat je bij Ivo Niehe aanschuift en een applausje krijgt vanwege het feit dat je nog leeft. Het is de statistieken een loer draaien.’

Hofland: ‘Hoe oud we zijn, daar staan we niet bij stil. We tikken. We doen waar we zin in hebben. En op een gegeven moment komt Magere Hein.’

Mulisch: ‘Da kommt das Schicksal – roh und kalt.’

Alledrie hebben ze al jong uitgerekend hoe oud ze moesten worden om het jaar tweeduizend te halen.

Hofland: ‘Nu maakt het me niet meer uit hoe oud ik word.’

Blokker: ‘Houden jullie het bij, wie er niet meer zijn?’

Hofland: ‘Ja, ik houd een lijstje bij. Ik doe er niks mee, hoor. Bewaren.’

Karel van het Reve missen ze het meest. Zijn toon en scherpte ontbreken bij de essayisten en columnisten van nu. Be­halve misschien bij buitenlandse grootheden Tho­mas Friedman en Maureen Dowd en mede-tachtigers J.A.A. van Doorn en Jérôme Hel­dring. Daar komen Sanders, Heij­ne en Zwagerman niet bij in de buurt, is de conclusie.

Blokker: ‘Zwagerman is tegenwoordig de sidekick van alles en iedereen. Ik werp hem af en toe een onderwerp voor een column toe.’

Hofland: ‘Bert Wagendorp vind ik meevallen op pagina drie van de Volkskrant. Hij had goeie columns over de doodstraf en die nierenshow. Heel to the point.’

Blokker: ‘Ik heb hem zelf als mijn opvolger aangeraden bij Pieter Broertjes.’

Het zaaltje is onveranderd, hetzelfde schilderij hangt nog waar het hing, de drie heren zitten er weer. Maar Joop van Tijn, legendarisch boegbeeld van Vrij Nederland en initiator van deze traditie, is dood. In september is het tien jaar geleden dat de kanker hem velde. Hij lijkt snel te zijn vergeten, vergeleken met Ischa Meijer bijvoorbeeld.

Mulisch: ‘Je hebt zeker gradaties van dood zijn. Mijn tip: zorg ervoor dat je tijdig je Connie Palmen ontmoet.’

Hofland: ‘Hans van Mierlo mag wel oppassen.’

Blokker: ‘Waarom zouden journalisten tien jaar na hun dood eigenlijk moeten worden herinnerd?’

Hofland: ‘De laatst keer dat ik Joop zag, was drie dagen voor zijn dood. Een prachtige avond, hij had de jongens van het radioprogramma Welingelichte Kringen uitgenodigd. We zaten buiten bij Keyzer te eten en Joop vertelde dat het niet lang meer zou duren. De volgende dag belde hij me: Henkje, heb je het goed begrepen? En ik wist me geen raad, ik ben echt in tranen uitgebarsten aan de telefoon. Ik vond het een rámp.’

Blokker: ‘Ik kende Joop omdat we allebei meewerkten aan Zo is het… Altijd quasi-terzake, hoewel hij ontzettend kon ouwehoeren. Héél ad rem, heel snel in zijn reacties. Maar ook iemand die gemiddeld twee à drie keer per maand een belangrijke afspraak had en dan zijn vriendin van het moment liet bellen dat hij met een gebroken blinde darm in bed lag.’

Hoe bevalt u het vooruitzicht om binnen tien jaar te zijn vergeten?

Blokker: ‘Dat is een gedachte waarmee ik totaal geen relatie heb.’

Mulisch: ‘Als je dood bent, ben je in elk geval vergeten door jezelf. Hoe de omstanders reageren, dat zullen we nooit weten.’

Hofland: ‘Vrienden zijn eerder gestorven. Het was niet zo slecht geweest als we hadden geruild. De onzin die je overkomt in de rest van je leven. Die ewige Wiederkehr van alles, hebben jullie daar ook zo’n last van? Ik kom net terug uit Griekenland, vier weken een totaal andere omgeving en ik denk: verdomme de Amsterdamse tram en de gevels. Ze stáán er nog. Het hangt me zo de kéél uit.’

Mulisch: ‘Welnee, dat bedoelde Nietzsche niet zo.’

Blokker: ‘Ik begrijp wat Henk bedoelt. Ik had het in mijn werk, daarom heb ik ook een carrière van korte periodes. In de hoofdredactie bij de Volkskrant, bij de VPRO, en vooral bij de film. Nee, niet wéér naar Cannes. En wéér Bertina zien en Peter van Bueren en al die andere morsige treurige mannen.’

Hofland: ‘En heb je het ook met stukjes schrijven?’

Blokker: ‘Nee, absoluut niet.’

Hofland: ‘Ik ook niet. Dat is gewoon een beetje lol trappen.’

Bent u nog aan het schrijven, Harry Mulisch?

Mulisch: ‘Ik rust voornamelijk op mijn lauweren.’

Geen roman in de pen, op dit moment?

Mulisch: ‘Nee, ja god, dat wéét ik nu wel.’

Blokker: ‘Dat is jouw ewige Wiederkehr.’

Hofland: ‘Ja, dat is hetzelfde, jongen.’

Vijf jaar Blokker

2003 De afrekening. Kroniek van het lange jaar 20022003 Winnaar van de Gouden Ganzenveer van­wege zijn grote betekenis voor het geschreven en gedrukte woord in Nederland
2003 Zware operatie wegens longkanker
2004 Eredoctoraat Universiteit Groningen vanwege zijn ‘rijk en veelzijdig oeuvre (-) met een accent op zijn onafhankelijke, kritische bijdragen over de relatie tussen de sociale wetenschappen en het publiek’
2005 Het vooroudergevoel. De vaderlandse geschiedenis (samen met Jan Blokker jr. en Bas Blokker)
2005 Waar is de Tachtigjarige Oorlog gebleven? Met foto’s van Eddy Posthuma de Boer
2002-2006 Columns en recensies voor de Volkskrant
2006 Er was eens een God. Bijbelse geschiedenis (samen met Jan Blokker jr. en Bas Blokker)
2006 De Machiavelliprijs (prijs voor publieke communicatie), voor zijn hele oeuvre als dagbladcolumnist
2006 Blokker stopt met zijn column in de Volkskrant en stapt over naar NRC Next
2006-2007 Columns en boekbesprekingen in NRC Next
27 mei 2007 Jan Blokker tachtig

Vijf jaar Mulisch
2002 Het Duitse Bundesverdienstkreuz eerste klasse, omdat zijn literaire werk de banden tussen Nederland en Duitsland bevordert2004 Anekdoten rondom de dood
2006 Planetoïde 10251 draait voortaan onder de naam ‘Mulisch’ in een baan tussen Mars en Jupiter om de zon. De auteur reageerde met ‘Nu ben ik in de hemel’ en ‘Nobelprijswinnaars worden vergeten, hemellichamen niet’
2007 De ontdekking van de hemel wordt vóór onder andere de Max Havelaar in een NRC/NPS-enquête uitgeroepen tot de beste Nederlandse roman aller tijden
2007 Eredoctoraat aan Universiteit van Amsterdam
29 juli 2007 Harry Mulisch tachtig

Vijf jaar Hofland
2002 Gastschrijver aan de TU Delft. ‘Over het samenspel tussen hersenen, zintuigen en handen, het knutselen en scheppen, gereedschap en inspiratie’
2002 Openbare Vermeerlezing: Het voorgekookt bestaan
2002 Expositie ‘Plonsmachines’
2002 Op zoek naar de Pool, Het beste van H.J.A. Hofland (keuze uit zijn werk)
2005 Hoflands Mijlpalen
2007 Cicero Consultants (roman)
2002- 2007 Columns en opiniestukken voor NRC Handelsblad
2002-2007 Rubriek ‘Overpeinzingen’ onder pseudoniem S. Montag in NRC Handelsblad
2002-2007 Column in De Groene Amsterdammer
20 juli 2007 Henk Hofland tachtig