Volgens de Amerikaanse politiek filosoof Mark Lilla heeft Hillary Clinton de verkiezingen niet gewonnen omdat ze te weinig nadruk legde op wat de Amerikanen bindt. Politiek bedrijven wordt daarmee een kwestie van ‘zelfexpressie’, niet gericht op algemeen belang.
‘Identiteitspolitiek’ behoort niet tot de mooiste woordcombinaties van deze tijd. ‘Identiteit’ is al geen schoonheid vanwege de associatie met identificatie, maar door het te combineren met politiek wordt het wel heel zwaar. ‘Politiek’ is in deze combinatie niet het normale beoefenen van staatskunde of het parlementaire delibereren, maar meer politiek in de zin van regelen, marchanderen, ergens handig uitkomen. Er wordt politiek gemaakt van iets persoonlijks en delicaats.

Er was een tijd dat ‘identiteit’ vooral ter sprake kwam als het over jongeren ging die de onvermijdelijke fase doormaakten waarin ze er achter probeerden te komen wie ze waren. Ze maakten een identiteitscrisis door, zoals beschreven in het in de jaren zeventig vermaarde boek van Erik H. Erikson Identiteit, jeugd en crisis. Dat ging over een even griezelige als vruchtbare levensfase: de eerste aarzelende confrontatie met wat je zelf moet worden. Het was de tijd dat psychologen als Norman O. Brown en de psychedelicus Timothy Leary zeiden dat een identiteit helemaal niet nodig was, zelfs een belemmering vormde voor de ontplooiing en verruiming van de geest. ‘Verlies jezelf’, spoorde Norman Brown de jongeren aan. Waarop Erik Erikson niet weinig snedig antwoordde dat je, om jezelf te kunnen verliezen, jezelf eerst gevonden moet hebben.
Om jezelf te kunnen verliezen, moet je jezelf eerst gevonden hebben.
De ‘identiteitscrisis’ was speciaal iets van de jaren zeventig. ‘Was’, omdat jongeren tegenwoordig in het algemeen helemaal niet meer met een identiteitscrisis in verband worden gebracht. Het is alsof jongeren nu via internet vanzelf streetwise worden en een identiteit krijgen. Het is dan ook vaak een gemeenschappelijke identiteit. Ze slaan de crisis over door veel van elkaar over te nemen. De pubertijd is een popfestival. Over pubers als afzonderlijke personen wordt bijna niet meer gesproken. Wel over hun brein: het puberbrein. Vijftig jaar geleden werden de hersens als een onderdeel van iemands hele persoon beschouwd, nu concentreert zich alles erop. Het brein is tot het vijfentwintigste jaar nog in ontwikkeling, niet af. Over een identiteitscrisis wordt niet meer gesproken.
Balkanisering
Wanneer het nu over identiteit gaat is het onderwerp niet pubers, maar de identiteit en de rechten van bepaalde groepen: van antiracisten, transgenders, klimaatverontrusten, zwarte feministen of voorstanders van genderneutrale toiletten. Die nemen nadrukkelijk een identiteit aan om goed zichtbaar te zijn. Zij willen aandacht voor hun politieke of sociaal-psychologische positie omdat hun ideeën worden genegeerd of onderdrukt.
Er ontstaat steeds meer weerstand tegen de nadruk op identiteit omdat de politiek dreigt te gaan bestaan uit belangengroepen. Identiteit wordt dan gezien als gelijk aan een diepe overtuiging: zonder identiteit bestaat men niet. Dat kan leiden tot balkanisering, de opdeling van de samenleving in special interestgroepen. Daardoor kan het grote geheel uit het oog worden verloren. Dat is de zorg van de Amerikaanse politiek filosoof Mark Lilla. Hij werkte zijn artikel The End of Identity Liberalism, dat vorig jaar november in The New York Times stond, uit tot het polemische essay The Ones and Future Liberal: After Identity Politics.

Hillary Clinton verloor volgens de orthodoxe democraat Lilla de verkiezingen omdat haar campagne niet gericht was op alle Amerikanen: ze had geen samenbindend idee dat ‘Americans as Americans’ aansprak. Ze had ook geen aansprekende visie op de toekomst van Amerika, anders dan Donald Trump, hoe gapend leeg zijn ‘Make America Great Again’ ook was. In plaats van een wervende visie die de grote, verwaarloosde Amerikaanse middenklasse had kunnen inspireren, legde Clinton de nadruk op het winnen van de stemmen van de minderheden. Die zijn niet te verwaarlozen, maar zorgden er niet voor dat Clinton aan de macht kwam, en daar was het allemaal om te doen. De Democraten verloren daardoor ook honderden bestuurlijke posities op lokaal niveau, die gretig door de Republikeinen werd ingenomen. Lilla zegt dat de minderheidsgroepen zich de feministische slogan van de jaren zeventig eigen hebben gemaakt: het persoonlijke is politiek. Dat heeft indertijd zijn vruchten afgeworpen, maar nu wordt voor elk verschil en elke persoonlijke oneffenheid een actiegroep met een eigen identiteit opgericht. Daarmee wordt politiek bedrijven een kwestie van ‘zelfexpressie’, niet gericht op algemeen belang: ‘National politics in healthy periods is not about “difference”, it is about commonality.’ Het gaat Lilla allereerst om ‘a nation of citizens’, niet om ‘Hispanics, women, Latino, Native-Americans, Pacific Islanders or the LGBT community’.
De mens als rizoom
Mark Lilla is er met zijn essay op uit om in één klap de aandacht van de minderheden en de identiteitspolitiek af te wenden. Maar als orthodoxe liberal en Democraat ziet hij dan te makkelijk over het hoofd dat in de Verenigde Staten de nationale diversiteit wel heel groot is: het staat niet voor niets algemeen bekend als een immigratieland. Lilla heeft groot gelijk dat hij, ook om de steeds groter wordende tweedeling tegen te gaan, de Democraten aanspoort om de nadruk te leggen op wat Amerikanen gemeen hebben. Toch is het moeilijk om als Amerikaan die tot de 99% behoort iets gemeen te hebben met de 1% giga rijke Amerikanen, die evenveel bezitten als die 99%. De minderheidsgroepen ontstaan meestal niet voor niets: in de meeste gevallen is er echt iets aan de hand en is er sprake van discriminatie, racisme, achterstelling of onrechtvaardigheid. Het verbaast me dat Lilla zo eendimensionaal vasthoudt aan wat Amerikanen bindt en de diversiteit tot louter retoriek reduceert (‘the rhetoric of diversity’).
De mens als rizoom (genoemd naar een wortelstok waaraan op alle plaatsen nieuwe wortels ontspringen) heeft geen centrum, hij staat ‘naar alle kanten open’.
En dan te bedenken dat ondertussen in de wereld van de filosofie van de postmodernisten en deconstructionisten heel anders over het psychologische en filosofische begrip ‘identiteit’ wordt gedacht. Die beschouwen identiteit als een verderfelijk begrip, een relict uit de tijd van het modernisme toen karakter, persoonlijkheid, individualisme, zelfstandigheid, eigenwaarde nog bestonden. De identiteit werd in de jaren tachtig tot een probleem gemaakt door het ‘differentiedenken’ van de Franse filosofen Gilles Deleuze en Jacques Derrida. Zij gingen denken in verschillen, niet in overeenkomsten. Deleuze maakte van een identiteit iets statisch en onveranderlijks. Hij ontwikkelde tegengestelde ideeën over de mens als een nomade, iemand die permanent verandert, nooit met zijn gedachten op één plaats verwijlt, maar uit angst te verstarren voortdurend onderweg is. Een mens noemde hij een ‘rizomatisch netwerk’, iets dat geen middelpunt heeft, geen grenzen en evenmin enige samenhang vertoont. De mens als rizoom (genoemd naar een wortelstok waaraan op alle plaatsen nieuwe wortels ontspringen) heeft geen centrum, hij staat ‘naar alle kanten open’. Deze mens kan geen identiteit hebben want dat zou betekenen dat hij met zichzelf samen zou vallen. Dat zou veel te statisch zijn, dan staat men stil, en is men niet dynamisch.

Zoals bepaalde groepen de neiging hebben zich vast te klampen en op te sluiten in hun identiteit, zo denken de differentiedenkers dat ze het kunnen stellen zonder identiteit. Maar een identiteit hoeft helemaal niet te bestaan uit een geharnast onveranderlijk zelf. Er moeten wel een aantal waarden en voorkeuren in iemand ontstaan waarop een zekere eigenwaarde en een enigszins realistisch zelfbeeld gebaseerd kan worden. Een bepaalde individuele stijl zou daarbij niet misstaan. Een identiteit kan kneedbaar, elastisch, flexibel, ironisch zijn, moet geen geloof worden. De nomade is een aardige romantische figuur, maar zonder een minimale flexibele identiteit gaat het niet. Het nomadisme is maar voor weinig mensen weggelegd. Iets ervan kan zich in de minimale identiteit nestelen omdat een identiteit malleable moet zijn, kneedbaar. Wanneer dat het geval is kan iedereen zijn eigen individuele minderheidsgroep zijn en hoeft er geen identiteitspolitiek bedreven te worden, maar gewoon politiek.
The Once and Future Liberal: After Identity Politics door Mark Lilla is uitgegeven door HarperCollins.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.