Als iemand mij van tevoren had verteld dat ik in Foon ruim driehonderd pagina’s onafgebroken zou moeten doorbrengen in het hoofd van een oude vrouw die met haar nog oudere, dementerende man in een geïsoleerd bos huist, zou ik bepaald niet direct warmgelopen zijn. In de geest gegijzeld zitten van een oude die zich vlokkerig van alles kriskras dooreen herinnert, kan van het lezen net zo’n ploegend karwei maken als je wéér moeten zetten aan een boek van een schrijver over het schrijven zelf.

De wereld blijft tenslotte groot door de nog te lezen boeken en waarom een al zo vaak betreden pad nog eens inslaan? Maar. Wist ik dat Marente de Moor (1972) de schrijver is van Foon, dan had ik mij niet zo blasé gedragen: doordat de eigenlijke ‘actie’ bij haar plaatsvindt in het schrijven, in haar stijl, verteltrant, in het ritme van de zinnen, haar verbeelding, in de raillerende wendingen in de dialogen en monologen.

Je hoort schrijvers vaak zeggen dat het schrijven zo’n ongekend avontuur voor ze is – fijn voor ze. Maar waar het om gaat is dat zo’n boek voor de lezer een avontuur oplevert, en dat doet Foon.

De zoon komt nog langs af en toe, met zijn smartphone, wodka en verhalen over ufo’s.

Berenwelpen

Het verhaal: het zoölogenechtpaar Lev en Nadja huist in een voorwereldlijk Russisch woud, waar ze zich jaren geleden in hebben begraven. De wereld lijkt ze te zijn vergeten, tot er een astronomisch hoge rekening van het elektriciteitsbedrijf komt. We lezen over de liefde die Nadja ooit voor haar harige, oudere docent Lev opvatte tijdens een excursie in de wildernis, ver weg van de communistische werkelijkheid. We komen te weten dat ze twee kinderen hebben voortgebracht, een jongen en een meisje – met de laatste is ‘iets’ gebeurd.

De zoon komt nog af en toe langs, met zijn smartphone, wodka en verhalen over ufo’s. We lezen over ontmoetingen met andere zonderlingen onder wie ‘de Zogenaamde Pope’, soms alweer lang geleden.  We lezen over berenwelpen die Nadja daar heeft opgevoed. We krijgen door dat zich iets verschrikkelijks heeft afgespeeld in dat bos. Suggesties van geheimenissen alom.

foon

Oerwereld

Knap is hoe De Moor direct het belang toont van die oerwereld waarin die twee overleven. De dieren observeren hen, in plaats van andersom, zien we in het weerkaatste perspectief via Nadja. Het is een wereld die nu toebehoort aan de Russische Federatie, maar daar merken ze weinig van. Het verhaal van Nadja en Lev speelt tegen de achtergrond van de laatste halve eeuw in Rusland, maar die valt in het niet bij die oeroude wereld rondom hen.

Zoveel verschil is er in feite niet tussen de wereld van het woud waar de natuurwetten gelden en de wereld daarbuiten: die van Rusland als land zonder geheugen, doordat de geschiedenis steeds aangepast wordt aan het heden, via een ander verhaal. ‘Zolang Rusland een geschiedenis kent, verdraaien we haar. We zwemmen over de waarheid, linksom, rechtsom en pikken haar de ogen uit. Waarom zou je je nog zorgen maken over de toekomst, zeggen we dan, in dit land waar je morgen niet eens weet wat voor verleden we hadden.’

Op een bepaalde manier is het ironisch dat Lev met zijn door dementie haperende geheugen leeft in het land van de geschiedvervalsing. Extra gewicht krijgt daardoor zijn aard: die van de wetenschapper die hij levenslang was en tot in zijn haarvaten is gebleven. Geconfronteerd met het onverklaarbare, probeert hij eerst een verklaring te vinden en als dat niet lukt, wordt hij afgrondelijk bang.

Marente de Moor, schrijver van Foon. Foto: Allard de Witte / Hollandse Hoogte
Grote Geluiden

Het mysterie in Foon wordt ‘de Grote Geluiden’ genoemd. Vanuit het niets, plotseling, weerklinken die: ‘Zo hard klonk het nog nooit. De eerste toon, traag en kolossaal, sleept zich van oost naar west door het luchtruim. Alsof God met de meubels schuift. Dan valt er een stilte, die, dat weet ik nu al, niet lang zal duren. Er bouwt zich iets op om aan te zwellen.’

‘Als je ouder wordt volg je de foon niet meer, omdat ze wordt overstemd door het gejengel van alledag.’

‘Een register lager nu, snelt een roestige jank over onze hoofden. Het doet geen pijn aan je oren, want het is nergens in het bijzonder op gericht. Het is eenvoudigweg overal. Als het voorbij is zullen we het niet kunnen nadoen, niet met onze stemmen en niet fluitend, we zullen het niet eens kunnen omschrijven. We zullen denken dat we het ons hebben verbeeld.’

Ultrasonisch, constateert Lev, maar daarmee zijn die geluiden niet verklaard. Nadja omschrijft ze zo: ‘Het lijkt een beetje op de fluittonen die elektrische locomotieven maken als ze zich in beweging zetten op besneeuwde rails. Maar met magnetische velden of aanloopstromen heeft dit niets te maken. Zo klinken onze dingen nou eenmaal, melancholischer dan in welk land dan ook, omdat we over rails beschikken waar geen einde aan komt en een winter die van geen wijken weet en nog zo wat omstandigheden waarvan je gaat janken en roesten. Misschien is het in gang gezet door de tijd, die niet langer stil wilde staan.’

God die met de meubels schuift. De tijd die niet langer stil wil staan. Aan die meer religieuze en filosofische verklaringen voegt Nadja er nog een toe, via een verhaal dat haar vader haar als kind vertelde: ‘Wat jij nog hoort, en wij allang niet meer, is de foon. Het is de achtergrondruis van het leven. De hele geschiedenis zit erin, van het liefste lied tot de angstigste schreeuw, maar wees niet bang.

Mensen die bang zijn voor geluiden zijn bang voor hun verbeelding. Ze sluiten hun geestesoog en roepen heel hard: het is niet echt! Maar de verbeelding bestaat, Nadja, niet alleen in ons hoofd. Het is een natuurverschijnsel als alle andere en beweegt zich over de foon als een trein op de rails.’ Hij waarschuwt haar: ‘Als je ouder wordt volg je de foon niet meer, omdat ze wordt overstemd door het gejengel van alledag.’ Houd het privé, maant hij haar. De wereld heeft het niet op met een rijke verbeelding.

Onverklaarbaar

En ja, in hoe Lev reageert op het onverklaarbare, zie je dat terug. Zijn verwardheid en angsten zijn groter geworden door de geluiden uit het zwerk, en hij neemt de benen. Dat hij die geluiden sowieso hoorde, denk ik, komt vermoedelijk door zijn hernieuwde, ontvankelijke kinderlijke staat, vanwege het dementeren. Want nabijgelegen soldaten blijken de Grote Geluiden niet gehoord te hebben. Voor de ‘heks’ en voormalig paleontologe Nadja ligt dat anders. In het uur van het besef van haar nabije dood, waarbij ze de ‘Grote Machinist op de Locomotief der Geschiedenis’ aanroept in dat bos dat ruikt naar het pleistoceen, bedenkt ze dat God best een mammoet kan zijn.

In deze tijd waarin de literatuur gedomineerd wordt door het verklaarbare, is het een weldaad een eenzame stem een raadsel wonderschoon te horen bezingen.

Met Foon is Marente de Moor verder gegaan in haar oeuvrematige verkenning van de wereld via de zintuigen. Na de smaak en de geur is dat nu zoiets ongrijpbaars als een klank. Het best benadert ze die onverklaarbare grootheid in haar stijl en verteltrant, die dat raadsel in deze onttoverde wereld iconisch weerspiegelen door een stroom van magische verhalen die zich aan de realiteit onttrekken.

Zoiets als de dood bestaat niet als je er een verhaal van maakt, ervaart Nadja. Zo bezien leest Foon als een bezwerend, warm pleidooi voor de verbeelding. Warm? Ja, in deze tijd waarin de literatuur gedomineerd wordt door het verklaarbare, is het een weldaad een eenzame stem een raadsel wonderschoon te horen bezingen, dat ook nog prettig onoplosbaar is.

Foon van Marente de Moor is 11 september verschenen bij Uitgeverij Querido (20,-, 320 pagina’s, paperback). Benieuwd? Bestel Foon hier.