De Maatschappij der Nederlandse Letterkunde bestaat 250 jaar en blikt in vijfentwintig korte essays terug op belangwekkende boeken. Achteraf blijkt De lotgevallen van Klaasje Zevenster alsnog zeer de moeite waard.
Dat Amsterdam, Den Haag, Leiden en Rotterdam straten heeft die genoemd zijn naar Isaäc da Costa, de schrijver van het strijdschrift Bezwaren tegen den geest der eeuw (1823), moeten we maar voor lief nemen, maar dat hij ook recht zou hebben op een standbeeld, ontgaat mij. Da Costa was een conservatieve idioot. Hij zag overal ‘verkeerdheid’, ‘verdorvenheid’ en ‘afschuwelijkheid der heersende denkwijze’. ‘Temt die noodlottige vrijheid van drukpers,’ bezwoer hij zijn lezers. Door die drukpers kon je ‘kwade beginselen’ oneindig verspreiden. ‘Zaden van boosheid’ zouden zomaar in het wild kunnen opschieten. Hij verdedigde de predestinatieleer. De wereld was verdeeld in verdoemden en gelukzaligen die het heil van God deelachtig waren geworden. Hij was tegen inenten. De ziekten zouden uit zichzelf wel genezen. En als God wilde dat een kind stierf, dan moest men dat accepteren. Armen moesten maar in hun sop gaar koken, want Da Costa was tegen instellingen die de noden van de armen wilden verlichten: ‘Want zij is uit den Duivel, de Maatschappij van Weldadigheid! De armoede te willen opheffen!’
‘Tot op de dag van vandaag kreeg Da Costa geen standbeeld,’ schrijft Rick Honings in zijn bijdrage aan het jubileumnummer van het Nieuw Letterkundig Magazijn, het tijdschrift van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde die dit jaar 250 jaar bestaat. Honings beantwoordde met zijn artikel de vraag die de redactie zich ter gelegenheid van het feest had gesteld: welke belangrijke werken hebben leden van de Maatschappij sinds de oprichting in 1766 tot stand gebracht? Bezwaren tegen den geest der eeuw zou dan zo’n belangwekkend werk zijn. Ik denk eerder dat het vooral een cultuurhistorisch curiosum is, representatief voor het geloven en denken in zwarte kousen met gaten bij de grote teen.
Impact
Vragen wat de maatschappijleden aan belangwekkends hebben voortgebracht op het gebied van de verschillende genres literatuur, geschiedenis, taalkunde, lexicologie, literatuurgeschiedenis, kinderliteratuur, lijkt op de vruchtbare methode van terugkijken die werd gehanteerd in Nederlandse literatuur, een geschiedenis (1993). Dat leverde een gevarieerde ‘evenementengeschiedenis’ in 150 handzame essays op. Net als in de bijdragen voor het Nieuw Letterkundig Magazijn ging het daarin om wat je de impact van een boek of literaire gebeurtenis zou kunnen noemen. Wat heeft een boek teweeg gebracht: een nieuwe standaard, een nieuwe stroming, een hoogoplopende discussie, een cultuuromslag, een nieuw genre, een baanbrekende vernieuwing?
Aan die criteria voldoen niet alle vijfentwintig bijdragen in het Magazijn, zoals te zien aan het stuk over Da Costa. Maar de diversiteit van de stukken is groot en menig stuk vertelt iets onverwachts. Zoals over het ontstaan van de eerste Geïllustreerde Encyclopedie (1870-1882) van Winkler Prins, waarvan hij de zestien delen met behulp van de Brockhaus Enzyklopädie voor het grootste deel zelf volschreef. Over de vijftig drukken en tientallen vertalingen van Jan Wolkers’ evergreen Turks Fruit (1969), over de uitstraling van In Europa (2004) van Geert Mak, over het alternatieve volkslied Wien neêrlands bloed (1817) van Hendrik Tollens, over Karel van het Reve en zijn Huizinga-lezing over de literatuurwetenschap (door Arnon Grunberg).

Jacqueline Bels herinnert in haar stuk aan het conflict dat bijna elke neerlandicus heeft gehad met het Handboek tot de geschiedenis van de Nederlandse letterkunde van Gerard Knuvelder. Hij ging steevast uit van zijn eigen beperkte, literaire oordeel, in plaats dat hij de literatuur in de tijd situeerde met de daarbij behorende (veranderlijke) oordelen. Gekrakeel ook rond Gerrit Komrij’s bloemlezing uit de Nederlandse poëzie. De Vijftigers en andere modernistische dichters voelden zich tekort gedaan. Aan Bertus Aafjes’ lange gedicht Een voetreis naar Rome (1946) zat niet zoveel controverse, maar wel aan zijn aanval in die tijd op de Vijftigers in Elsevier. Hij had het gevoel dat de SS de poëzie was binnen gemarcheerd.

Een schandelijk boek
De lotgevallen van Klaasje Zevenster (1865) van Jacob van Lennep is voor Marita Mathijsen aanleiding om te proberen een slechte roman toch nog een groots naleven te bezorgen. In de roman van Van Lennep komt vondeling Klaasje door jaloerse manipulaties van haar stiefmoeder in een bordeel terecht en sterft ze uiteindelijk aan de tering. Van Lennep kreeg kwalificaties als ‘apologeet van de wellust’ naar zijn hoofd geslingerd. Er verschenen snijdende recensies en brochures met titels als Een schandelijk boek. Hoe fictief Klaasje ook was, ze werd een publieke figuur, alsof ze echt bestond. Er werden hervertellingen gemaakt waarin Klaasje niet dood gaat, maar trouwt met de jongen waarop ze verliefd was. Maar volgens Conrad Busken Huet was de literaire waarde van de roman ondertussen nihil, zoals Mathijsen met een treffend citaat van Huet illustreert: Klaasje Zevenster is een roman ‘met niet één welsprekende bladzijde, krielend van onwaarschijnlijkheden, krakend aan den gang gehouden door de grove mechaniek eener poppenkast intrigue, voor de eene helft gestoffeerd met monsters en duivelinnen, voor de andere helft met huisbakken engelen van beiderlei geslacht.’ Maar Mathijsen laat het hier niet bij. Ze wil de roman redden uit de klauwen van de vergetelheid door zich voor te stellen dat Maria Goos zich over Klaasje en haar lot ontfermt. Want: ‘een goed verhaal is het – Busken Huet mag piepen wat hij wil.’ Het gaat over de oerelementen van wat mensen beweegt: ‘jaloezie, angst, macht, schuldgevoel, liefde, dood, en alle negentiende-eeuwse milieus van hoog tot laag komen er in voor.’
Als iets uit dit jubileumnummer blijkt, dan is het dat literatuur van belang voor een estafette zorgt.
Gekrakeel, polemiek en creatieve reactie behoren bij elk belangwekkend boek. Het is een aanwijzing dat het iets heeft losgemaakt, in literair, stilistisch, moreel of maatschappelijk opzicht. Anton van der Lem heeft in de Grote Van Dale geteld hoe vaak een citaat uit het werk van Huizinga voor de verklaring van een woord wordt gebruikt, en speciaal uit Herfsttij der Middeleeuwen (1919): 282 keer, waarvan 214 uit Herfsttij. Dat is literaire en stilistische invloed. Dat Huizinga het in zijn boek vooral over de adellijke elite heeft, leidde ertoe dat andere historici het beeld van de Middeleeuwen wilden uitbreiden. Zij gingen de burgerlijke elite van die tijd bestuderen.
Als iets uit dit jubileumnummer blijkt, dan is het dat literatuur van belang voor een estafette zorgt. Ook oude literatuur is geen dode letter, er wordt permanent op gereageerd, op verder geborduurd, op afgegeven en op geantwoord. Zelfs die arme Klaasje Zevenster beleeft misschien wel een opstanding door Maria Goos.
De jaargangen 1983-2012 van het Nieuw Letterkundig Magazijn zijn onder het kopje ‘Publicaties’ te vinden op www.mijnedlet.nl.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.