De schrijfster en criminologe Andreas Burnier/C.I. Dessaur (1931-2002) werd een boegbeeld van het feminisme. In sarcastische en polemische stukken keerde ze zich tegen het ‘masculinistische rationalisme’. En haar romans waren geestig en erudiet. Vandaar een kloeke biografie over haar van Elisabeth Lockhorn.

Toen Andreas Burnier in 1988 gastschrijver was aan de Universiteit van Leiden gaf ze colleges over mystiek en magie in de literatuur. De schrijvers over wie ze het wilde hebben verdeelde ze in mystici en magici. Bij de magiërs moesten we denken aan Goethe, Edgar Allan Poe, Shakespeare, Strindberg en Gustav Meyrink. Die ondergingen de werkelijkheid als ‘kwellend’, waren extravert en strijdlustig en waren in filosofische zin dualisten en pluralisten. Mystici waren Meister Eckhart, Johannes van het Kruis en Hildegard van Bingen. Die ondergingen de werkelijkheid als ‘onwezenlijk’, waren introvert en geneigd tot verzoening. Filosofisch waren het monisten. Aan deze indeling voegde Burnier toe dat ze zelf iemand was met een typisch magisch temperament, maar verlangend naar mystiek: ‘Psychisch streef ik naar introversie en een verzoenende houding, maar wat ik ben is een tamelijk extravert en strijdlustig wezen.’

Wanneer dit ter sprake komt in Andreas Burnier, metselaar van de wereld is Elisabeth Lockhorn al ruim vierhonderd pagina’s in de biografie op weg en hebben we al menig voorbeeld gekregen van Burniers dualistische karakter in de praktijk. Om te beginnen was Burnier een vrouw die al heel vroeg verlangde een jongen te zijn. Eenmaal volwassen wil ze als man door het leven gaan, maar haar stem verraadt haar. Bij haar eerste poging om in een café als man te worden behandeld, beschreven in Een tevreden lach, valt ze door de mand. Het volgende dualisme was de scheiding die ze aanbracht tussen de schrijfster van romans (Het jongensuur, De huilende libertijn) en de criminologe die een verre van mystiek of magisch proefschrift schreef. Het blonk juist uit in wetenschappelijkheid en positivisme. Door anderen opgemerkte tegenstellingen in haar volgen elkaar op. Op papier was Burnier de assertiviteit zelve, een fel polemiste die, zoals Lockhorst meerdere keren moet constateren, ‘fors’ uit de hoek kon komen. Maar in het dagelijks leven was ze eerder beschroomd en wist ze zich niet altijd een houding te geven. In een bespreking van een van haar romans heeft Alfred Kossmann het over haar ‘lompe lichtvoetigheid’.

Burnier schreef het Kwaad altijd met een hoofdletter.

De grote verdienste van Lockhorns biografie is dat de vele kanten van Andreas Burnier zo ongeveer allemaal aan bod komen terwijl er, paradoxaal genoeg, tegelijk een tamelijk eenduidig beeld van haar ontstaat. Burnier was een permanent zoekende geest die leefde alsof ze de wereld aan haar voeten had. In haar onzekerheid en kwetsbaarheid zat ook een ijzeren wil, een snijdende intelligentie en een aan het absurde grenzende (sommige zeggen hyperbolische) zelfverzekerdheid. Burnier grossierde in radicale kwalificaties als het ‘rationalistisch materialistisch seksefascisme’ en verdeelde de wereld graag in licht en donker. In de geest van haar leermeester, criminoloog Willem Nagel, dacht ze manicheïstisch, scherp onderscheid makend tussen goed en kwaad, vergetend dat ze als ‘mystica’ werd verondersteld een verzoener te zijn. Burnier schreef het Kwaad altijd met een hoofdletter.

Andreas Burnier, 1996. Foto: HH

Burnier was een ‘intellectuele wervelwind’ met ‘een hoog voltage aan gedrevenheid’. Tijdens haar studie verkeerde ze in de antroposofische kringen van het tijdschrift Castrum Peregrini. Wolfgang Frommel creëerde daar met jonge heteromannen een sektarisch-dwingende sfeer in de geest van de ‘pedagogische eros’. Ook al nam Burnier er na verloop van tijd afstand van, het goeroe-achtige van Frommer nam ze van hem over. Ze probeerde selecte groepjes jonge mannen om zich heen te verzamelen om maandelijks bij elkaar te komen. Op die manier ontstond de Platoclub, waarvan onder meer Oek de Jong, Yoeri Albrecht en Chris Rutenfrans lid waren. Burnier was in dit gezelschap een man onder de mannen, maar wel de spil. Ze probeerde eenzelfde soort club met vrouwen te formeren onder de naam In Liefde Bloeyende, maar dat werkte niet. Burnier had een uitgesproken hang naar het esoterische, naar geheime kennis. Anders dan de Platoclub had de meisjesclub geen enkele discipline. In plaats dat de werken van Rudolf Steiner werden bestudeerd en de spirituele diepten werden opgezocht gingen zij het al gauw over relaties en de onderlinge verwikkelingen hebben. ‘Regelmatig stond er in de pauze iemand te huilen op de gang. Dan dacht ik verbijsterd: ‘Maar we zouden het toch over het Tibetaanse Dodenboek hebben?’ Wat niet wil zeggen dat Burnier zelf geen onderdeel was van het liefdesleven tussen vrouwen. Allerminst. Er komen heel wat vrouwen in haar leven, het liefst androgyn. Voor iemand die zoveel kritiek had op het rationalisme kon ze slecht met emoties omgaan.

Burnier heeft een beduidende rol gespeeld in het feminisme, maar vooral als degene die de discussie liet ontstaan door haar radicale uitspraken, zoals die over het seksefascisme. Ze was niet altijd een progressieve feminist, zoals bleek in de discussie over abortus en later over euthanasie. Naast deze intensieve, wereldse bemoeienissen had Burnier een esoterisch spiritueel leven waarin ze op zoek bleef naar het ‘Onbenoemdbare’. Wat dat inhield is te lezen in haar roman De litteraire salon. Daarin bevindt haar alter ego zich tijdens een reis naar Amerika helemaal alleen op een strand aan de grote oceaan. Ze wordt overweldigd door een gevoel van verlichting: ‘Ik voelde een grote, totale veiligheid en zekerheid. Dit licht was wijsheid en liefde tegelijkertijd. (…) De tranen schoten mij in de ogen omdat ik werd overweldigd door een gigantisch gevoel van dankbaarheid. Dankbaarheid voor het licht waarin ik mij bevond. Dankbaarheid voor de kosmische liefde die naar de aarde en de mensheid werd gestraald.’ Zo iets zal wel hebben plaatsgevonden, maar, zoals zo vaak met dit soort ervaringen, zodra ze moeten worden verwoord verschijnt een stoet van futloze cliché’s om het onder woorden te brengen. Het is moeilijk je iets voor stellen bij ‘kosmische liefde’ die naar de aarde en de mensheid wordt ‘gestraald’.

Ze wilde telkens weer een nieuw geestelijk huis bouwen waarin ze zich thuis kon voelen.

Lockhorn beschrijft de ene periode na de andere in het leven van Burnier en dat betekent vaak dat er weer een transformatie in haar denken optreedt, vandaar de titel ‘Metselaar van de wereld’: ze wilde telkens weer een nieuw geestelijk huis bouwen waarin ze zich thuis kon voelen. Een van die transformaties is het pontificale afscheid van de antroposofie, een richting waar ze zich bijna haar hele leven voor heeft ingezet. De laatste grote verandering is haar toetreding in de jaren negentig tot de Liberaal Joodse Gemeente in Amsterdam. Dit is nogal een stap omdat Burnier zich haar hele leven had afgeschermd van het jodendom, onder meer vanwege haar ervaringen in de oorlog: drie jaar lang zwierf ze als joodse van het ene calvinistische onderduikadres (zestien in totaal) na het andere. Ze wil meteen alles van het jodendom weten en gaat Hebreeuws leren. Ze richt een stichting op die ‘de schrijnende onwetendheid over de rijkdom van de Joodse traditie’ te lijf wil gaan. Ze stort zich er volledig in. Haar belangstelling gaat speciaal uit naar de Kaballa, de mystiek-esoterische kant van het jodendom. Hoe meer ze zich verdiept in het jodendom, hoe meer kritiek ze heeft op het christendom.

Metselaar van de wereld is een prachtige, genuanceerde biografie waarin alles een context krijgt, ook Burniers eigenaardigheden, goeroe-neigingen en idiotieën. Mensen waren voor Burnier al gauw dom. Lockhorn had misschien nog iets uitvoeriger kunnen zijn over wat Burnier nu precies in de antroposofie zag en wat haar in het jodendom zo diep aantrok, afgezien van de rituelen en het voorzetten van een onderbroken familietraditie. Je leest gefascineerd over haar erudite ‘spirituele’ leven, maar ook met scepsis als het gaat over haar hang naar esoterie. Burnier wilde ‘geheime kennis’ verwerven, kennis waar alleen zij toegang toe had.

Andreas Burnier, Metselaar van de wereld is uitgegeven door Atlas Contact.