Als iemand mij van tevoren had verteld dat ik in Foon ruim driehonderd pagina’s onafgebroken zou moeten doorbrengen in het hoofd van een oude vrouw die met haar nog oudere, dementerende man in een geïsoleerd bos huist, zou ik bepaald niet direct warmgelopen zijn. In de geest gegijzeld zitten van een oude die zich vlokkerig van alles kriskras dooreen herinnert, kan van het lezen net zo’n ploegend karwei maken als je wéér moeten zetten aan een boek van een schrijver over het schrijven zelf.

De wereld blijft tenslotte groot door de nog te lezen boeken en waarom een al zo vaak betreden pad nog eens inslaan? Maar. Wist ik dat Marente de Moor (1972) de schrijver is van Foon, dan had ik mij niet zo blasé gedragen: doordat de eigenlijke ‘actie’ bij haar plaatsvindt in het schrijven, in haar stijl, verteltrant, in het ritme van de zinnen, haar verbeelding, in de raillerende wendingen in de dialogen en monologen.

Je hoort schrijvers vaak zeggen dat het schrijven zo’n...