In het zojuist verschenen vijftiende deel van Erasmus’ correspondentie uit het turbulente jaar 1529 moet hij zijn geliefde stad Bazel verlaten vanwege de eerste beeldenstormen.

Vijfhonderd jaar geleden schreef Erasmus (1469-1536) honderden brieven. De 3141 brieven van en aan hem die zijn overgeleverd worden nu compleet in het Nederlands vertaald en zullen 22 delen gaan beslaan.

Toen Hans Holbein in 1528 terug kwam uit Londen schrok hij bij het terugzien van Erasmus. Op de portretten die hij van hem had geschilderd rond 1523 maakte hij een gezonde indruk, nu zag hij een sterk vermagerde man die weer veel last had van niersteenaanvallen. Het nieuwe portret in ronde lijst dat hij in 1532 van Erasmus schilderde laat het zien. Erasmus lichamelijke toestand had sterk te lijden onder het turbulente jaar 1529, waarin tijdens de Rijksdag van Spiers het woord ‘protestant’ ontstond. In 1529 kregen Erasmus en zijn stad Bazel te maken met het religieuze fanatisme van de reformatie in de vorm van een heuse beeldenstorm waarbij in de kathedraal de gebruikelijke schilderijen, relikwieën en beelden werden verwoest. Anders dan in Maagdenburg (waar vijfhonderd mensen omkwamen) vielen er in Bazel geen doden. De leider van de hervormers, Johannes Oecolampadius, was door Erasmus rond 1520 nog in geloofszaken ingewijd, maar had zich inmiddels zelfstandig reformatorisch ontwikkeld.

Erasmus door Hans Holbein, 1523 (Bron: Wikimedia).

Zoals wel vaker in zijn leven werd Erasmus door de buitenwereld in een bepaalde positie gedrongen. Hij had kritiek op de katholieke kerk, maar hij wilde geen schisma, zoals door Luther werd veroorzaakt. Het liefst was hij onpartijdig en ‘de grote toeschouwer’ gebleven. Maar in Bazel blijven zou betekenen dat men zou kunnen denken dat hij achter de beeldenstormers stond. Vluchten uit Bazel betekende dat hij zich ostentatief zou distantiëren van de plunderaars. En dat hij gescheiden zou worden van zijn uitgever en drukker Johann Froben. Die had inmiddels zo’n honderdvijftig publicaties van hem gedrukt, leert Nina Burton in haar boek over de rol van Erasmus in de mediarevolutie in het begin van de zestiende eeuw Erasmus, de ster aan het Gutenberg Firmament. Hij zou toen voor eenvijfde van alle Europese boeken hebben gezorgd.

Erasmus wilde geen Lutherse reformatie, geen glitterkerk van Rome, maar wel een afgeslankte derde kerk.

Zonder in Bazel als verrader te worden gezien lukte het Erasmus naar Freiburg te verhuizen, een dagreis vanuit Bazel. Er werd zelfs officieel afscheid van hem genomen. Na Leuven en Parijs was het voor Erasmus de derde keer dat hij moest verhuizen omdat hij verstrikt dreigde te raken in godsdiensttwisten. Erasmus wilde geen Lutherse reformatie, geen glitterkerk van Rome, maar wel een afgeslankte derde kerk, zonder Pomp und Protz, zonder luie bischoppen, zonder prelaten in paarse jurken en hun lucratieve handel in aflaten.

Afrekenen met vijanden

Erasmus had lang geaarzeld te reageren op de uitdagingen van Luther. Maar toen het zo ver was (met het traktaat Over de vrije wil (De libero arbitrio diatribe) in 1524) liet hij niet meer los, tot razernij van Luther. Kijk naar het Lutherse evangelische volk , riep Erasmus, en vraag je af of ze er beter van zijn geworden: ‘Geven ze minder toe aan weelde, wellust en geldzucht? Toon mij iemand die een matige drinker is geworden door het evangelie, dat een woestaard een zachtzinnige is geworden, een schraper een milddadige, of een schaamteloze een eerbare. Integendeel: Ik zal u vele tonen die nog slechter zijn geworden dan ze waren.’

Johann Froben door Hans Holbein, 1522 (Bron: Wikimedia).

Ook in het nieuwe vijftiende deel van zijn correspondentie (dat de brieven uit het jaar 1529 bevat) is Erasmus veel tijd kwijt met het op afstand houden van zijn vijanden. Hoe onafhankelijk Erasmus eigenlijk wilde zijn is te zien aan het afwijzen van het aanbod van Ulrich Zwingli, lange tijd een medestander van Luther, om Erasmus het burgerrecht van Zürich te verlenen: ‘ik begeer burger van de wereld te zijn, een mens die allen eigen is, of liever, niemand eigen is.’

Het afrekenen met zijn vijanden begint al meteen weer in januari met een brief aan Heinrich Eppendorf, de man die Ulrich von Hutten had opgevolgd als de grote publieke verdediger van Luther in Duitsland. Hij was een van de ‘monsters van theologen en monniken’ waarmee Erasmus voortdurend ‘een strijd op leven en dood’ voerde. In deze brief gaat het over hun moeizaam herstelde vriendschap, maar de openlijke of impliciete verwijten vliegen nog steeds om je oren. In een van zijn soepel vloeiende brieven uit maart 1527 aan zijn Engelse vriend Thomas More had Erasmus Eppendorf  ‘verreweg de diepst gezonken schuinsmarcheerder van allemaal’ genoemd. Volgens Erasmus zorgde Eppendorf ervoor dat de meerderheid van de Lutherse ‘sekte’ er van overtuigd was dat het door Erasmus kwam dat ‘niet heel Duitsland het evangelie omarmt’. Erasmus had Eppendorfs beschermheer, hertog George van Saksen, eerder in een brief voor de ‘opgeblazen jongeman’ gewaarschuwd. Hij heet daarin ‘geen fraaier voorbeeld van een aan lager wal geraakt persoon wiens geweten en schaamtegevoel verdampt zijn.’ Die brief was Eppendorf onder ogen gekomen, waarna hij Erasmus gewetenloos ging bestoken met dreigementen.

Het gedoe rond Heinrich Eppendorf is een voorbeeld dat duidelijk maakt dat Erasmus wel het liefst neutraal en onpartijdig wilde zijn, maar dat daar in de praktijk nauwelijks iets van terecht kwam. Hij moest voortdurend toegeven aan zijn opspelende polemische neigingen. Hij kon het tegenspreken niet laten. De hertog Van Saksen, die Eppendorf zijn gang liet gaan, krijgt van Erasmus de wind van voren omdat hij niet op tijd tegen Luther was opgetreden: ‘als u het strijdperk betreden had en daar serieus de rol van waarachtige vechter vervuld had, zou er geen reden zijn om ons zorgen te maken.’ Dat Luthers sekte ‘zich tot een zo geweldige vuurzee uitgebreid heeft’ – ‘de schuld daarvan ligt op de eerste plaats bij u.’

Gelukkig waren er ook fans

Het zou verkeerd zijn om de indruk te wekken dat het in Erasmus’ correspondentie louter om polemiek en over godsdiensttwisten gaat. We hebben met Erasmus ook te maken met de Prins der Letteren van die tijd, de meest begeerde denker die vorsten om zich heen willen hebben. Hij kreeg de nodige brieven van bewonderaars vanwege zijn talrijke boeken, van de Adagia, de Colloquia, zijn vertaling van het Nieuwe Testament tot De lof der zotheid en Over de vrije wil. De cultus van het bewieroken wordt door Erasmus’ correspondenten in menige brief danig uitgeleefd. Die wierook kwam niet alleen van dwepers, zoals de Friese student Viglius van Aytta: ‘Van uw talrijke en zeer bijzondere kwaliteiten die zelfs elk afzonderlijk u onsterfelijkheid zouden kunnen bezorgen, bewonder ik, zeer geleerde Erasmus, vooral uw onvergelijkelijke geleerdheid en uw aan iedereen betoonde vriendelijkheid. Uw vriendelijkheid doet mij er dagelijks naar verlangen en spoort mij er zelfs toe aan om, hoewel ik over de grond kruip en bij de schittering van uw geleerdheid als door de stralen van de zon ben verblind, toch te durven wensen dat ik onder uw bekenden word opgenomen.’

Thomas More door Hans Holbein, 1527 (Bron: Wikimedia).

Die wierook en mirre kwamen ook van François Rabelais, de fameuze schrijver van Gargantua en Pantagruel: ‘Ja inderdaad, alles wat ik ben, alles wat ik presteer heb ik alleen aan u te danken en als ik u dit niet van de daken toeriep, zou ik de ondankbaarste van alle stervelingen uit verleden en toekomst zijn. Gegroet, nogmaals gegroet, vereerde vader, vreugde en sieraad van het vaderland, beschermgeest der letteren, onoverwinnelijke voorvechter van de waarheid.’

Het zou ook verkeerd zijn te suggereren dat de brieven van en aan Erasmus allemaal even boeiend en rijk van inhoud zijn. De epistolaire etiquette van die tijd vroeg om vriendelijkheden die pagina’s lang konden aanhouden. In breedvoerigheid kende ook Erasmus niet altijd grenzen. Erasmus kon een kletsmajoor vanjewelste zijn en dat wist hij zelf: ‘Ik stort alles meer uit dan dat ik schrijf.’ Hij neemt graag de ruimte. De dood van zijn Parijse vriend Louis de Berquin op de brandstapel in Parijs wegens ketterij neemt een kleine tien pagina’s in beslag. Erasmus was er niet bij, dus hij heeft alles uit de tweede hand, maar hij is uiterst gedetailleerd over hoe het zo ver is gekomen en hoe het zich heeft afgespeeld. Het is bijna een verslag van een ooggetuige. Hij had Berquin nog zo aangeraden zijn toon te matigen, zijn vijanden geen munitie te geven, maar hij had er zich niets van aangetrokken.

Nog steeds actueel

Voor de in 1529 door Erasmus uitgegeven werken van Seneca en Augustinus in tien delen schreef hij voorwoorden in de vorm van een brief. Die over Augustinus beslaat twintig pagina’s, terwijl hij niet eens zoveel op had met Augustinus. Die verwierp de vrije wil. Veel substantieels staat er ook niet in. Erasmus snijdt geen enkel inhoudelijke kwestie aan, iets waar hij anders zijn hand niet voor omdraaide. Niets dus over de schier misdadige erfzonde, een uitvinding van Augustinus, waarover hij in De Lof der Zotheid nog een ironisch terzijde had: dat de Godgeleerden precies wisten ‘langs welke wegen de erfzonde over het nageslacht is gekomen’.

Afgezien van de soms eindeloze beleefdheden hebben de brieven een tamelijk hoog dichtbij-gehalte.

Het heeft iets ongelooflijks dat we de brieven van Erasmus en van zijn door heel Europa verspreidde vijfhonderd vrienden, kennissen, vijanden, geleerden, kunstenaars, vorsten, hertogen, kanseliers, hofdienaren, vorstinnen, studenten, pausen, secretarissen, bischoppen en drukkers kunnen lezen. Afgezien van de soms eindeloze beleefdheden hebben ze een tamelijk hoog dichtbij-gehalte. Veel is in onze tijd te situeren, zoals zijn ernstige en satirische geschrijf tegen de corruptie in de kerk, en zijn verzet tegen het fundamentalistische gedrijf van Luther om de mensen de vrije wil te onthouden en over te leveren aan het genadebrood van God. Daar zit geen vijfhonderd jaar tussen.

De correspondentie van Desiderius Erasmus deel 15. Brieven 2082-2203. Vertaling en noten Jan Bedaux. Uitgegeven door Ad. Donker.

Erasmus, de ster aan het Gutenberg Firmament. Erasmus, het humanisme en de zestiende-eeuwse mediarevolutie door Nina Burton. Vertaald uit het Zweeds door Geri de Boer, uitgegeven door Ad. Donker.

Dit is deel vijftien van de reeks De correspondentie van Desiderius Erasmus. Maar de Literaire Kroniek zou geen kroniek zijn als de vorige delen niet ook besproken zijn. Die vind je hier: deel 12, deel 13 en deel 14.