Bij het lezen van de brieven van Erasmus uit het jaar 1526 denk je niet meteen dat het vijfhonderd jaar geleden is. Het is griezelig dichtbij wanneer het in het nieuwe deel van zijn Correspondentie over de vrije wil gaat, een onderwerp dat door de vermeende invloed van de genen nu niet minder urgent is.
In 1524 stelde Erasmus zich eindelijk vierkant op tegenover Luther door de vrije wil en de menselijke verantwoordelijkheid te verdedigen in zijn traktaat Over de vrije wil. Scheldend en honend antwoordde Luther een jaar later in Over de slaafse wil dat alles was voorbeschikt, de mens was gepredestineerd, hij was volledig afhankelijk vanGods genade. Daar werd door Erasmus weer binnen twaalf dagen op geantwoord, op tijd om nog op de Frankfurter Buchmesse verkocht te kunnen worden. Een jaar later deed hij het in 1527, veel te breedvoerig, nog eens. In die jaren was inEuropa de Republiek der Letteren aan het ontstaan. Dit was de eerste grote polemiek.

Erasmus was sinds1511, toen hij met de Lof der zotheid de eerste roem oogstte, een alomtegenwoordige Europese intellectueel. De brieven die hij verstuurde werden niet zelden onderweg al gekopieerd en doorgegeven. Hij correspondeerde met iedereen, met de paus, met de koningin van Engeland, met Frans I van Frankrijk, met Duitse keurvorsten, met Thomas More en toonaangevende theologen. En met Karel V, koning van Spanje en Duitsland, die hem schreef dat hij zijn ‘naam en roem’ zou beschermen ‘alsof het om hemzelf ging’.
In 1526 is Erasmus niet meer de man die schipperde tussen Luther en de Paus van Rome. Hij heeft dan tegen Luther gekozen en zichzelf daarmee bevrijd van de verdenkingen dat hij tot het kamp van Luther behoorde. Erasmus had al lang vóór Luther in 1517 zijn reformatorische 95 stellingen in Wittenburg wereldkundig maakte, een waslijst van kritiek op de paus, op het verlenen van aflaten voor geld en goederen, op de bedelmonniken en op de bigotte vroomheid. Maar hij wilde geen reformatorisch schisma zoals Luther. Hij wilde dat de kerk een eenheid bleef.
Erasmus noemt Luther een ‘giftig beest’ en bijt hij hem toe dat hij ‘zotte beledigingen en misdadige leugens’ verspreidt
Luther had niet helemaal ongelijk wanneer hij Erasmus listig noemde. Erasmus doet zich heel vaak voor als de vermoorde onschuld: ‘Ik heb er altoos voor gewaakt geen aanstotelijkheden te schrijven, niets oproerigs’, schrijft hij. Hij zei nooit iemand te willen kwetsen in wat hij schreef, hij wilde alleen maar een ‘heilzame’ verzoenende intermediair zijn. Maar hij vertaalde en verdedigde fel de heidense klassieke schone letteren (Cicero, Plutarchus, Lucretius, Lucianus, Horatius), en dat was voor vele christenen als aanstootgevend. Zijn motto was ‘Ik wijk voor niemand’. Hij vond, vandaar zijn humanisme, het aardse en menselijke even belangrijk als het hemelse. Hij beledigde daarmee zowel de orthodoxe katholieken als de strenge protestanten, die allebei het heil alleen maar verwachtten van de hemel. Luther noemde hij een ‘giftig beest’ en in een brief van 11 april1526 bijt hij hem toe dat hij ‘zotte beledigingen en misdadige leugens’ verspreidt: ‘dat ik een atheïst en een epicureër ben, een scepticus in zaken die het christelijke geloof betreffen, een godslasteraar en wat niet meer.’ ‘Jij’,schrijf Erasmus hem, ‘schokt met je arrogante, brutale en opruiende karakter de hele wereld met een verderfelijke tweespalt.’

Hoewel Erasmus maar blijft volhouden dat de theologie ‘de koningin van de wetenschappen’ is, verkochten de theologen volgens hem ‘de onzinnigste onzin,stompzinniger dan de platste klucht.’ Het waren ‘praatjesmakers’. Aan de universiteiten van Leuven en Parijs waren theologen die hem systematisch bestookten met tegen hem gerichte geschriften en boeken. Dat gebeurde zo vaak dat Erasmus aan het parlement van Parijs schreef dat het op moest houden. Zijn boeken werden geboycot, zijn geschriften werden gecensureerd. De Parijse theologen Noël Béda en Pierre Cousturier, met wie hij aanvankelijk uitvoerige,op vriendelijk toon gestelde brieven wisselt, schrijven stukken tegen hem die vol staan met ‘schaamteloze leugens’ en ‘waanzinnige opmerkingen’. ‘Waar blijft de vreedzame Erasmus?’, vraagt hij zich af nu hij zich voortdurend moet verdedigen. ‘In deze tijd, die gladiatoren ontslag pleegt te verlenen, wordt men gedwongen als een zwaardvechter de arena te betreden en, wat nog harder is,met wilde beesten te vechten.’ In 1919 had Erasmus het al over theologen als ‘wilde dieren’. Die werden bij een vriendelijke behandeling doorgaans tam, schrijft hij, ‘maar dezen hier worden wild als men goed voor hen is.’
De hele eerste helft van de zestiende eeuw is in Erasmus’ correspondentie te vinden.Het is een verhitte, religieus bezwangerde wereld van voor- en tegenstanders waarin de parallellen met onze eigen tijd voor het oprapen liggen. Het radicale protestantisme van Luther, de georganiseerde vrome katholieken, die niet schroomden ketters te verbranden, bepaalden de sfeer. Zijn Engelse vriend Thomas More schrijft hem dat hij Luther heeft ‘neergestoken’ met zijn pen. ‘Je hebt hem voor de stervelingen als een rokende duivel uit de onderwereld zichtbaar en bezienswaardig gemaakt.’ Dat is de toon. Hoe gematigd en onpartijdig Erasmus ook wilde zijn, ook hij moest zijn venijnigheid kwijt. Maar liefst lachend.
De correspondentie van DesideriusErasmus deel 12 is uitgegeven door Ad. Donker.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.