Tip: lees voor het lezen van deze brief eerst Grunbergs reportage vanuit Santa Fe.
1. U wilt weten hoe u goed moet leven om andere mensen te vertellen hoe zij moeten leven, want wat is het goede als het niet algemeen is? Als het voor iedereen iets anders zou zijn, zou het ons al snel licht in het hoofd worden. De mogelijkheden maken ons duizelig. Kafka zei in een gesprek met Gustav Janouch dat het verlangen naar het goddelijke gepaard gaat met ontzag voor heiligschennis. Zo gaat het verlangen naar goed leven gepaard met ontzag voor het leven dat schaamteloos slecht is. De goede mens heeft niets zozeer nodig als de slechte, men is altijd goed in vergelijking met. Probeer elk even jaar in de morele zin van het woord net iets beter te zijn dan de buurman en laat de buurman elk oneven jaar net iets beter zijn dan u.
Wie kan er iets op tegen hebben als mensen als tweebenige paarden door straten en parken draven?
2. U wenst de regels van het succes te kennen, u verlangt ernaar de hopeloosheid altijd een stap voor te zijn, u bestrijdt het verval met alcohol en vitaminetabletten, met hoestbonbons en verzorgende crème, u draaft door straten en parken, u huurt een personal trainer, u geeft uw halve vermogen uit aan de strijd tegen de ondergang en nu hoopt u dat de goeroe zegt: ‘Doe het niet.’ Of: ‘Doe het niet zo, maar doe het zo.’ Ik zeg alleen: ‘Prima. Ga zo door.’ Wie kan er iets op tegen hebben als mensen als tweebenige paarden door straten en parken draven?
3. Een jonge vrouw kwam naar me toe, ze zei: ‘Ik heb de moraal van mijn vader twaalf jaar veracht, maar nu zie ik dat die moraal sterker is dan mijn afkeer, zij heeft bezit van mij genomen. Ik hou van twee personen, de een weet niet van de ander. Ik ben schuldig, ik wil alles vertellen. Ik doe die mensen pijn. Dat mag niet van de moraal van mijn vader.’
‘Denk aan Dulcinea in Don Quichot,’ antwoordde ik. ‘Zij zegt dat zij niet verantwoordelijk kan worden gesteld voor het vuur dat zij heeft doen ontbranden.’ De jonge vrouw was niet overtuigd. Ik zei: ‘Als de moraal van je vader sterker is dan je afkeer, omarm de moraal.’
Ook u hebt twee keuzes, u kunt de moraal verwerpen of omarmen, maar als u niet volledig wenst te worden uitgestoten, zou ik op zijn minst doen alsof u de moraal van de vader omarmt. O, die mengeling van moralisme en sentiment die wij goedheid noemen. O, die mengeling van verlangen naar erkenning en hulpeloosheid die wij idealisme noemen. O, die mengeling van vlees en botten die wij heiligen noemen. De menselijke goedheid schreeuwt van de daken, daarom gaan wij even luisteren naar de stille goedheid van het gras.
Kijk met dezelfde eerbied naar het schone als naar de dode. Huilen kunt u op het toilet.
4. En het schone? Ja, het schone dat ons verzoent met dit leven en ons uiteindelijk ook dient te verzoenen met het niet meer leven, waar vinden wij het schone?
Waar u wilt. In de tennisbal en boven op de videoinstallatie, op het strand en in de kantoortuin. Overal wordt het schone voor u verzameld en tentoongespreid. Kijk met dezelfde eerbied naar het schone als naar de dode. Huilen kunt u op het toilet. Maak een kind en noem het het schone. Wij verminkten, wij uitbehandelden, wij die ten dode zijn opgeschreven, wij kunnen alles mooi vinden. Met een beetje goede wil. Mooi zijn de gordijnen, mooi zijn de voeten, mooi is de ruïne. Goed zijn de gordijnen, goed zijn de voeten, goed is de ruïne.
5. Nu moet ik eindelijk spreken over straf, want de mens die wil weten hoe te leven wil eerst en vooral weten: en wat is de straf als ik niet goed leef? Ik zeg u: er is geen straf, dát is de straf. De straf is dat u uzelf moet straffen. Pak de zweep stevig vast voordat u aan zelfreflectie begint.
6. ‘Ik wilde zien en het geziene vasthouden. Dat is mijn hartstocht,’ zegt Kafka tegen Janouch. Alle hartstocht is de wil om het geziene vast te houden. Alle religie is de wil om het ongeziene vast te houden. Soms gaat hartstocht ongemerkt over in religie.
Wie mag u vasthouden, door wie wilt u worden vastgehouden? Door wie mag u niet worden vastgehouden maar zou u wel willen worden vastgehouden? Wie dat weet, weet veel. En wie mag u haten? Eerst zien, dan haten, dat is de volgorde. Maar wel echt zien.
De sterveling is een smekeling. Zolang u smeekt, leeft u.
7. Wie kunt u smeken om een gunst? De moraal van de vader is springlevend, maar stokdoof. Arme moraal. De voorwerpen zullen bezield zijn. Vraag de voorwerpen of ze u gunsten verlenen. Vraag de schoonheid of zij u een gunst verleent. Vraag de doden of zij voor u willen pleiten. De sterveling is een smekeling. Zolang u smeekt, leeft u.
8. De laatste woorden gaan over waardigheid. Waar is de waardigheid? Zij is van het toneel gegaan in de derde akte. Wuif haar uit, roep haar na, zing een loflied op haar tere gestel. Nu gaan we verder zonder waardigheid. Met de moed der wanhoop verzamelen we onze onwaardige kinderen, onze onwaardige levens en zo trekken we verder. Is het hoogmoed dat de mens zijn sterfelijkheid voor eeuwigheid aanziet? Welnee. De hoogmoed is het grootste medicijn.
9. Wat is er allemaal geschonden? Alles. De graven, ook die. Als het invriezen ons niet onsterfelijk maakt, zullen er andere technieken volgen. U opent de deur van uw lichaam voor God of voor een andere sterveling. De sensatie van het in leven zijn? Eros. Maak een foto van de sensatie, want voor je het weet is de sensatie in het kasboek van goed en kwaad terechtgekomen. De slaap zal komen en als die niet komt, komt de slapeloosheid. Tussen slaap en slapeloosheid woont ook u, mythisch, dravend, tweebenig wezen. Overschrijd de grens met twee grote tenen om het ongeziene even vast te kunnen houden.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.