Pek van Andel maakte MRI-scans van de coïtus, werkte aan een kunsthoornvlies en leverde het bewijs dat de verdachte van de Leidse balpenmoord vrijpleitte. Met dichter Wim Brands schreef hij een boek over serendipiteit.

Vier jaar en tien maanden oud was Pek van Andel toen hij het huis van zijn ouders in brand stak. Het gezin woonde sinds een paar jaar in een eeuwenoud boerderijtje op landgoed De Keizer bij het Overijsselse Boekelo. Kleine Pek had in de zon zitten spelen met lucifers. ‘De vlammetjes vielen weg tegen het felle zonlicht en zo vatte er van alles vlam zonder dat ik het zag.’ Het hooi was net van het land gehaald en de hele boel stond al snel in de hens. ‘Gek genoeg houdt mijn directe herinnering daarna op, maar ik weet wel dat het ouderlijk huis helemaal affikte,’ zegt Van Andel. ‘Mijn ouders hebben mijn rol daarin verzwegen, anders hadden ze geen cent gekregen van de verzekering.’

Wat de brandstichting door een kleuter nu precies te maken heeft met serendipiteit blijft even in de lucht hangen

Foto: Martin Dijkstra
Foto: Martin Dijkstra

 

 

Die boerderijbrand heeft zijn toekomst voor een groot deel bepaald, denkt hij zelf. ‘Te bewijzen valt het niet, maar het is vast aan die traumatische gebeurtenis te wijten dat ik mijn hele leven vier jaar oud ben gebleven.

Advertentie

Advertentie

We zitten in een verlaten kantoorruimte in het pand aan de Amsterdamse Raamgracht waar de redactie van Vrij Nederland de afgelopen zesenzestig jaar was gehuisvest. Precies op het moment dat Van Andel in zijn verhaal de lucifer aanstrijkt, gaat het tl-licht uit. ‘Typisch voor dit hele project,’ verzucht coauteur Wim Brands (55), terwijl we in het donker rondscharrelen. ‘Het was een rare en volstrekt onmogelijke onderneming.’

Wat de brandstichting door een kleuter nu precies te maken heeft met serendipiteit, waarover we het toch zouden hebben, blijft even in de lucht hangen. We tasten in het duister, toevallig net zoals een paar dagen eerder, toen Pek van Andel een workshop gaf op het symposium ‘There’s No App For This’: in een donkere kelder van het Trouwgebouw aan de Amsterdamse Wibautstraat. Zo’n vijfentwintig mensen luisterden bij het schijnsel van een olielamp naar het door acteur Daan Alkemade gedeclameerde Perzische sprookje over de drie prinsen van Sarandib, naamgevers van het begrip serendipiteit.

‘Als het over serendipiteit gaat, is het onderwerp nu eenmaal de baas,’ zegt Wim Brands als we weer licht hebben. ‘Dat was in extreme mate het geval bij het maken van dit boek. Alleen al die dertig motto’s voorin, nog voordat de tekst begint, dat kán eigenlijk niet.’

Het boek moest er absoluut komen, vond Brands. In het dagelijks leven is hij behalve de man van Brands met boeken ook dichter – onlangs verscheen zijn overal met veel ballen bekroonde bundel ’s Middags zwem ik in de Noordzee. ‘Ik hield mijn hart een beetje vast over de recensies, wie weet zouden de poëziecritici mij als televisieman neerknuppelen: denkt die lul zeker dat hij ook nog gedichten kan schrijven.’

Brands zit hier nu als aanstichter van het boek Serendipiteit. De ongezochte vondst. ‘Het is een volstrekt onboek, maar tegelijkertijd het leukste boek waarmee ik ooit te maken heb gehad. Sommige boeken zou je zelf graag willen lezen, maar ze bestaan nog niet. Dat was hiermee het geval. Ik wilde iets maken waarmee alles wat Pek in zijn hoofd heeft, kon worden verzameld tussen twee kaften. Hij weet verschrikkelijk veel, maar zijn geest waait alle kanten op. Dat mag ik toch wel zo zeggen, Pek?’

Van Andel: ‘Ik was bevriend met dichteres Fritzi Harmsen van Beek, die had dat ook. Ik houd daarvan en ik had er totaal geen moeite mee om urenlang naar haar te luisteren.’ Brands: ‘We hebben als titel Ontdekkingslust overwogen, dat woord heeft Fritzi bedacht.’

Foto: Martin Dijkstra
Foto: Martin Dijkstra
Valorisatie
Ontdekkingslust is een woord dat perfect past bij Pek van Andel (70): medisch onderzoeker en journalist, maar voor alles een fanatiek pleitbezorger van serendipiteit, het verschijnsel van de ongezochte vondsten in kunst, wetenschap en techniek. Al zo’n veertig verschillende types serendipiteit heeft Van Andel verzameld, and still counting. Hij is zelf een van de vrijgevochten geesten die het moeten hebben van improvisatie, intuïtie en serendipiteit, zaken waarvoor steeds minder ruimte is. In deze tijd wordt door de politiek vooral de directe maatschappelijke opbrengst van wetenschappelijk onderzoek dik onderstreept – ‘valorisatie’ is het modewoord.
Een paar dagen eerder pleitte William E. Moerner, die op 10 december de Nobelprijs voor de scheikunde ontvangt, ook voor een grotere wetenschappelijke vrijheid. Zijn idee voor het zichtbaar maken van één molecuul, eind jaren tachtig, maakte pas veel later nieuwe supermicroscopen mogelijk.

De Nobelprijswinnaar pleitte ervoor om onderzoekers niet alleen maar geld te geven voor onderzoek met direct maatschappelijk nut. Zijn eigen onderzoek werd door collega’s verworpen als roekeloze tijdverspilling. Het is juist die wetenschappelijke roekeloosheid die voor de meest fantastische, soms heel praktische vondsten zorgt, zeggen Brands en Van Andel. Ze geven een reeks voorbeelden van ontdekkingen waar niet doelbewust naar werd gezocht. Maar serendipiteit heeft volgens Van Andel niets te maken met de excellentie en de valorisatie zoals die bepleit worden door Jet Bussemaker en Sander Dekker.

‘Iedere onderzoeker,’ zei staatssecretaris Dekker onlangs in De Volkskrant, ‘zal zich moeten afvragen wat zijn of haar maatschappelijke rol en verantwoordelijkheid is.’ Nee, zegt Van Andel, zo werkt wetenschap niet. ‘En serendipiteit kan per definitie al helemaal niet worden geprogrammeerd. Schrijver en kernfysicus Jona Oberski zei eens tegen me: “Creativiteit begint waar het organiseerbare ophoudt.” Korter kun je het niet zeggen.’

Het woord serendipity werd gemunt door de Engelse schrijver Horace Walpole in Londen, in 1754. Maar de favoriete definitie van Brands en Van Andel is die van de Amerikaanse socioloog Robert Merton, trouwens ook de bedenker van het begrip selffulfilling prophecy. Van Andel parafraseert: ‘Serendipiteit is het waarnemen van een onverwacht, abnormaal cruciaal gegeven, dat leidt tot een geheel of gedeeltelijk nieuwe theorie.’ En nee, het heeft niets te maken met het modieuze out of the box-denken. ‘Weet je waarom die term zo populair is? Omdat hij de zaak overversimpelt. Bizarriteiten kunnen net zo goed binnen je gezichtsveld opduiken als op de grens ervan en erbuiten.’

Schrijver en kernfysicus Jona Oberski zei eens tegen me: “Creativiteit begint waar het organiseerbare ophoudt.” Korter kun je het niet zeggen.’

Foto: Martin Dijkstra
Foto: Martin Dijkstra
Clandestien

Iets onverwachts en abnormaals waarnemen valt niet te plannen, maar je kunt er wel voor zorgen dat áls er iets onvoorziens gebeurt, de onderzoeker de vrijheid, tijd en kans krijgt en neemt om de verrassende waarneming te duiden. Omdat dat in de praktijk maar zelden het geval is, wordt er volgens Van Andel vaak onderzoek gedaan in het verborgene. ‘Als je op een lab werkt en je legt een idee aan de baas voor, dan is de kans groot dat hij nee zegt, want hij ziet het niet. Er ís ook nog niets te zien. Dus begint veel onderzoek clandestien. Meestal komt er niets van terecht en dan merkt niemand er iets van. En als je wél ergens op stuit, sta je sterk. Dan wordt het clandestiene aspect met de mantel der liefde bedekt. Nescafé, de oploskoffie, is ontwikkeld door een chemicus bij Nestlé die de dienstorder had gekregen te stoppen met dat eindeloze geëxperimenteer. Hij is toen zogenaamd gestopt, maar stiekem doorgegaan. En toen het hem lukte, is hij natuurlijk niet ontslagen.’

Een halfuur eerder zijn Van Andel en Brands met veel kabaal het pand binnengekomen – en dat lag niet aan Brands. ‘Hé, wat ben jij een fraai voorbeeld van een leptosome figuur. Je weet, hè, die types zijn meestal beschouwend, introvert en neigend tot schizofrenie,’ begroette Van Andel luid de toch heus niet dunne en lange verslaggever, nog voordat die tijd heeft gehad om zich te verbazen over de kleine, alle kanten opschietende man die net is binnengekomen. Van de hak op de tak springen is hier echt te zacht uitgedrukt. Als íémand ten strijde moet trekken in dienst van het onverwachte, van de getalenteerde dwarsdenkers, de ontdekkers, de ernaast kijkers, dan is het de man die zojuist een groot rammelend blik uit zijn rugzak heeft gehaald en met veel misbaar op tafel heeft omgekieperd. Er valt een grote hoeveelheid bestek uit, vooral lepels, zo te zien, en nog wat onduidelijke voorwerpen. Het blijkt te gaan om Keltische stenen, rattlebacks, die met hun verbazingwekkende eigenschap – als je ze laat tollen, gaan ze op een gegeven moment de tegengestelde kant op draaien – Van Andels favoriete symbool zijn voor serendipiteit. Verbogen lepels hebben dezelfde eigenschap, zoals hij omstandig laat zien. Wim Brands: ‘Toen het boek af was, heeft Pek spontaan duizend van die Keltische steentjes besteld voor bij het boek. Paniek bij de uitgeverij.’

Het in de scanner doen

Van Andel was experimenteel oogheelkundige, hij heeft nog steeds een nulaanstelling bij de Rijksuniversiteit Groningen. Hij ontwikkelde aan die universiteit een kunstmatig hoornvlies, waarvoor hij de hulp inriep van het Philips NatLab. ‘Ze maakten daar lensjes voor cd-spelers en die machines zou je in het weekend prima kunnen gebruiken om kunsthoornvliezen te spuitgieten. Die NatLabbers zeiden: “Natuurlijk, dat gaan we proberen.” Ook een vorm van clandestiniteit, eigenlijk. Zelfs op het NatLab heb je wit, zwart en grijs onderzoek. Wit is wat op papier gebeurt en ook echt gebeurt, grijs is met de franje erbij en zwart is clandestien.’

Hij werd internationaal befaamd doordat hij de Ig-Nobelprijs voor medicijnen won. ‘Ik maakte als eerste een MRI-scan van de coïtus. Eerst vroeg ik het aan mijn vrouw, maar zij wilde niet, vanwege een lichte vorm van claustrofobie. Dus heb ik vrienden gevraagd om het in die scanner te doen. Maar voor we die scan konden publiceren, waren we negen jaar verder, iedereen ging dwarsliggen.’

Op eigen initiatief deed Van Andel experimenteel onderzoek naar de balpenmoord in Leiden. Volgens de officier van Justitie had de zoon met een kruisboog zijn moeder met een Bicpen in haar oog geschoten. ‘Ik schoot zo’n balpen met een kruisboog in een oog van een snijzaalcadaver en toen begaf de pen het. Terwijl de pen die in het slachtoffer was aangetroffen intact was. Zo bewees ik proefondervindelijk maar onbedoeld dat de zoon, die was veroordeeld tot twaalf jaar cel, zijn moeder niet had beschoten. En daardoor kwam die jongen vrij. Duidelijk een ongezochte vondst, want ik onderzocht of je zo überhaupt iemand kon doodschieten, niet of de pen heel zou blijven.’

Coitus serendipitusCoitus serendipitus
Stoomboot

Serendipiteit, het vinden van het ongezochte, is steeds moeilijker in deze door de algoritmen van het internet en door het streven naar controleerbaarheid en naar maatschappelijk nut beheerste tijden. Tot zover min of meer duidelijk. Maar wat is het verband met die boerderij die kleine Pek in de hens stak?

Om daar achter te komen, valt Wim Brands even terug in de regulerende rol die hij tijdens het intensieve productieproces speelde. Minstens vier keer dreigde hij het bijltje erbij neer te gooien, vertelt hij. ‘In mijn laatste mail schreef ik dat ik me ongeveer net zo voelde als Werner Herzog bij het maken van Fitzcarraldo.Die had bedacht dat voor de film een stoomboot over een gebergte moest worden getrokken. En Pek antwoordde me simpelweg: “Prima, maar dan moet het wel een schip van eikenhout zijn.” Snap je een beetje hoe lastig die samenwerking was?’ En daarna, streng: ‘Pek, we willen nu iets horen over het verband tussen die brand en serendipiteit.’
Van Andel: ‘Ik ben achteraf dolblij dat ik die boerderij in de fik heb gestoken, anders was ik hier nooit mee bezig geweest.’
Brands: ‘Waarom is die brandstichting nu de bron van je fascinatie voor serendipiteit?’
Pek: ‘Nou, dat is nogal simpel… Als je zo jong al met de stochastische kant van het menselijk handelen wordt geconfronteerd, met het onvoorziene, het lot, dan denk je: godallemachtig zeg, kan zo’n kleine oorzaak zulke grote gevolgen hebben?’

De grote invloed van de brand op zijn denken realiseerde Van Andel zich voor het eerst toen hij vergeefs pleitte voor onderzoek naar de rol van de ontbrandende lucifer bij het ontstaan van longkanker. ‘Ik kon me voorstellen dat dan allerlei carcinogene stoffen vrijkomen. Later realiseerde ik me pas dat ik via een omweg bezig was de lucifer de schuld te geven van het feit dat de boerderij in de fik ging.’

Brands: ‘Had je het erover met je ouders?’
Van Andel: ‘Toen ik mijn vermoeden hardop durfde uitspreken, zei mijn inmiddels overleden broer Noki – die veel slimmer was dan ik, hij was hoofd Corporate Research bij AkzoNobel: “O, was jíj dat?” Ik heb het pas aan mijn vader durven vragen toen ik al zo goed als zeker wist dat het mijn schuld was geweest.’

Vader Noor van Andel, die 101 jaar oud is geworden, was ingenieur en ondernemer en vond in de jaren dertig in het Shell-laboratorium in Amsterdam-Noord Teepol uit, de eerste synthetische zeep. Hij woonde tot zijn dood in een soort schuur, maar dan wel met kunst van De Stijl-kunstenaar Bart van der Leck aan de muur. ‘Op mijn oververhitte vraag antwoordde mijn vader koeltjes: “Ach, zoiets gebeurt gewoon.” Zoals hij ook “Ach, dat deed je gewoon” antwoordde toen mijn zoon vroeg waarom hij onderduikers had verborgen.’

De kinderen Van Andel werden in alle vrijheid opgevoed en leerden dat knutselen net zo belangrijk is als nadenken. ‘Kinderen moeten op school niet stomweg trainen voor toetsen, maar leren denken met hun handen. Leren prutsen. Als ik een tussenuur had op het gymnasium ging ik bij een sloperij op een hoop oud ijzer zitten en haalde ik een motor uit elkaar. Heerlijk in de zon, met zo’n aluminium carburateur, kijken hoeveel gaatjes er in de pakking zaten. Toen ik eindexamen deed, had ik 25 tweetakten in de schuur liggen. Als kind moet je leren exploreren, letterlijk is dat schreeuwen bij de jacht, in de hoop dat er iets wegrent of opvliegt. Overdrachtelijke betekent het dat je kijkt of er onontgonnen terreinen zijn waar wat te halen valt. Dat gedrag, spelen met Meccano of technisch Lego, moet je bij kinderen versterken.’

Moeder Hilde Brückmann was de echte vrije creatieveling in het gezin. ‘Zij was de kleindochter van kunstverzamelaar en mecenas Hélène Kröller-Müller en ze was zelf een meer dan verdienstelijk beeldhouwster. Mijn vader was een rigoureuze rationalist, net als ikzelf en Noki. Serendipiteit is ook een volstrekt rationeel onderwerp, er zit geen enkele hocus pocus aan. Niks irrationeels. Maar het soort mensen dat houdt van Jung en synchroniciteit gaat er helaas wel mee op de loop.’

Post-it

Dat wil niet zeggen dat serendipiteit alleen in de harde bètawetenschappen voorkomt, zegt Van Andel. ‘Dat onderscheid tussen bèta en gamma is sowieso onzin.’ Weliswaar gaat het in het ABC van serendipiteit vooral over even toevallige als praktische ontdekkingen als die van de Enkamat – ‘voor al uw dijken en voetbalvelden’, van de besmettingswijze van vlektyfus, van lithium als middel tegen manie. Niet te vergeten over de gele Post-its, door Arthur Fry van 3M bedacht omdat hij de pagina’s van het koorboek van zijn kerkkoor wilde markeren en toen toevallig moest denken aan een soort lijm die eerder door een collega was verworpen omdat die niet permanent plakte. En natuurlijk over de serendipiteuze ontdekking van Wilhelm Röntgen, die zijn ‘nieuwe soort van stralen’ x-stralen noemde, met x als symbool van het onbekende, geïntroduceerd door de Arabieren die er de bij ons niet bestaande letter ش voor gebruikten.

Maar in het boek staan ook voorbeelden van serendipiteit bij Picasso en een ongezochte vondst van Wassily Kandinsky, die in 1910 aan de basis lag van de opkomst van de abstracte kunst. Kandinsky kwam op een dag zijn atelier binnen en zag opeens een ‘ongelooflijk mooi, met een innerlijk gloeien doordrenkt schilderij met niets dan vormen en kleuren’. Het bleek een van zijn eigen schilderijen dat hij op zijn kant had weggezet, vertelt Van Andel. ‘Hij begreep daaruit dat het mogelijk en zelfs wenselijk was om als schilder te abstraheren van herkenbare voorwerpen. Ik noem dat creatieve abductie, een van de vormen van serendipiteit: van een verrassend feit ga je naar een mogelijke nieuwe regel.’

In zijn poëzie spelen ongezochte vondsten ook een rol, zegt Wim Brands. Een van zijn nieuwe gedichten opent met de woorden: ‘Wees blij met wat er fout gaat’ en beschrijft hoe een zetfout (‘poets’ werd ‘ports’) het gedicht ‘Journey to Iceland’ van W.H. Auden onherstelbaar verbeterde. ‘In mijn eigen werk ken ik het ook. Ik schrijf soms gedichten voor uitvaarten van mensen die eenzaam overlijden. Over Jan Willemse wist ik alleen dat hij een telefoonklappertje had met drie nummers, van zijn dochter en van zijn schoonzoon, die allebei niet op de begrafenis wilden komen. Ik zat een beetje met mijn oude telefoon te spelen, ooit gekocht op het Waterlooplein, en zie dat daaronder ook een telefoonlijstje zit met drie nummers: een arts, een alarmnummer en een naamloos nummer. Door die ongezochte vondst denk ik: oké, daar ga ik het in dit gedicht over hebben.’

Van Andel: ‘Wim begrijpt als prutser met woorden waarmee ik bezig ben. Dankzij hem is dit boek er gekomen.’
Brands: ‘Het is mooi dat het hier nu ligt. Maar nu moet je er nog je grote standaardwerk achteraan schrijven.’

Pek van Andel: ‘Empirische filosofie is in de mode, dus ik heb hoge verwachtingen. Maar waar het aan ontbreekt en waar ik zeer op hoop, is een promotor die aan mij gewaagd is. Een soort professorale versie van Wim Brands.’

Wim Brands: ‘Dat lijkt me de perfecte slotzin. “Met spoed gezocht: promotor die Pek aankan”.’