Ter gelegenheid van de spectaculaire tentoonstelling over Jheronimus Bosch in het Noordbrabants Museum verschijnen verschilende boeken over zijn leven en werk. Een van de veelzijdigste is Jheronimus. De wegen naar hemel en hel van Gary Schwartz.
Het komt als een bevrijding wanneer Gary Schwartz in zijn boek Jheronimus. De wegen naar hemel en hel schrijft dat het helemaal niet de bedoeling is dat de vele wonderlijke wezens en bizarre taferelen op de schilderijen van Bosch altijd worden begrepen. Het was Bosch’ bedoeling om ‘te verwarren, te beangstigen en te verontrusten’, zoals iemand in de zestiende eeuw schreef, niet om de kijker te laten denken dat een grote vis in de vorm van een boot meer is dan een grote vis in de vorm van een boot. Het waren zinsbegoochelingen en monsters die Bosch, ‘de duivelsschilder’, schiep om de vrome zielen te ontregelen en aan te sporen niet tot de ondeugd te vervallen.
Bij het zien van de Verzoeking van Sint Antonius schreef Fra José de Sigüenza, de bibliothecaris van het kloosterpaleis Escorial bij Madrid, waar veel van Bosch schilderijen hingen, dat hij voor het ontregelen van de mensen beelden tevoorschijn toverde ‘van dieren, woeste geestverschijningen, monsters, laaiende vuren, van dood, geschreeuw, bedreigingen, adders, leeuwen, draken en walgelijke vogels in zo’n variatie dat men hem moet bewonderen om zijn gave, zoveel ideeën vorm te geven. En dit alles deed hij om te bewijzen dat een ziel (Sint Antonius, CP) die gesteund wordt door Gods genade en door Zijn hand wordt verheven tot een dergelijke (genadevolle) manier van leven, met geen mogelijkheid tot wankelen gebracht en van zijn doel afgeleid kan worden, zelfs al schildert de duivel voor het uiterlijke en innerlijke oog van zijn verbeelding dingen die opwekken tot lachen, tot hol plezier of boosheid of andere buitensporige passies.’
Ook al is veel op zijn schilderijen gewoon niet om te begrijpen, Bosch’ schilderijen kunnen wel op verschillende niveaus ‘gelezen’ worden. Hij maakte gebruik van verwijzingen naar de Bijbel, naar het einde der tijden, hij gaf voorbeelden van positieve (Tuin der lusten) en negatieve (Het visioen van Tondalus) aard. Ook schrok hij niet terug voor uitgesproken moralistische taferelen (De verzoeking van Sint Antonius), allegorieën en symbolen.
Het is juist de combinatie van werkelijkheid en de bizarre fantasie die voor de verwarring zorgt.
Maar zijn fantasie was zo buitengewoon dat die ook een geheel eigen leven leidde. Het is juist die combinatie van werkelijkheid en de bizarre fantasie die voor de verwarring zorgt. Sint Antonius wordt echt verleid door een naakte vrouw, maar naast hem bevindt zich tegelijk iets onzinnigs: onder een rode doek komt een bolle buik met oren te voorschijn waarin een mes is gestoken. Niemand kan dit begrijpelijk maken. Het is een grotesk wezen, en meer niet. Dat is wel anders op een schilderij als De aanbidding der koningen. Daarop biedt een van de koningen Maria een houten beeld aan van Abraham die van plan is zijn zoon Isaak te offeren. De andere koning draagt een mantel waarop hetzelfde tafereel geborduurd is. Dit zijn allebei ‘tekenen’: het schilderij staat in het teken van het ‘offeren’. De Jezus in de armen van Maria zal zelf uiteindelijk ook geofferd worden.
Bosch was wel een pessimist, maar wel een in de geest van zijn tijd. Het was vanzelfsprekend om permanent godvrezend en angstig te zijn. Je werd verondersteld de wereld als iets boosaardigs te zien dat er voortdurend op uit was je te kwellen en van ongeluk en ziekten te voorzien. Om Bosch’ wereldbeeld in zijn algemeenheid te begrijpen zou je je moeten verplaatsen in Sint Antonius. Die werd de verpersoonlijking van iemand die verleid wordt en weerstand weet te bieden. En daarmee van de menselijke angst om voor die verleiding zwichten. Antonius werd zeventien jaar lang belaagd door de duivel. Hij wist hem te weerstaan en leefde daarna nog tachtig jaar als gebedsgenezer, wonderdoener, waarzegger en profeet. Dat was voor de gewone sterveling niet weggelegd, die moest bang blijven dat de duivel van het kwaad hem te grazen zou nemen. Die sterveling was steeds maar bezig met de dood en zijn zieleheil in het Hiernamaals.

Van de reeks boeken die ter gelegenheid van de schitterende tentoonstelling in het Noord-Brabants Museum verschijnt is het boek van de Nederlandse Amerikaan Gary Schwartz zonder meer het breedst opgezet. Schwartz behandelt niet alleen alle schilderijen en tekeningen, maar geeft ook veel documentaire achtergrond: de grote wereld waarin Bosch leefde, het katholieke Europa, zijn plaats in Den Bosch, zijn verhouding tot de Bourgondiërs en Habsburgers, zijn familiegeschiedenis, zijn vrouw en schoonfamilie, zijn lidmaatschap van het Lieve Vrouwe Broederschap, zijn elitestatus (door het kapitaal van zijn vrouw Aleid van de Meervenne). Hij geeft ook een complete lijst van alle documenten die in archieven over Bosch zijn gevonden, waaruit onder meer blijkt dat Filips de Schone, de vader van Karel V, in 1504 een Laatste Oordeel bij Bosch bestelde ‘voor zijn meest nobele genoegen.’
Gary Schwartz neemt een heel ontspannen positie in als het gaat om de vraag of bepaalde schilderijen al dan niet van Bosch zelf zijn (‘eigenhandig’) of gerekend moeten worden tot zijn ‘werkplaats’. Hij neemt graag aan dat een ‘eersteklas meesterwerk’ als de Tuin der lusten helemaal van Bosch zelf is, maar heeft er alle begrip voor als De hooiwagen afkomstig is uit zijn atelier, maar dan wel geheel geschilderd op zijn aanwijzingen. Schwartz wil zich verre houden van de haarkloverijen. Soms doet Schwartz gewaagde suggesties: dat Bosch zijn figuren zo absurd, gewelddadig en bizar zou hebben geschilderd opdat men ze goed zou onthouden als herinnering en waarschuwing om niet tot zonde te vervallen. Dit zou hij dan hebben ontleend aan het herinneren aan de hand van het ‘geheugenpaleis’: in elke kamer werd een bepaalde herinnering verbonden met een van Bosch’ bizarre monsters.
Het spectaculaire aan de tentoonstelling in het Noord-Brabants Museum is dat de schilderijen door de restauratie een tijdloze helderheid en frisheid hebben gekregen. Daardoor zijn ze schilderkunstig zo aantrekkelijk. Het rood, het groen, het doorleefde bruin, alle kleuren zijn tegelijk oud en nieuw. Omdat er zoveel verschillend uitgedoste figuren en wezens op te zien zijn is het allemaal verrassend kleurrijk. Het zijn zoekplaatjes waar je niet gauw op uitgekeken raakt. Bosch mag dan wel een pessimist zijn geweest, hij moet zijn fantasieën toch met veel genoegen geschilderd hebben. Bij het uitleven van zijn surrealistische fantasieën moet hij zijn katholieke vroomheid hebben gecombineerd met roomse vrolijkheid en een duivels genoegen. Met zoveel zorg en aandacht zoveel nonsens schilderen, dat vergt een heel specifieke instelling.
Er bestonden in die tijd wel afbeeldingen of beelden van bizarre beesten, zoals de zevenkoppige hydra, de driekoppige hond Cerberus, de hybride sfinx en de hybride griffioen, maar niemand was nog zover gegaan als Bosch in het bedenken van buitenissigheden. Na Bosch’ dood in 1516, ontstond in het midden van de zestiende eeuw een golf van navolgingen, vooral in Antwerpen, zodat het groteske en de horror bijna een mode werd. Lucas Cranach maakte in 1520 een complete kopie van Bosch’ vol gruwelen en monsters zittende Laatste Oordeel. Het overschrijden van grenzen met zijn fantasie was Bosch’ bewuste bedoeling, het was niet alleen een particuliere obsessie. Op een van zijn tekeningen schreef hij: ‘Armzalig is de geest die steeds gebruikmaakt van de vondsten van anderen en zelf niets bedenkt.’
Het kwaad werd door Jheronimus Bosch tot een schilderkunstig feest. En de onschuld kreeg zijn eigen feest in de Tuin der lusten. In zijn eigen tijd kregen zijn beschouwers misschien vooral een morele les van zijn schilderijen. Nu zie je vooral het schilderplezier in deze de verre voorvader van Goya, Dali en de gebroeders Jake en Dinos Chapman.

Jheronimus. De wegen van hemel en hel door Gary Schwartz, vertaald door Loekie Schwartz, is uitgegeven door Fontaine Uitgevers.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.