In Bas Heijne’s essay Wereldverbeteraars ontmythologiseert hij Martin Luther King, Mahatma Gandhi en Nelson Mandela. Enerzijds geruststellend, maar Michael Ignatieff laat zien waarom hun mythische kanten nog steeds goed van pas komen.
Het heeft iets geruststellends dat Martin Luther King, Gandhi en Mandela niet alleen maar engelen waren. Het maakt dat hun mythologische status al bij voorbaat ontmythologiseerd is en hun reputatie van wereldverbeteraars gerelativeerd wordt. Op de tentoonstelling We Have a Dream in De Nieuwe Kerk in Amsterdam ligt de nadruk weliswaar op hun mythische kanten. Maar in Wereldverbeteraars, het essay dat Bas Heijne daarvoor schreef over de drie helden, is ook aandacht voor nuances. In deze tijd, waarin mensen die zich zorgen maken over de toestand in de wereld te pas en te onpas worden voorzien van het etiket ‘Gutmensch’, hebben de nuances hun eigen status. Die voorkomen dat helden Helden worden en dat etikettenplakkers hun gang kunnen gaan. De nuances zorgen ervoor dat het etiket niet blijft zitten.
Op de tentoonstelling zou de indruk kunnen ontstaan dat King, Gandhi en Mandela menselijke wezens zijn die door hun meeslepende toespraken (King), koppigheid (Gandhi) en beminnelijkheid (Mandela) aan de aarde zijn ontstegen als een zondenvrije drie-eenheid. Ze zijn wel verwant, en King en Mandela zijn ook sterk beïnvloed door Gandhi, maar ze bevonden zich op andere plaatsen, in andere tijden en andere omstandigheden. Gandhi’s geweldloosheid paste niet op Mandela’s omstandigheden. ‘Mandela was niet Gandhi’s trouwste volgeling’ schrijft Heijne, ‘hij zag geweldloosheid altijd meer als een middel dan als een doel.’ Hij was het hoofd van het gewapend verzet van de ANC.
Identiteit als een huis
King, Gandhi en Mandela vertegenwoordigen duidelijk andere tijden. Ze staan voor iets dat altijd zal blijven (voor de gelijkheid tussen mensen, voor geweldloosheid en verzoening), maar dat blijvende is nu helemaal niet meer in trek: in plaats van het universele trekt men zich terug in het lokale, in plaats van verzoening zien we polarisatie, in plaats van geweldloosheid de felste oorlogen, wapengekletter en terrorisme, in plaats van open grenzen weer gesloten grenzen. In plaats van een elastische identiteit een geharnaste identiteit.
Gandhi beschouwde een identiteit als een huis, schrijft Heijne, ‘een vertrouwde plek waar men zich prettig voelde en van waaruit men de wereld kon bezien. Maar wel met de luiken open, zodat licht en wind vrij spel hadden. Juist degene die wist wie hij was, kon zich vrijelijk en genereus opstellen voor anderen, was in staat zich te verdiepen in wat die ander anders en uniek maakte.’ Nu sluit men zich door het bedrijven van ‘identiteitspolitiek’ in zijn identiteit op: de luiken dicht. Het gaat niet meer om wat de mensen gemeen hebben, maar waarin ze verschillen. De ‘regenboognatie’ van diverse minderheden waarvan Mandela als president van Zuid-Afrika een eenheid wilde maken, ging ervan uit dat men zich (mooie formulering van Heijne) ‘door zijn identiteit niet moest laten begrenzen.’ Het was volgens Mandela een opdracht ‘de muren binnenin af te breken.’ ‘Grenzen’ en ‘muren’ zijn nu de nieuwe obsessies.
Incarnatie van ons betere ik
Ook al waren het dan geen engelen, Gandhi, King en Mandela zijn wel een ‘incarnatie van ons betere ik’, tenminste wanneer dat betere ik is gesteld op geweldloosheid, op gelijkwaardigheid, verzoeningsgezindheid en vasthoudendheid voor een goede zaak. En dat is helemaal niet vanzelfsprekend meer, gezien de aantrekkingskracht van geweld, discriminatie (en dus ontkenning van gelijkwaardigheid) en de neiging tot polariseren.
King, Gandhi en Mandela staan voor iets dat altijd zal blijven, maar dat blijvende is nu helemaal niet meer in trek.
Polariseren is in trek door (soms noodzakelijk) verschillen te benadrukken tussen moslims, politieke partijen, vluchtelingen, migranten en buitenlanders. Het is een elastisch begrip. Polarisatie was voor Gandhi, King en Mandela noodzakelijk om duidelijk te maken waar het hen om ging: het ging om uitbuiting door de Engelse kolonialen bij Gandhi, om discriminatie tussen zwart en blank bij King en om het opheffen van de apartheid bij Mandela. Op het moment dat het doel bereikt was, was polarisatie meteen taboe. Verzoening, waar ze alledrie nu mee worden vereenzelvigd, werd de nieuwe deugd.
Bij dit soort polarisatie gaat het om grote tegenstellingen. Die ontstaan door politieke, ideologische, religieuze, economische of culturele verschillen te benadrukken en er verdeeldheid mee te zaaien. Bij het op de spits drijven van de verschillen ontstaat een conflict waardoor ‘buren veranderen in vreemden, tegenstanders in vijanden, vrienden in dodelijke vijanden.’ Dit schrijft Michael Ignatieff in zijn boek Gewone deugden. Samenhang in een verdeelde wereld. Ignatieff reisde drie jaar lang door vier continenten om te onderzoeken welke morele deugden mensen over de hele wereld delen. Hij kwam daardoor ook in Zuid-Afrika en zag dat de morele deugden van Mandela door de nieuwe machthebbers niet meer zo serieus worden genomen. Dat wil zeggen: het is goed dat we Mandela als voorbeeld hebben om ons eraan te herinneren hoe het anders en beter was. Je ziet meteen waar Mandela goed voor is.

Lenen van een ei
Ignatieff ging op zoek naar gewone deugden in de Braziliaanse favela’s, de Zimbabwaanse townships, Japanse boeren, bendes in Los Angeles, monniken in Birma en etnische groepen in Bosnië. Het zijn de gewone deugden waardoor mensen met elkaar samen kunnen leven die steeds meer in verdrukking komen door het tamboeren op de grote verschillen. Grote politieke, religieuze en ideologische tegenstellingen dringen zich steeds meer naar voren, waardoor gewone menselijke verhoudingen niet meer mogelijk zijn omdat ze al verdeeld zijn door religie, politiek of ideologie. Voor het lenen van een ei kun je dan bij de buren niet meer terecht.
Gewone deugden als vertrouwen, tolerantie, vergeving, verzoening en veerkracht verdwijnen wanneer, zoals bijvoorbeeld nu in Birma gebeurt, politieke, religieuze of etnische groepen op hun strepen gaan staan en verdeeldheid zaaien. ‘Elk plaatselijk conflict tussen religies of etnische groepen kan worden aangewakkerd tot een internationale brand zodra iemand beweert dat het gaat om zaken waarbij een mondiale en niet alleen plaatselijke identiteit in het geding is. Oplossingen die mogelijk zouden zijn geweest als plaatselijke prominenten de koppen bij elkaar hadden gestoken (…) verdwijnen uit het zicht als iedereen die bij zo’n conflict betrokken is naar het mondiale cliché van de ultieme confrontatie grijpt.’ Dan worden buren vreemden, tegenstanders vijanden.
Juist degene die wist wie hij was, kon zich vrijelijk en genereus opstellen voor anderen.
De mondialisering van de ethiek wil zeggen: waar worden de mensenrechten in acht genomen, waar is men zich bewust van de toestand waarin de aarde verkeert, waar kunnen gewone deugden tot hun recht komen? Waar is sprake van individuele zelfbeschikking? Kan men zijn eigen lot bepalen? Waar worden alle mensen als gelijken gezien? Ignatieff ontkent niet dat dit zíjn liberaal-democratische waarden zijn. In Birma (tegenwoordig Myanmar genoemd) spreekt hij met Ashin Wirathu, in 2013 door Time ‘the face of buddist terror’ genoemd. Hij is een haatzaaier tegen de Rohingya’s, de moslimminderheid in de staat Takhine waarvan er deze maand met Wirathu’s zegen nu zo’n vierhonderdduizend zijn verdreven naar Bangladesh omdat ze niet meer worden erkend als burgers van Birma. Wirathu beschouwt de fundamentalistische islam als de felste concurrent van het boeddhisme. Hij wordt beschuldigd van het aanzetten tot geweld tegen moslims. Die noemt hij ‘radicaal slecht’.
Van de drie morele ‘systemen’ die Ignatieff op zijn rondgang onderzocht – mensenrechten, mondiale ethiek en gewone deugden – betekenen de gewone deugden voor mensen het meest. Het heet dat er dan sprake is van ‘het primaat van het lokale’. Daar begint alles. Democratisch zelfbestuur is dan het belangrijkste, moreel universalisme en mensenrechten komen op de tweede plaats, als ze al niet botsen. Ignatieff is niet verbaasd, maar kijkt er toch van op dat de verbinding van het lokale met het universele niet vanzelfsprekend is. Tentoonstellingen over Gandhi, King en Mandela als We Have a Dream zouden er weleens voor kunnen zorgen dat die verbinding wordt gemaakt.
Bas Heijne, Wereldverbeteraars; Gandhi, King, Mandela – hun erfenis, Prometheus, 96 p.
Michael Ignatieff, Gewone deugden. Samenhang in een verdeelde wereld, Cossee, €24.99, 256 p.
De tentoonstelling We Have a Dream is tot 4 februari 2018 in De Nieuwe Kerk in Amsterdam.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.