In de jaren tussen de twee wereldoorlogen dook elke paar jaar wel een nieuwe schrijver of literaire stroming op, waarover flink werd gepolemiseerd. Mathijs Sanders onderzocht deze affaires. Had hij het daar maar bij gelaten.
Met het verschijnen van De regels van de kunst, de Nederlandse vertaling van Pierre Bourdieus Les règles de l’art, génèse et structure du champ littéraire uit 1992 werd het bestuderen van de literatuur een tijdje ongelukkig verrijkt met een nieuwe taal vol economisch en financieel angehauchte terminologie. Bourdieu had het over de wereld van de literatuur als het ‘literaire veld.’ Dat zou bestaan uit ‘actoren die in uiteenlopende handelingsrollen streven naar het optimaliseren van hun veldpositie en het maximaliseren van hun symbolische kapitaal.’ Zeg maar dat schrijvers alleen maar bezig zijn met het verhogen van hun waarde op de literaire beurs en zich daarvoor de hele dag de rol van wethouder Hekking aannemen. Maar in de studie van de literatuur doken daarna zo vaak begrippen als ‘cultureel kapitaal’ en ‘symbolisch kapitaal’ op dat de academische onderzoekers er zelf na een tijdje genoeg van kregen. Dit was toch niet hun habitat.
Wie de afzonderlijke hoofdstukken in Europese papieren leest, het boek van Mathijs Sanders over het ‘intellectueel grensverkeer tijdens het interbellum’, zou niet denken dat Pierre Bourdieus opvattingen ooit een onderdeel zijn geweest van het vocabularium van de literatuur- en cultuurgeschiedenis. Daarin is hij niet te vinden. Wanneer Sanders het heeft over Albert Verwey en diens oriëntatie op de Europese poëzie en speciaal die van Stefan George, komt daar geen jargon of vreemde terminologie aan te pas. En toch wordt duidelijk dat Verwey (1865-1937), wanneer hij zijn bloemlezing Poëzie in Europa (1920) samenstelt, louter gedichten uit het vroege werk van George opneemt en daarmee te kennen geeft dat hij zich niet erg aangesproken voelt door de George die zich steeds meer als profeet opwerpt. Verwey distantieert zich in 1914 van Georges chauvinistische oorlogsenthousiasme en de daarmee gepaarde gaande regeneratie-mythen. Hij oriënteert zich, anders dan George, op Europa en vindt dat kunst en poëzie internationaal moeten zijn ‘of niet zijn’. George heeft de ‘dichterlijke gemeenschap een sektarisch karakter opgedrongen, tot schade van hare en eigen poëtische vruchtbaarheid’, schrijft Verwey in een brief aan P.N. van Eyk. Dit zijn verhelderende en onderscheidende observaties die geen indrukwekkende theorie van node hebben.
In de zes korte studies in Europese papieren over Verwey en de Europese poëzie, het ontstaan van het Genootschap Nederland-Frankrijk, Jacques Maritain en de katholieke reconstructie, André Gide en de polarisatie in de kritiek, de ontvangst van Céline’s Reis naar het einde van de nacht en Menno ter Braaks lectuur van de Amerikaanse criticus H. L. Mencken, gaat Sanders op deze vrij natuurlijke manier te werk. Zelf noemt hij dat in een soort nawoord deftig ‘pragmatische inductie’, dat wil zeggen dat hij eenvoudig het werk van de bijzondere dichter, vertaler en literator Albert Verwey heeft gelezen en bestudeerd, speciaal in verband met zijn vriendschap en lectuur van de Duitse dichter Stefan George.
Dit gegoochel met begrippen is gedoemd tot zelfverdwijnende overbodigheid.
Sanders distantieert zich in dat nawoord van wat hij met de Amerikaanse socioloog Howard Becker ‘heavy theorizing’ noemt. Verrassend daarom dat hij zelf toch weer met theoretische begrippen voor de dag komt die eerder verwarrend dan verhelderend zijn. Wanneer hij het gedachtegoed van een bepaalde literaire stroming bestudeert zegt hij op zoek te gaan naar hun ‘repertoire’. Repertoire wordt meestal gebruikt als het om toneel gaat: als de verzameling stukken die een gezelschap pleegt te spelen. Bij Sanders betekent repertoire ‘de mentale uitrusting van woordvoerders in een systeem’. Om het woord repertoire in die zin te kunnen gebruiken moet je eerst de voor de hand liggende toneel-betekenis wegdrukken. Dat is lastig, waar het veel makkelijker is om van ‘literaire en wereldbeschouwelijke ideeën van een stroming’ te spreken. Temeer omdat dit soort literatuurgeschiedenis als een onderdeel van de ideeëngeschiedenis gezien kan worden. Het gebruik van het woord ‘systeem’ (een woord uit de wereld van de organisatiekunde en door Bourdieu geadopteerd) getuigt ook niet van veel literaire finesse.
Sanders’ nawoord verwordt helemaal tot een theoretisch schaamlapje wanneer hij, naast ‘repertoire’, nog een ander begrip introduceert waarmee hij zegt zijn onderwerpen te hebben onderzocht: ‘model’. Dat is zo’n algemeen woord dat je het eigenlijk niet meer op een specifieke manier kunt gebruiken. Sanders verstaat er (op gezag van anderen) een al dan niet bewuste ‘denkstijl’ onder, zoals ‘de Europese cultuur’. Het begrip denkstijl lijkt mij goed genoeg, daar heb je ‘model’ niet meer voor nodig. Voor Sanders c.s. moet ‘model’ ook nog als een ’cognitief frame’ gezien worden, een frame ‘dat de waarneming van (nieuwe) feiten en gebeurtenissen inkadert en stuurt.’ Door ‘model’ ook als een ‘frame’ te willen gebruiken wordt het model geen model meer. Dan is het model af. Een model is een afgerond geheel (bijna een mal), daar valt niets meer aan toe te voegen, het is wat het is: een model, zeker als het om een schrijver en zijn oeuvre gaat. Dit gegoochel met begrippen is gedoemd tot zelfverdwijnende overbodigheid.

Dat Sanders in het laatste hoofdstuk dit theoretische schaamlapje aan het breien is blijkt helemaal niet uit de afzonderlijke essays waar het eigenlijk om draait. Daarin gaat hij te werk zoals men verwacht van iemand die zich de opdracht heeft gegeven om eens na te gaan hoe het komt dat Menno ter Braak zich interesseerde voor de Amerikaanse criticus H.L .Mencken. Ter Braak moest in de jaren twintig namelijk weinig hebben van de Amerikaanse cultuur (hij schreef toen het essay ‘Waarom ik Amerika afwijs’). Waarom zou hij zich dan op Mencken richten? Omdat Mencken in zijn tijdschrift The American Mercury net zoveel kritiek op Amerika had als hij, met name op de smaakloze burgerlijke middenklasse, door hem de booboisie genoemd.
En omdat hij dezelfde ideeën over literaire kritiek had. In het ontwerp voor de inleiding voor het eerste nummer van Forum verwijst hij naar het boek Criticism in America uit 1924, waarin Mencken vertegenwoordigd is met een essay waarin hij zich afzet tegen het genre van de ‘opbouwende kritiek’, alsof in de literatuur gebouwd zou kunnen worden aan een huis waarin het uiteindelijk om de waarheid zou gaan. Er bestaan voor Mencken geen waarheden in de kunst. Zo dacht Ter Braak er ook over.
Bovendien zette Mencken zich polemisch af tegen het estheticisme (Ter Braak in Démasque der schoonheid) en tegen de Amerikaanse versie van het humanitarisme vertegenwoordigd door Irving Babbitt (waarvoor in Nederland Dirk Coster en Just Havelaar model (!) stonden). En Mencken introduceerde Nietzsche in Amerika, wat ook niet tegen hem pleitte, en was de auteur van de zes delen veelal polemische essays met de pesterige titel Prejudices. ‘De ware criticus moest durven oordelen en tegelijkertijd moest hij op ieder moment de betrekkelijkheid van zijn oordeel onder ogen zien’, vat Sanders Menckens instelling samen. Die sloot aan op het paradoxale van de polemist en relativist Ter Braak.
Mencken introduceerde Nietzsche in Amerika, wat ook niet tegen hem pleitte.
Niet minder interessant zijn de hoofdstukken over de plaats van André Gide in de literaire smaak in Nederland (met vooral Du Perron als pleitbezorger) en over de ontvangst van de Nederlandse vertaling van Voyage au bout de la nuit van Louis-Ferdinand Céline in 1934. Dat was een ongewone gebeurtenis omdat er wel vertalingen van Franse literatuur werden uitgegeven, maar die behoorden meestal tot de ongevaarlijke soort literatuur, zoals het werk van André Maurois, of de onverwoestbare klassiekers van Balzac of Dumas. Het was al bijzonder dat een uitgever bereid was de vertaler, Joop Sandfort, passend te betalen (een gulden per pagina, van de zeshonderd).
Du Perron zag Céline meteen als ‘een van de machtigste temperamenten’ in de literatuur, al gaf hij de voorkeur aan André Malraux. Céline had ‘de kracht van overtuiging’, maar miste zijn doel door een ‘breed uitgemeten platvloersheid.’ Reis naar het einde van de nacht confronteerde Du Perron, schrijft Sanders, ‘met een sadistisch universum waarin het onafhankelijk denken van een intellectuele elite als illusie werd ontmaskerd.’ Vooral boeiend is te zien hoe fel de literaire ‘zuilen’ te keer gingen tegen Céline. Het recensietijdschrift Boekenschouw noemde deze ‘gore levensbiecht van een geperverteerde’ een ‘beleediging voor God en de menschen’. De literatuurhistoricus Gerard Knuvelder vond het een mooi uitgegeven boek, ‘Alleen: Katholieken mogen deze smeerlapperij niet lezen.’ Hij raadt aan het als wc-papier te gebruiken, ‘op de plaats waar dergelijk papier behoort.’
Er valt, kortom, in de essays van Europese papieren zelf nauwelijks een onvertogen theoretisch woord. In plaats daarvan kom je veel te weten over de smaak en de verschillende obsessies en ideeën over literatuur tussen de twee wereldoorlogen. Wanneer Sanders het over die onzalige begrippen ‘repertoire’ en ‘model’ heeft noemt hij enkele namen die hem hebben gesouffleerd. Maar een betere inspiratie lijkt mij Stephen Greenblatt, die hij ook een enkele keer noemt. Greenblatt is de schrijver van De zwenking, het boek waarin hij het verhaal vertelt over de ontdekking rond 1400 van het manuscript van Over de natuur der dingen van Lucretius. Met die ontdekking begon de moderne wereld. Dit is literaire en culturele geschiedschrijving waar je vooral een goede neus en onderscheidingsvermogen voor nodig hebt.
Mathijs Sanders, Europese papieren. Intellectueel grensverkeer tijdens het interbellum, Vantilt
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.