In het dertiende deel van de correspondentie van Erasmus (1469-1536) over het jaar 1527, is hij nog steeds de spil in het web van de Europese literatuur en religie. ‘De prins der letteren’ heeft minstens zoveel vijanden als vrienden.

Wanneer Johan Huizinga probeert het ‘levensideaal’ van Erasmus met een paar woorden te typeren komt er iets heel vreemds uit: ‘sereniteit en harmonie’ zou Erasmus ‘als een schone droom voor ogen’ hebben gestaan, verbeeld in de ‘stille, blijde en toch ernstige conversatie van goede en wijze vrienden in de koelte van een huis onder de bomen.’ Huizinga gaat zelfs zo ver om dit levensideaal van Erasmus gelijk te stellen met alles waar de Renaissance voor stond: ‘Die ganse eeuw haakt naar de vervulling van eenvoud, oprechtheid, waarheid en natuur.’ In het werk van Erasmus zou dat levensideaal steeds terugkeren in de vorm van ‘een vriendschappelijke wandeling, gevolgd door een maaltijd in een buitenhuis.’

Het wonderlijke van een levenideaal teruggebracht tot één arcadisch beeld is dat een kind kan zien dat het niets met de werkelijkheid te maken heeft. Die stille, ernstige conversatie onder de koelte van bomen is niet meer dan een stil ogenblik in een aaneenschakeling van onrustige, drukke, volle dagen. Alleen een onnozele of een tandeloze ‘levengenieter’ kan die stilte als zijn ideaal beschouwen: het onzalig nietsdoen. Iemand anders verschrompelt geestelijk. Die stille, ernstige conversatie is nooit iets op zichzelf, is alleen mogelijk als iets dat maar kort duurt, ontstaan als een gat in een turbulente omgeving. Alleen het contrast, het samengaan van de tegenstelling drukte en stilte, drukt de werkelijke toestand uit. Ze kunnen niet zonder elkaar, ze zitten aan elkaar vast. Alleen is die stille ernst niets.

Helemaal bij Erasmus. In het dertiende deel van zijn correspondentie, die de periode maart tot december 1527 beslaat,  is van die ‘stille, blijde en toch ernstige conversatie van goede en wijze vrienden’ niets te merken, ook niet als iets waar hij speciaal naar verlangt. Vanaf de eerste brieven zit Erasmus, zoals alle voorgaande jaren, tot zijn oren in de Europese discussies over alles wat te maken heeft met het katholicisme, Luther, de reformatie, zijn literaire werk en vertalingen van de klassieke literatuur. Een van de eerste brieven is gericht aan Thomas More, zijn Londense vriend, schrijver van de toekomstroman Utopia en secretaris van de Engelse koning Hendrik VIII. More had hem weer eens aangespoord om zijn aanval op Luther te vervolgen. Daaraan was Erasmus in 1524 begonnen met Over de vrije wil, in 1526 gevolgd door Schilddrager. Daarin beloofde hij overmoedig snel met een vervolg te komen, maar daar werd hij door andere zaken steeds vanaf gehouden.

Portret van Thomas More op 50-jarige leeftijd. Door Hans Holbein, 1527

De brief aan More beslaat meer dan elf pagina’s en is op zichzelf al een verhandeling en brochure over Luther en de vrije wil. De kwestie van de vrije wil houdt Erasmus onverminderd bezig. Luther ontkent het bestaan ervan. De mens heeft niets in te brengen en is alleen (sola gratia) afhankelijk van de goddelijke genade, door Erasmus de ‘goddelijke vrijgevigheid’ genoemd. Erasmus ontkent het bestaan van de goddelijke genade allerminst, hij ruimt er een flinke plaats voor in, maar zijn nuchter werkende brein vraagt hij zich af wat er van de vrije wil en de menselijke initiatieven terecht moet komen als die moeten wachten op de goddelijke genade, waar geen peil op te trekken is. God doet met de genade wat hij wil. Ook al heeft Erasmus ontzag voor die genade, het gaat hem toch te ver ervan afhankelijk te zijn. Een van de mooie kanten van de vrije wil, schrijft hij, is dat mensen ertoe worden aangespoord hun best te doen: ze hebben het dan zelf in de hand. In de brief aan Thomas More, maar in feite door de hele correspondentie heen, heeft Erasmus het over zijn vijanden, zijn ‘kwelgeesten’. Er worden in heel Europa boeken, pamfletten en brochures tegen hem geschreven, er worden conferenties over hem gehouden waarin hij aan de schandpaal wordt genageld. Bisschoppen, hoogleraren, priesters, monniken gaan tegen hem tekeer omdat hij het geloof terug wil brengen tot de kern, af wil van de pracht en praal van de kerk, van het verkopen van aflaten, van te strenge regels, van te veel religieuze plichtplegingen, van de dogma’s, van de verering van relikwieën, van de macht van de ‘pseudomonniken’ en de pastoors die het leven van de gelovigen in de tang hebben.

Gravure van de beroemde Nederlandse wijsgeer/filosoof Desiderius Erasmus. Jaartal onbekend.

Erasmus is wel in alles een intellectueel met een grote verachting voor ongeletterdheid en onwetendheid, maar de vorm van het geloof die hij voorstaat heeft niets intellectueels. Zijn vijanden zijn allemaal beducht voor het verliezen van hun macht en invloed. ‘Wat heb ik voor leven!’, roept hij tegen More, ‘De hoogste prelaten ter wereld zijn bang voor me en de meest verachtelijke mensen bespuwen me, werpen drek naar me en pissen tegen me aan.’

Hoeveel vijanden Erasmus ook had, hij had minstens zoveel vrienden. Daar was hij, niet vrij van ijdelheid, ook trots op. Aan Francisco de Vitoria, een van zijn Spaanse verdedigers, schrijft hij: ‘Je hoort zoiets niet te zeggen, maar nu kan het niet anders. Ik heb dozen vol met allervriendelijkste brieven van koningen, keizer, kardinalen, aartsbisschoppen, bisschoppen, hertogen, hoogggeplaatsten en geleerden.’ Die nodigen hem ook allemaal uit om hen te bezoeken, willen hem een jaarlijkse toelage geven, alleen maar om hem om zich heen te hebben. Hij is immers ‘de prins van de letteren’, ‘de grootste leider in de letteren.’ Het paradoxale van Erasmus is dat hij herhaaldelijk zegt dat hij aan al dat eerbetoon geen waarde hecht (en dat is tot op zekere hoogte ook zo), maar dat hij tegelijk voortdurend bezig is met zijn reputatie. Op dezelfde dag dat hij de elf pagina’s lange brief aan Thomas More schrijft, krijgt de  Spaanse humanist Juan Maldonado een brief van dertien en een halve pagina. Het is een brief waarin Erasmus van alle kanten zijn positie in de Europese republiek der letteren en religie uiteenzet, in de wetenschap dat die brief door vele handen zal gaan en uiteindelijk zelfs gedrukt zal worden.

Wanneer Erasmus echt zou hebben gedroomd van stille, maar ernstige gesprekken onder een lommerrijke boom, zou hij niet zulke uitvoerige, soms zelfs erg wijdlopige brieven schrijven. Erasmus was goed bekend met het ‘locanisme’, de Spartaanse manier om in weinig worden iets te zeggen. Maar hij hield er zich zelf nauwelijks aan. Erasmus kan bepaald praatziek zijn. Zoals in een brief aan zijn Engelse vriend Robert Aldridge waarin hij bijna twintig pagina’s door maalt over de controverse ontstaan door het niet vertalen van het woord ‘gegeven’ in zijn vertaling van het evangelie van Johannes. Hij zou een goddeloze zijn omdat het weglaten van het woord betekende dat de Heilige Geest niet eeuwig (gegeven) zou zijn.

Erasmus kan ook bepaald pedant zijn. Zogenaamd op aanraden van een Poolse vriend die zich in koninklijke kringen bevindt schrijft hij een brief van acht pagina’s aan de Poolse koning Sigismund I. Het is één epistolaire loftrompet voor de koning (‘uw grote wijsheid en gedrevenheid’, ‘de rechtschapenheid van uw gehele levenswandel’, ‘de opmerkelijke goedheid van uw karakter’), maar niet zonder dat Erasmus ondertussen pagina’s lang uiteenzet wat nodig is voor een koning in deze ‘bewogen tijden’: plichtgevoel, adel van geest en wijsheid. Dat hij het maar weet.

De correspondentie van Desiderius Erasmus. Deel 13. Brieven 1802-1925. Vertaald door Tineke L. ter Meer. Uitgegeven door Ad. Donker.