De vier pagina’s literatuurlijst waarmee de filosofe en romanschrijfster Patricia De Martelaere haar boek Taoïsme. De weg om niet te volgen besluit, is een sterk voorbeeld van het paradoxale karakter van deze ‘filosofie’. Wil je het taoïsme op de juiste manier beoefenen, dan moet je al die boeken juist verre van je houden: ze mogen in geen velden of wegen te zien zijn, want het is de bedoeling dat de leerling-taoïst alles wat hij aan herinneringen, gedachten, gevoelens en verlangens in zich heeft, buitensluit, uitwist, zodat hij, nu geheel leeg zijnde, op een nieuwe manier ‘vol’ kan lopen. Hij of zij raakt dan niet vol van iets (dat is de westerse manier van vol), maar van niets en alles: ‘De oosterse leegte is het samenvallen met het Al.’ Het ‘ego’ bestaat dan niet meer, is weg, is dood, men is ervan bevrijd.
Patricia De Martelaere is de eerste om toe te geven dat een filosofie als het taoïsme een rijke bron van irritatie kan zijn vanuit westers perspectief. Tenslotte komt het erop neer dat het taoïsme de kunst van het niets doen is. Dat is niet iets waar men in het Westen echt sterk in is. Zitten zitten, daar komt het in het taoïsme op neer, tot zich veranderingen in je voordoen die maken dat je de werkelijkheid gaat zien ‘zoals zij is’: dat er geen verschil meer is ‘tussen de kenner en het gekende, de ziener en datgene wat gezien wordt’. Deze bijzondere toestand bereikt men niet zomaar, dat vereist volharding en hard werk, zo luidt de waarschuwing.
Voor men tot dit harde werk besluit, moet er zich heel wat in iemand afgespeeld hebben. Het is een andere wereld. De Martelaere schrijft dat haar belangstelling voor de ‘theorie’ van het taoïsme pas ontstond nadat ze een tijd de ‘innerlijke gevechtskunst’ taijiquan had beoefend. De trage bewegingen die daarbij worden gemaakt, zorgden voor ‘innerlijke fysieke gewaarwordingen’ die direct verbonden waren met haar gedachten en gevoelens. Net als voor het mediteren en stilzitten, is voor taijiquan wel enig talent en affiniteit nodig: het ‘leegmaken van het hart-bewustzijn, het ademen vanuit de hielen’ waartoe het moet leiden, blijkt niet iedereen te lukken, hoe ijverig men ook probeert.
De Martelaere heeft het vooral over de filosofische kanten van het taoïsme. Dat zorgt voor een tamelijk antiseptisch beeld van deze manier van leven: de rituele poespas, de religieuze devotie en de magische kunsten blijven buiten beeld. De aard van de zo belangrijke ‘energetische stromingen’ blijft duister. Het gaat ook niet of nauwelijks over al die verschillende soorten taoïsme (het magische, divinatorische, ceremoniële, innerlijke of handelende taoïsme). Het taoïsme mag geen geloof zijn, het is wel een bewerkelijk ritueel en religieus systeem dat iemand die zich erin begeeft van hoofd tot voeten in beslag zal nemen. Bij De Martelaere wordt dat niet zo duidelijk; ze lijkt vooral gefascineerd door de mogelijkheid dat je door de beoefening van het taoïsme alles vanzelf, achteloos, zonder inspanning en mentale storing doet. Ze wil het (westerse) denken overslaan en toch uitkomen waar ze wil zijn: de gewaarwording van volle leegte.
De Martelaere kan over alles duidelijk en transparant schrijven, dus ook over het taoïsme. Het boek is het gevolg van haar affiniteit met een radicale, uitgebeende manier van denken. In haar romans en essays gaat ze altijd tot de bodem van wat gedacht kan worden, zodat er niets of niet veel overblijft. Ze denkt en redeneert radicaal, waardoor waarheden en illusies vanzelf sneuvelen – het zijn toch allemaal maar menselijke constructies. Ze redeneert, zoals ze met een zeker pervers genoegen in haar boek Wereldvreemdheid schrijft, tot de ‘bodemloze leegte die wij wezenlijk zijn’.
Na veel oefening zorgt het oosterse taoïsme voor de uiteindelijke opheffing van het verschil tussen de werkelijkheid en degene die de werkelijkheid ondergaat. Dan ontstaat de werkelijkheid ‘zoals zij is’. Dat is een verhoogde staat van bewustzijn, een mystieke eenwording, een hoger inzicht.
Het boeiende aan het westerse denken is nu juist het verschil tussen de werkelijkheid en onszelf. De manier om met dat verschil (dat op een of andere manier overbrugd moet worden) om te gaan is er betekenis aan te geven, zodat het geen desperaat en ongeordend geheel is waar we geen vat op hebben. Betekenis geven, vorm geven aan de werkelijkheid, dat is wat we doen als we bewust in het leven staan. Deze betekenisgeving kan heel bevredigend en creatief zijn. En het voorkomt natuurlijk dat men tegenover een ‘bodemloze leegte’ komt te staan en een aanval van horror vacui krijgt. Betekenis aan de werkelijkheid geven is hard werk, om het in taoïstische termen te zeggen. Maar de uitkomst is dat men de werkelijkheid voor een flink deel zelf maakt, wat er weer toe leidt dat men solide in het leven staat en niet onwetend en zwalkend. De leegte is dan goed gevuld.
Taoïsme. De weg om niet te volgen is de uitwerking van de laatste essays in Wereldvreemdheid, met name het titelessay en ‘Meer licht’. De Martelaere gaat zo nuchter, filosofisch en informatief met deze vreemde materie om dat je je vanzelf gaat interesseren voor wat ze schrijft, maar het blijft wat mij betreft een platonische interesse. Het taoïsme blijft Chinees.
Patricia de Martelaere, Taoïsme. De weg om niet te volgen, Ambo, 175 pagina’s, € 16,95
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.