Tot ons groot verdriet is op 81-jarige leeftijd Peter van Straaten overleden. Lees hier het actuele in memoriam voor een van de meest gewaardeerde tekenaars van Vrij Nederland ooit.

Van november 1968 tot mei van dit jaar tekende Peter van Straaten elke week een politieke prent voor Vrij Nederland. ‘Tja, ik word volgend jaar tachtig’, verklaart hij. In Vrij Nederland kon hij iemand als Wilders te kakken zetten zoveel hij wilde, zonder er ooit problemen mee te krijgen. Toch verwijderde hij op aanraden van zijn vrouw zijn naambordje van de deur. ‘Blijkbaar waren er heel veel verontwaardigde katholieken.’

Ja, daar was dus blijkbaar iets mee, indertijd. Hij zal Jan Terlouw niet voor niets met een Shell-embleem op zijn jasje getekend hebben. Zoals Elco Brinkman ook vast niet zomaar is afgebeeld met zijn lippen en tanden áchter zijn hoofd. ‘Die zal zijn mond voorbij hebben gepraat,’ zegt Peter van Straaten grinnikend. ‘Maar waarover, wanneer, waarom? Ik heb werkelijk géén idee.’

Dat is natuurlijk te verwachten, als je probeert een selectie te maken uit de enorme collectie politieke prenten die Van Straaten tekende voor Vrij Nederland. Hij deed het zesenveertig jaar, en kan zich niet herinneren dat hij ooit een week gemist heeft. Het leeuwendeel van de prenten heeft hij geschonken aan het Persmuseum, waar ze keurig gearchiveerd op de juiste temperatuur worden bewaard. Bij hem thuis op tafel ligt het boekje Peters Politiek, met hoogtepunten uit zijn oeuvre, en twee ongeordende dozen met originelen – hier en daar een ezelsoor, een dotje typex of zelfs een sticker om een verschrijving of een minder geslaagd stukje te bedekken.

Graaiend in de dozen gaat hij met hinkstapsprongen door ruim vier decennia vaderlandse politiek, langs affaires en opstootjes die toen de gemoederen wekenlang bezighielden, maar waarbij hij zich nu regelmatig even achter de oren moet krabben. Ach ja: kleermaker Gümuş, de brand in het huis van Aad Kosto, de Bijlmerramp, de introductie van de OV-kaart, het tellen van tandenborstels bij vermeende tweeverdieners. ‘En dat is… Jo Ritzen! Natuurlijk. En Maij Weggen, van die, eeh, carpoolstrook, ja. En dit moet de eerste keer zijn dat ik Geert Wilders heb getekend. Als een boos jongetje, toen hij net uit de VVD was gestapt. Je ziet dat ik hem nog helemáál niet in de vingers had.’

In de Nederlandse politiek valt er meestal wel wat te lachen.

Advertentie

Advertentie

Een soort bevrijding

Tamelijk geruisloos verscheen in mei van dit jaar Peter van Straatens laatste politieke prent in Vrij Nederland. De tekenaar, 79 inmiddels, besloot het wat rustiger aan te gaan doen. Het was even wennen. Voor de redactie, die gewend was geraakt aan de geruststellende regelmaat waarmee hij elke maandagochtend persoonlijk zijn tekening kwam afleveren, waarna hij zich steevast boog over de wekelijkse puzzel die al voor hem klaar lag – zijn ogen op enkele centimeters van het papier – en die hij in een mum van tijd oploste. Maar natuurlijk vooral voor hemzelf. ‘Tja, ik word volgend jaar tachtig,’ zegt hij. ‘En ik kan toch niet eeuwig doorgaan. Alles met een dwingende deadline wordt me tegenwoordig snel teveel. Zelfs met het stukje dat ik maandelijks voor NRC schreef, ben ik gestopt. Ik teken nog altijd ontzettend graag, hoor. Maar nu is het meer: gaan zitten en maar zien wat er komt. Dat vind ik het lekkerst. Het is wel een soort bevrijding dat ik niet meer elke week aan de bak moet. Al mis ik het ook wel een beetje.’

Peter van Straaten: 'Een politieke prent hoort ongenuanceerd te zijn. Als je nuances wilt, dan moet je maar politiek commentator worden.' Foto: Koos Breukel
Peter van Straaten: ‘Een politieke prent hoort ongenuanceerd te zijn. Als je nuances wilt, dan moet je maar politiek commentator worden.’ Foto: Koos Breukel

Al die jaren begon het denkwerk zo rond de donderdag. Was er iets gebeurd waarover hij een tekening zou kunnen maken? Meestal verwierp hij initiële ideetjes, want het risico dat ze alweer achterhaald zouden zijn als het blad woensdag in de winkel lag, was groot. ‘Dat is de moeilijkheid van werken voor een weekblad,’ zegt hij. ‘Een prent is vaak tijdgebonden, en er gebeurt op dinsdag altijd wel iets dat je eigenlijk had moeten meenemen. Dus je moet een beetje vooruitdenken en focussen op de grotere ontwikkelingen.’
De zondag was altijd gereserveerd voor het maken van de tekening. ‘Dat is nog het gekste: ik had nooit een zondag, en nu kan ik opeens doen wat ik wil. Wat dat is? Dat ben ik nu een beetje aan het uitzoeken. Voorlopig heb ik de neiging om helemaal niks te doen.’ Wat hij in die bijna halve eeuw trouwens ook nooit had, zegt hij lachend, was een contract. ‘Alles is altijd mondeling gegaan. Niemand heeft ooit gezegd: zullen we eens iets zwart op wit zetten?’

‘Bij ons in het dorp’-sfeertje

Wellicht is dat een logisch uitvloeisel van de informele manier waarop het ooit begon. Op een avond in 1968 liep Van Straaten in café Scheltema toenmalig hoofdredacteur Rinus Ferdinandusse tegen het lijf, en hij vroeg hem waarom hij nooit meer een politieke tekening van Willem van Malsen in het blad zag staan. Die was vertrokken, was het antwoord, naar Parijs. ‘Wil jij?’ Van Straaten stond te trappelen. Hij had in die tijd, zo zei hij ooit, ‘iets ellebogerigs’. ‘Ik was zeer ambitieus, wilde me overal een plek veroveren.’

Hij was al bekend van zijn getekende ‘sfeerreportages’ en rechtbanktekeningen in Het Parool, maar nu was opeens de hele wereld een mogelijk onderwerp. Een paar jaar daarvóór, vertelt hij, was het nog gebruikelijk dat de inhoud van een tekening mede bepaald werd door de (hoofd)redactie. ‘De tekenaar had natuurlijk wel inbreng, maar vaak was het: als jij nou eens die en die tekent, en dan… Leo Jordaan heeft dat nog gedaan voor Het Parool. En Eppo Doeve ook. Ik was altijd volledig autonoom, en ik weet ook niet of ik dat had gekund. Ik vind het lastig als mensen met me mee gaan denken.’

Voor deze prent uit VN van 20 maart 2010 kreeg Van Straaten de Inktspotprijs. 'Die was ongewoon fel voor mijn doen. Ik weet niet precies waarom. De hypochrisie, denk ik.'
Voor deze prent uit VN van 20 maart 2010 kreeg Van Straaten de Inktspotprijs. ‘Die was ongewoon fel voor mijn doen. Ik weet niet precies waarom. De hypochrisie, denk ik.’

Op zijn eerste tekening voor Vrij Nederland, in november 1968, werd de Franse president Charles de Gaulle bijna verpletterd door een reusachtige franc – ook toen was er, blijkbaar, sprake van een financiële crisis. ‘Maar met de buitenlandse politiek ben ik al vrij snel gestopt,’ zegt Van Straaten. ‘Dat werd me te ernstig. Heel af en toe – Obama, Poetin – kon ik er niet omheen. Maar ik wil toch in de eerste plaats grappen maken, geen vlammende protesten laten horen. In de Nederlandse politiek valt er meestal wel wat te lachen. Dat kleinschalige “bij ons in het dorp”-sfeertje vind ik gezelliger. En het was ook iets minder vrijblijvend dan te zeggen: ik waarschuw Richard Nixon nog één keer.’
Niet, haast hij zich te zeggen, dat hij de illusie heeft dat zijn prenten überhaupt iets veranderden. ‘Ik denk niet dat een politiek tekenaar enige invloed heeft op wie dan ook. Dat iemand na het zien van mijn prent denkt: o, zó zit het eigenlijk. Je weet ongeveer wie je lezers zijn, en je tekent altijd voor je eigen publiek. Ik zou nooit voor De Telegraaf kunnen tekenen.’

Enerzijds anderzijds

Die afkeer van ‘vlammend protest’ typeert hem. Van Straaten is een zachtmoedig mens, met in de eerste plaats een haarscherp oog voor het menselijk tekort. De woede en de rechtlijnigheid die je zag in het werk van een tekenaar als Opland ontbeert Van Straaten doorgaans. ‘Ik ben geen fanaticus, en ik ben niet echt van de barricade. Nog nooit heb ik meegelopen in een demonstratie. Alles wat in grote groepen gebeurt, daar moet ik niets van hebben. Er loopt altijd iemand naast je van wie je denkt: wat is dit voor een engerd?’

Niettemin dwingt het genre een politiek tekenaar om een standpunt in te nemen dat zwart-wit is. Want ‘je kunt niet achter de komma tekenen’, zoals zijn Vlaamse collega Zak ooit zei. ‘Dat is waar, een politieke prent hoort ongenuanceerd te zijn. Als je nuances wilt, dan moet je maar politiek commentator worden. Want enerzijds anderzijds tekenen, dat kan niet. Terwijl…’ Hij lacht. ‘Terwijl mijn eigen mening wel vaak enerzijds anderzijds is. Het kan vriezen en het kan dooien. Vooral in het begin paste ik mijn tekening vaak aan aan de mening van de krant. Aan wat ik dacht dat de redactie ergens van zou vinden. Ik heb toen vast wel dingen gemaakt die mij misschien iets te stellig waren. Maar ach, dat doe je als je jong bent. Later ben ik veel vrijer gaan tekenen.’

Sowieso wilde hij in zijn tekeningen niemand op een voetstuk plaatsen, zoals in zijn jeugdjaren nogal eens gebeurde met de socialistische arbeider. ‘Stoere mannen die een roos plukken met een kindje op hun arm. Dat zijn tekeningen die ergens vóór zijn, en daar ben ik tegen.’ Maar het was, ook in de gepolariseerde jaren zeventig en tachtig, zijn doel om ‘de hele boel in de maling te nemen’, en niet alleen rechts – ook al stemde hij zelf in die jaren altijd op Den Uyl. ‘Mijn ervaring, het spijt me verschrikkelijk, is dat rechtse mensen veel gezelliger zijn dan linkse. Daar heb ik een keer een Vader & Zoon-prent over gemaakt. De vader zegt: jij vond de buurman toch zo rechts? Ik zag hem net een oude neger de straat over helpen. Ja, zegt de zoon, dat is het hem nou juist: rechts helpt een neger, maar links helpt dé neger. Dat is volgens mij precies het verschil, en de reden waarom je beter een rechtse buurman kunt hebben dan een linkse.’

Hans van Mierlo bekende Van Straaten dat hij politieke prenten vreselijk vond. ‘Niet alleen als hij zelf getekend werd, maar in het algemeen: hij vond dat je de hoofden van mensen niet zo mocht misvormen. Heel raar.’
Hans van Mierlo bekende Van Straaten dat hij politieke prenten vreselijk vond. ‘Niet alleen als hij zelf getekend werd, maar in het algemeen: hij vond dat je de hoofden van mensen niet zo mocht misvormen. Heel raar.’
Een neus en twee pukkels

Hij mag er graag een beetje mee spelen. Opmerken dat je iemand als Hans Wiegel, destijds een favoriet haatobject van links, beter niet in het echt kunt ontmoeten, ‘want het is een heel leuke man’. Maar als je zijn tekeningen uit het tijdperk Van Agt en Lubbers doorkijkt, zie je er toch de tijdgeest in terug. Wat opvalt, is dat de oudere tekeningen veel woester, drukker en donkerder zijn dan het recentere werk, en dat hij zich met name op de twee CDA-premiers volkomen kon uitleven. Waar Joop den Uyl meestal opduikt met een zorgelijke, peinzende blik, is Dries van Agt (‘Ik had een ongelooflijke hekel aan dat rare baasje’) altijd sluw en machtsgeil. In de loop der jaren had Van Straaten aan een neus en twee pukkels genoeg. Ruud Lubbers, die hij ‘eigenlijk een van onze beste premiers’ vond, heeft hij onder meer afgebeeld als een wolf, als Dracula en als een gangster. Op het laatst volstond een enorme bestoppelde kin en een spleetje tussen de tanden.

Deels was het een kwestie van mazzel, zegt hij, want onder de toonaangevende politici van die tijd zat een rijke oogst aan markante koppen. ‘Die waren wel lekker, ja. Brinkman ook, met die ogen.’ Later kreeg je mensen als Balkenende. Heel makkelijk, met dat ‘ronde kinderhoofdje’, maar daarom ook weinig eer aan te behalen. Iemand als Wouter Bos was helemaal een ramp. Maar deels was het grotesk uitvergroten van de koppen van Van Agt en Lubbers ook een noodzaak voor Van Straaten. ‘Ik ben eigenlijk heel slecht in portretten,’ zegt hij. ‘Het lijkt bij mij nooit echt. Zo iemand als Mark Rutte, tja, mensen kunnen hooguit raden dat ik hem bedoel. Ik haat dat in mezelf. Ik zie andere tekenaars die hem met één lijntje meteen hebben, en dat heb ik nooit gekund. Dus ik heb Van Agt en Lubbers zo moeten vervormen dat het mijn eigen Van Agt en Lubbers werden.’

Het is een ‘handicap’, zegt hij. ‘Ik heb geen archief en werk zonder voorbeeld, vanuit mijn visuele geheugen. Heel soms pak ik er een foto bij, maar dat helpt ook niet echt. Ach, het is niet anders. Ik zou een gezicht natuurlijk op de lichtbak gewoon kunnen overtrekken, zoals Marte Röling dat deed. Maar dat is wel een beetje mijn eer te na.

Sommige politici die hij regelmatig tekende voor Vrij Nederland, ontmoette hij later in levenden lijve. Ruud Lubbers begon tijdens hun gesprek helemaal niet over de tekeningen. ‘Dat vond ik wel chic van hem,’ zegt Van Straaten. Hans van Mierlo bekende hem dat hij politieke prenten vreselijk vond. ‘Niet alleen als hij zelf getekend werd, maar in het algemeen: hij vond dat je de hoofden van mensen niet zo mocht misvormen. Heel raar.’ Met Hans Wiegel zat hij een keer aan tafel bij Pauw & Witteman. ‘Die zou weer eens terugkeren in de politiek, en dus had ik een paar mensen getekend die een oude koe met het gezicht van Wiegel uit de sloot haalden. Nou, daar was-ie het niet mee eens. Die koe, dat moest natuurlijk een stier zijn.’

Verontwaardigde katholieken

Twintig jaar geleden zei hij in een dubbelinterview tegen zijn toenmalige Vrij Nederland-collega Jaap Vegter: ‘Voor jou zijn je tekeningen meer een voertuig voor je gedachten. Ik pas mijn gedachten wel aan aan mijn tekeningen.’ En hoewel Van Straaten inmiddels zo’n 2500 politieke prenten voor Vrij Nederland maakte, ziet hij zichzelf nog altijd niet als ‘politiek tekenaar’. ‘Ik ben in de eerste plaats tekenaar, en pas in tweede instantie politiek commentator. Collega’s beoordeel ik ook vooral op manier waarop het getekend is. Soms kan de inhoud van een prent, het idee, niet zo geweldig zijn, maar als het goed gemaakt is, ga ik het toch verdedigen.’

Een heel enkele keer kregen zijn particuliere ergernissen de overhand en deelde hij speldenprikjes uit – vooral als er groepen of personen in zijn ogen al te uitbundig bewierookt werden. ‘Op een gegeven moment was Vrij Nederland hét weekblad van de bijstandsmoeder geworden. Week in, week uit ging het daarover. Ik werd doodziek van die verering, en heb toen een Mariabeeld met kaarsje ervoor getekend, dat de bijstandsmoeder uitbeeldde. Dat ging dwars tegen de invalshoek van de redactie in. Maar ik heb er nooit commentaar op gehoord.’ Bij het aantreden van Barack Obama in 2008, toen de hele wereld voor hem in katzwijm lag, tekende Van Straaten de Amerikaanse president met een passer boven zijn hoofd waarmee een aureooltje werd getrokken. ‘Die hele sfeer, alsof de messias terug was op aarde, vond ik ook erg overdreven.’

Boven: Wim Kok, 19 augustus 1989; 
rechtsonder: Ruud Lubbers, 9 juni 1984. 
Later kreeg je mensen als Balken ende (links en op p. 30), heel makkelijk, met dat ‘ronde kinderhoofdje’, maar daarom ook weinig eer aan te behalen.'
Boven: Wim Kok, 19 augustus 1989; 
rechtsonder: Ruud Lubbers, 9 juni 1984. 
Later kreeg je mensen als Balken ende (links en op p. 30), heel makkelijk, met dat ‘ronde kinderhoofdje’, maar daarom ook weinig eer aan te behalen.’
Politiek tekenaar of niet, de afgelopen decennia won Van Straaten vier keer de Inkspotprijs voor de beste politieke prent van het jaar. De laatste keer was in 2011, toen hij naar aanleiding van de misbruikschandalen in de katholieke kerk een voorovergebogen jongen tekende bij wie een groot kruis in de kont was geduwd.‘Die was ongelooflijk fel voor mijn doen,’ zegt hij. ‘Ik weet niet precies waarom. De hypocrisie, denk ik. Omdat ik er die prijs mee won, kwam die tekening ook op tv. En ja, dan zijn de rapen gaar. Ik kreeg een enorme lading hatemail over me heen, en zelfs doodsbedreigingen. Dat ben ik helemaal niet gewend, ik word daar heel angstig van. In Vrij Nederland kan ik iemand als Wilders te kakken zetten zoveel ik wil, en ik hoor er nooit wat op. Maar blijkbaar waren er heel veel verontwaardigde katholieken. Op aanraden van mijn vrouw heb ik zelfs ons naambordje van de voordeur gehaald.’
Nee, zoveel woede opwekken, eigenlijk is het niks voor hem. Een beetje plagen is veel leuker. ‘Heel soms maak ik me kwaad,’ zegt hij. ‘Maar meestal niet.’

Een beetje overdréven
Als ook de bodem van de tweede doos in zicht is en er uit die ‘walgelijke hoeveelheid’ een voorzichtig begin van een veel te ruime selectie is gemaakt, komt zijn vrouw Els Timmerman de kamer binnen met koffie en boterhammen. ‘Wat zie jíj er goed uit,’ zegt de tekenaar complimenteus. ‘Heb je je bril soms schoongemaakt?’ countert zijn vrouw razendsnel.
Tijdens het eten heeft hij, aarzelend, nog één bedenking. ‘Dat mijn afscheid ook bij jullie op de cover komt… Ik dacht: is het allemaal niet een beetje overdréven?’ Zijn vrouw: ‘Je herinnert je nog hoe Rijk de Gooijer je altijd noemde, hè?’
Heel even kijkt hij gespeeld verbaasd. Dan krult zijn mond in een glimlach die je nog altijd met gemak jongensachtig kunt noemen. ‘O ja. “De quasi-bescheiden tekenaar”.’

Met medewerking van het Persmuseum

Als je Van Straatens tekeningen uit het tijdperk Van Agt en Lubbers bekijkt, zie je er de tijdgeest in terug. De oudere tekeningen zijn veel woester en donkerder dan het recentere werk. Met name op de twee CDA-premiers kon hij zich uitleven.
Als je Van Straatens tekeningen uit het tijdperk Van Agt en Lubbers bekijkt, zie je er de tijdgeest in terug. De oudere tekeningen zijn veel woester en donkerder dan het recentere werk. Met name op de twee CDA-premiers kon hij zich uitleven.
Het was, ook in de gepolariseerde jaren zeventig en tachtig, Van Straatens doel om ‘de hele boel in de maling te nemen’, en niet alleen rechts – ook al stemde hij zelf in die jaren altijd op Den Uyl.