Bloed en rozen, deel zes van de Geschiedenis van de Nederlandse literatuur gaat over de jaren 1900-1945, de periode waarin de Eerste Wereldoorlog, de opkomst van het fascisme, het modernisme, de Spaanse Burgeroorlog en de Tweede Wereldoorlog vallen. Dat heeft dan ook een boeiend boek van meer dan duizend pagina’s opgeleverd.
In Bloed en rozen wijdt Jacqueline Bel een apart hoofdstuk aan de stomme film en de invloed van Charlie Chaplin op schrijvers en dichters. Dat betekent dat ze de literatuur niet beschouwt als een eiland, en ervan uitgaat dat ze onderhevig is aan allerlei invloeden, zoals het nieuwe fenomeen film, rond 1920. De literatuur wordt door Bel duidelijk ingebed in de grote wereld van politiek, geschiedenis en cultuur.
Een onderwerp als film of Charlie Chaplin tref je niet aan in eerdere geschiedenissen van de Nederlandse literatuur, zoals die van Gerard Knuvelder, Ton Anbeek of M.A. Schenkeveld-Van der Dussen. Maar wel in de meest recente (2013), de Geschiedenis van de moderne Nederlandse literatuur van Thomas Vaessens, het boek waarin de geschiedenis wordt geschreven aan de hand van ‘frames’: transhistorische begrippen waarmee teksten uit verschillende fasen van de moderne literatuurgeschiedenis in verband te brengen zijn. Het gaat daarbij om romantische, realistische, avant-gardistische, modernistische en postmodernistische frames.
Als held van het witte doek vertegenwoordigt Chaplin voor Vaessens de massacultuur.
Charlie Chaplin wordt door Vaessens tot het avant-gardistische frame gerekend. Door schrijvers als Paul van Ostaijen, Hendrik Marsman en Constant van Wessem werd Chaplin in het midden van de jaren twintig gezien als een bondgenoot in de strijd tegen de verouderde, oubollige, burgerlijke kunst. Hij was, in de woorden van Marsman, ‘de volmaakte, synthetische drager van den modernen geest’. Chaplin was ook de vermakelijke belichaming van de berooide zwerver die zich niet liet kisten en alle autoriteiten en tegenslagen te slim af was. Als held van het witte doek vertegenwoordigt Chaplin voor Vaessens de massacultuur.
Jacqueline Bel heeft het niet speciaal over Chaplin als representant van de massacultuur. Wel als iemand die in de jaren twintig met zijn stomme films stond voor het verzet tegen voorschriften, voor een slimme anarchie. Chaplin sprak de schrijvers en kunstenaars aan die na de Eerste Wereldoorlog alles wilden vernieuwen. Voor Marsman was Chaplin een vitalist zoals hijzelf: ‘Alles wat zweemt naar egocentrisch zelfbeklag, naar romantisch-verdoezelde treurwilgerij (…) verwierp hij.’ Voor Constant van Wessem vertegenwoordigde Chaplin zelfs ‘de moderne mentaliteit van levenskracht en nietzscheaanse levensaanvaarding.’ Chaplin stond dus voor avant-garde én voor massacultuur.
Dat wringt voor Thomas Vaessens. Schrijvers behoren tot de elite en dus tot het modernistische frame dat zegt dat ze hechten aan individualiteit en de artistieke autonomie van de kunstenaar. En dus willen ze niets met de massacultuur te maken hebben. Daarom willen en kunnen ze zich niet amuseren met massavermaak als de films van Chaplin. De elitaire E. du Perron was, na zich aanvankelijk wel met Chaplin vermaakt te hebben, afgehaakt. En Van Wessem had ‘artistieke reverves’ gekregen omdat hij gezien had dat Chaplin niet in staat was tot ‘een dichterlijke scène’. Maar Menno ter Braak was niet zo zwaar op de hand. Hij vond in Cinema Militans dat vooral om Chaplin gelachen moest worden en dat hij niet ‘met alle geweld als de tragische held van deze tijd’ moest worden gezien.

Met behulp van zijn modernistische frame wil Vaessens Ter Braak graag tot de modernistische elitaire intellectuelen rekenen die in de geest van Ortega y Gasset niets van de massa willen weten. Maar dat ligt bij Ter Braak, zoals te verwachten was, toch iets genuanceerder. Ter Braak erkende op het ene moment zelf tot de massa te behoren, op het andere moment voelde hij er een ‘aangename verachting’ voor, een formulering waarvan de ironie die zit in dat ‘aangename’ niet over het hoofd gezien moet worden. Daar staat eigenlijk ‘al te aangename’, ‘onverantwoord aangename.’ Ter Braak voelde zich tussen Scylla en Charybdis als het om de massa ging: hij schipperde tussen wel en niet. Vaessens betrekt Ter Braaks essay De nieuwe elite te weinig in zijn overwegingen, het essay waarin Ter Braak de elite-gevoelens van intellectuelen tot probleem maakt en hij als enige uitweg nog het ‘schipperen’ ziet. In het oude hiërarchische elitebegrip zag hij, in ‘een onherroepelijk democratische wereld’, niets meer. Bleef over het schipperen, het beste doen in steeds nieuwe situaties.
Wat leert deze uitwijding over het gebruik van ‘frames’ bij het schrijven van literatuurgeschiedenis? Het gebruik van ‘frames’ heeft tot gevolg dat Ter Braak door Vaessens tot de schrijvers wordt gerekend die, ‘geconfronteerd met de als pervers ervaren mechanismen van de massacultuur, nadrukkelijk vasthoudt aan de autonomie van de literatuur.’ Dat Ter Braak ‘nadrukkelijk vasthoudt’ aan de autonomie is nu precies wat hij niet doet: hij maakt het tot een probleem, vandaar dat hij gaat schipperen.
Omdat tot het frame van het modernisme behoort dat schrijvers elitair zijn, moet Ter Braak daar met alle geweld aan beantwoorden, ook al ziet Vaessens op het nippertje dat het zelfs Ter Braak ‘te gortig werd’ wanneer schrijvers een uitgesproken aristocratische houding aannamen. Door Vaessens aanpak verdwijnen Ter Braaks nuances en de relativeringen. Een frame heeft veel weg van een harnas of een kooi. Als methode om achter de waarheid te komen levert het niet veel extra op.
Chaplin doorbrak juist rangen en standen, was geen onderdeel van de discussie over elite en massa.
Jacqueline Bel beschouwt Charlie Chaplin niet speciaal als een representant van de massacultuur, maar eerder als een ‘moderne geest’ zoals Marsman: hij stond na de Eerste Wereldoorlog voor de zucht naar vernieuwing bij schrijvers en dichters. Chaplin doorbrak juist rangen en standen, was geen onderdeel van de discussie over elite en massa.
Het onderwerp ‘Charlie Chaplin’ staat model voor de werkwijze van Bel. Die is ‘polyperspectivisch’, dat wil zeggen ze vertelt een lopend verhaal vanuit verschillende perspectieven: poëticale discussies, afzonderlijke romans en gedichten, het literaire leven, bepaalde auteurs, de literaire kritiek, stromingen, tijdschriften en, vooral de historische, culturele, maatschappelijke en politieke context. Dit is de brede aanpak waarin vooral véél ter sprake komt, tot en met Nederlandse en Vlaamse streekromans uit het begin van de vorige eeuw.
Eén blik op de inhoudsopgave en het is duidelijk dat Bloed en rozen een extraverte geschiedenis is. Het is de buitenwereld, de wereld van gebeurtenissen, en niet zozeer de wereld van de geest en de literatuur, die de literatuur volgens Bel vooral voedt. Zoals ze zelf schrijft na bijna duizend pagina’s: ‘Bloed en rozen is behalve geschiedenis van de literatuur, geschiedenis weerspiegeld in literatuur.’
Dat wil niet zeggen dat de literatuur als literatuur er bekaaid vanaf komt, maar wel dat Bel geen aanhanger is van de kunst om de kunst. Een boek wordt meteen in de context van de tijd en het literaire landschap geplaatst. Er staat bij Bel nooit iets op zichzelf. Ze zal het ook nooit over een roman hebben zonder de reacties van de literaire kritiek te vermelden. Wanneer ze als ouverture De stille kracht van Couperus bespreekt is dat ook het model van haar aanpak: de roman is een blijvend literair meesterwerk dat bovendien staat voor de psychologie en de koloniale verhoudingen rond 1900. Er komen verschillende stromingen in samen: naturalism, decadentisme en mystiek. Er is een sfeer van verval in te vinden en twijfel over de plaats van de Nederlander in de Oost.
Wanneer Bel een ‘dwarsdoorsnede van 1900’ geeft, vallen niet eerst de literaire begrippen, maar de sociale en politieke: socialisme, gemeenschapskunst, anarchisme, communes, feminisme, Boerenoorlog, Vlaamse Beweging, zelfs ‘nieuwe technische snufjes’. Daarna komt het literaire leven rond 1900 in Nederland en Vlaanderen aan bod, op een uitputtende manier mag je wel zeggen, zodat alle literaire stromingen en tijdschriften langskomen, maar ook de tijdschriften met een literair-confessionele signatuur. Opwindende lectuur is zo’n compleet overzicht van wat er zich allemaal manifesteerde niet, maar tegelijk is het heel bevredigend om het allemaal eens bij elkaar te zien. Bel heeft niet geaarzeld om vergeten genres tevoorschijn te halen, zoals romans over ‘het Joodse leven’, of nog eens te wijzen op de kwaliteiten van Cyriel Buysse. Er is een heel hoofdstuk over ‘nieuwe mystiek’ en de invloed van Tolstoi en Ibsen. De Eerste Wereldoorlog wordt van alle kanten belicht in wel honderd pagina’s. Daar is alle reden voor aangezien de schrijversziel de gekste sprongen heeft gemaakt in deze oorlog, van dol enthousiasme tot het ellendigste creperen in de loopgraven. Ook kwamen er onbekende talenten tevoorschijn, zoals bij de anders zo terugtrokken August Vermeylen: die ging over de oorlog berichten voor NRC.
Het is een handboek, maar je kunt er ook voor je genoegen in lezen.
Er zal ongetwijfeld het een en ander ontbreken in Bloed en rozen, maar wat er wel in staat maakt dit deel tot de interessantste van de reeks. Dat heeft te maken met deze gruwelijke periode in de Nederlandse en Vlaamse geschiedenis, maar ook door de breedte van het boek. Wat er allemaal niet langs komt: Charlie Chaplin zoals we hebben gezien, maar ook de invloed van jazz en negrospirituals, chinoiserie bij Slauerhoff, Forum en het essay, roomse ruzies in het tijdschrift De Gemeenschap, Ter Braaks roman Hampton Court als moderne roman, de Nieuwe Zakelijkheid, decadentie bij Herman Tierlinck, de damesroman, koloniale literatuur, Richard Minne en zijn koe Tobbie, de Spaanse Burgeroorlog, Bordewijk als uitzondering, crisis in de cultuur volgens Huizinga en Nijhoff, Amerika als lokroep en louter oppervlakte, het Comité van Waakzaamheid, de Kultuurkamer in de Tweede Wereldoorlog, Het land van herkomst, Vestdijk, Elsschot, Van Schendel, het gijzelaarskamp Sint-Michielsgestel als literaire broedplaats en legale en illegale literatuur in de oorlog.
Bel combineert in Bloed en rozen het ideaal van het encyclopedische overzichtswerk met analyse, interpretatie, accenten en anekdotiek. Dat zorgt ervoor dat het boek een complete indruk maakt. Ze heeft een indrukwekkende belezenheid en een solide greep op haar materiaal. Bloed en rozen is niet het soort boek waarin de schrijver veel gelegenheid heeft stilistisch te excelleren, maar Bel weet desondanks voor een grote levendigheid te zorgen. Het soortelijk gewicht van haar zinnen is hoog, ze bevatten altijd meer dan constateringen, er zit altijd ook inzicht in. Het is een handboek, maar je kunt er ook voor je genoegen in lezen. Het gaat dan ook over een literair en intellectueel turbulente periode in de Nederlandse geschiedenis.
Bloed en rozen, door Jacqueline Bel, is uitgegeven door Uitgeverij Bert Bakker.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.