‘Onderwijs’ was het weidse thema waarmee fotograaf Carel van Hees door het Rijksmuseum op pad werd gestuurd voor Document Nederland. Hij concentreerde zich op Rotterdam, een multiculturele stad met een oplossingsgerichte mentaliteit.

In het leegstaande Rotterdamse bedrijfsverzamelgebouw 25kV overziet Carel van Hees het slagveld van anderhalf jaar fotograferen. De honderden printjes van 10×15 zijn pas een eerste selectie uit de minireportages die hij heeft gemaakt op 24 scholen. Van Hees kreeg dit jaar de opdracht van het Rijksmuseum voor Document Nederland, een zo ruim geformuleerde foto-opdracht – in eerdere jaren onder meer ‘armoede’, ‘buren’, ‘de grenzen van het koninkrijk’ – dat de uitgekozen fotograaf na de eerste euforie pas beseft wat hij zich op de hals heeft gehaald.

‘Onderwijs’ was het thema waarmee Carel van Hees op pad werd gestuurd. Als vader van een eeneiige tweeling was hij ervaringsdeskundige, maar wel binnen de grenzen van zijn woonplaats. Hij besloot om zich te beperken tot Rotterdam, een probleemgebied met een oplossingsgerichte mentaliteit. Gesprekken met filosoof en onderwijsman Henk Oosterling sterkten hem in het idee dat hij dicht bij huis moest blijven, zegt Van Hees. ‘Deze stad is een laboratorium voor heel Nederland, 176 culturen wonen hier samen. De ene keer heb je het gevoel dat het een nieuwe wereld is, vol hoop en belofte. De volgende dag waan je je in de derde wereld. Het is een stad van uitersten, een emancipatiemachine vol energie, openheid, diversiteit en jeugd.’

We lopen verder langs de fotoroute die Van Hees heeft uitgezet. Van het scheepvaartcollege waar leerlingen in een simulator een olietanker leren besturen – ‘sta je daar op de brug, zetten ze de knop op noodweer en stuwen ze het water op tot metershoge golven’ – via de snijzaal van het Erasmus Medisch Centrum en de examenfeesten van het Libanon Lyceum naar de openbare basisschool Bloemhof in deelgemeente Feijenoord. In een oud handarbeidlokaal is daar een grote keuken ingericht, zegt Van Hees. ‘Twee kunstenaars staan er te koken met hulp van tien moeders van allerlei herkomst: Eritrees, Somalisch, Marokkaans, Nederlands, Turks. Ze gaan tussen acht en twaalf waanzinnig te keer met zijn allen, enorme hoeveelheden sla, gehaktballetjes, kip en een bak fruit toe. Als alles op is, wassen ze af en gaan naar huis. En zo gaat dat elke dag.’

Zwaardvechter

Bloemhof is een van de Rotterdamse basisscholen die profiteren van de onderwijsideeën van Henk Oosterling, hoofddocent filosofie aan de Erasmus Universiteit maar ook een straatvechter die zich verbonden voelt met de achtergestelde kinderen in Rotterdam-Zuid. ‘Ik ben geboren op Zuid als zoon van een losarbeider in de haven. Mijn vader moest elke dag langs de koppelbazen in de haven om te vragen of er werk was. Ik leefde op straat en in het buurthuis, ik ben in de stront begonnen en ik ben er gekomen. Dus ik ken de weg.’

Advertentie

Advertentie

De jonge Oosterling was een klassieke stapelaar. ‘Mijn moeder vroeg toen ik twaalf jaar was aan het hoofd der school: kan onze Henk naar het gymnasium? Die antwoordde: mensen van uw soort gaan niet naar het gymnasium. Dat heeft bij mij wel iets losgemaakt.’ Hij deed dus mulo-A met wiskunde, daarna havo, toen kweekschool en uiteindelijk lukte het op zijn 23ste om het gymnasium binnen een jaar te halen. Hij studeerde filosofie, linguïstiek en Japans en ontwikkelde zich tot Japans zwaardvechter. ‘Het heeft alles bij elkaar een tijd geduurd, maar dat betekent wel dat ik nogal wat inzicht in “de lange weg” heb gekregen.’

Naast zijn colleges filosofische dialectiek aan de universiteit heeft Oosterling een tweede loopbaan als ‘consultant slechte wijken’. Er zijn verschillende redenen, bedacht hij, waarom zijn stad steevast bovenaan alle slechte lijstjes eindigde. Het onderwijs was de aansluiting met de Rotterdamse arbeidspraktijk kwijtgeraakt, de aandacht voor het vakmanschap was verdwenen en daarmee was een belangrijke ontsnappingsroute voor kinderen in achterstandswijken afgesneden. Daarnaast zag hij de multi-etnische politiek van eind vorige en begin deze eeuw mislukken.

‘Je moet integratie nu echt serieus gaan nemen. De kids van de vluchtelingen die nu naar ons land komen, moeten meteen het onderwijs worden ingeschoven. Anders krijgen we hetzelfde probleem nog een keer.’

Beschermd

Met financiële ondersteuning, eerst van de gemeente Rotterdam en daarna van de Stichting Verre Bergen van filantroop en ex-HAL-topman Martijn van der Vorm, biedt Oosterling scholen een extra lespakket aan vanuit zijn theorie van de drieslag: lichamelijk, sociaal, mentaal. ‘Nu is alles gericht op cognitie, op rekenen en taal. En tegelijkertijd zitten leerlingen de hele dag achter allerlei beeldschermen, hun bestaan is letterlijk beschermd. De pretentie van Rotterdam Vakmanstad is om kinderen op te voeden tot actieve producenten in plaats van passieve consumenten, zodat ze zelf hun leven leren vormgeven. Zodat ze niet alleen televisie kijken en rondklikken op internet, maar zelf ook films maken.’

De kinderen in deze achterstandswijk leren in de zes uur extra les koken, groente verbouwen en oogsten en ze maken zelf televisieprogramma’s. Naast vakmanschap en denken over de wereld – ‘ecofilosofie’ en vredeslessen – speelt ook lichamelijkheid een grote rol in het lesprogramma. ‘We willen het fysieke terugbrengen in het leven van de leerlingen. Vroeger kon je voetballen en honkballen op straat. En je knokte eens een keer tegen andere scholen.’ Dat Henk Oosterling ooit Nederlands kendo-kampioen was, Japans zwaardvechten, zie je terug in zijn lessen. ‘Je moet de dag fysiek beginnen, de kinderen leren door meditatie hun ademhaling controleren, dat voorkomt agressiviteit. Bij judo raken meisjes en jongens elkaar aan, dat mag misschien niet van hun geloof, maar ze doen het mooi wel en dat werkt door in hun manier van denken.’

Verloren generatie

Experimenteren met onderwijs in achterstandsbuurten is niets nieuws voor Oosterling, die al in de jaren zeventig taalmethodes ontwikkelde voor gastarbeiders en in deze zelfde buurt taallessen gaf in het buurthuis. Met de eerste van tot nu toe zes scholen – ‘we willen doorgroeien naar vijftien, zodat we onszelf kunnen bekostigen zonder externe financiering’ – kwam Oosterling in contact via schoolleider Wim Pak, die zichzelf al decennialang tot taak stelt om kinderen in deze wijk van hun achterstand te bevrijden.

36 jaar geleden – dat wil zeggen kort voor het eerste kabinet-Lubbers met de Rotterdamse Erasmus-alumni Neelie Kroes, Onno Ruding en Ruud Lubbers – schreef Vrij Nederland voor het eerst over het onderwijs in de wijk Bloemhof en over het moeizame proces van integratie. De conclusie van de verslaggevers stemde niet erg hoopvol. Het onderwijs had geen zinvol antwoord op de achterstand van veel kinderen op het gebied van taal en cultuur. De merendeels allochtone leerlingen, voorspelden de journalisten, zouden hoogstens lts of huishoudschool bereiken. Veel jongens zouden die school ongediplomeerd verlaten. En de meisjes waren tegen die tijd al lang van school gehaald. Dat was volgens Vrij Nederland in 1980 de bijna onontkoombare toekomst voor de buitenlandse kinderen in Rotterdam-Zuid. ‘Hun lot is het lot van alle kinderemigranten: uiteindelijk nergens bij te horen, nergens thuis te zijn, deel te moeten uitmaken van een verloren generatie.’

Rotterdam Centrum, Erasmiaans Gymnasium, 7 oktober 2015 | Foto: Carel van Hees
Turkse vlag

In de stadsvilla van waaruit Stichting De Verre Bergen jaarlijks zo’n twintig miljoen besteedt aan vernieuwende ideeën, vertelt Henk Oosterling waarom hij het belangrijk vindt om hoog in te zetten. ‘De kinderen die bij mij op school zitten, moeten de wereld gaan veranderen. Via onze doorlopende leerlijn, van basisschool tot en met mbo, worden zij de zelfstandige, duurzame en slimme werkers van de toekomst. Zij zullen zich ervan bewust worden dat alles wat ze doen een effect heeft op hun ecosysteem, dus ook op andere wezens dan hun buren.’ Tegelijkertijd ziet hij niet al te veel vooruitgang in de wijk sinds die oude Vrij Nederland-reportage. ‘Bij veel scholen op Zuid is het onderwijs nog precies zoals een halve eeuw geleden en in de wijk Bloemhof leeft nog altijd 30 procent van de kinderen onder de armoedegrens. In de deelgemeente Feijenoord is het obesitasgehalte het hoogst en de zuigelingensterfte het grootst.’ Het onderwijs in Bloemhof kleurde in de jaren zeventig van de vorige eeuw zwart en dat is het tot op de dag van vandaag gebleven. ‘Ik heb in de wijk gewerkt met leerlingen die de opa’s en oma’s zijn van de kinderen die daar nu op school zitten,’ zegt Oosterling. ‘En ik zie te weinig vooruitgang in de ontplooiingskansen van die kids.’

Nee, wanhopen doet hij zeker niet. ‘Dat is iets voor mensen die het lef niet hebben om na te denken.’ Maar al is de politiek kennelijk niet in staat gebleken om de integratie te verbeteren, ander onderwijs kan dat volgens hem wel. ‘Het huidige onderwijssysteem dateert uit de negentiende eeuw en is ongeschikt voor de eenentwintigste. We zitten qua lesstof op veel scholen nog midden in de industriële revolutie, terwijl we al lang en breed in het digitale tijdperk leven. In het onderwijs is alles bovendien gericht op cognitie, op rekenen en taal, terwijl opvoeden een integrale taak is. We moeten de school niet langer zien als een leerfabriek maar als een leefgemeenschap.’

Sinds Oosterling en zijn stichting hun eigen onderwijsmethode op de Bloemhof introduceerden – ‘gemonitord door het Verwey-Jonker Instituut’ – zit er beweging in de schoolresultaten, zegt hij zelf. ‘Onze kinderen scoren gemiddeld 536,3 voor hun Cito, veel hoger dan het gemiddelde in deze wijk. En vorig jaar kreeg bijna 30 procent van onze kinderen van de Bloemhof een havo/vwo-advies. Dat is een waanzinnig goed resultaat.’

Het Rijks zei: we willen je foto’s, zodat we in 2096 een la kunnen opentrekken om te zien hoe het onderwijs er tachtig jaar geleden uitzag.

Rugzakjes en iPads

‘Als je zo’n opdracht aanvaardt, gaan alle radertjes draaien, alles wat je weet over fotografie komt voorbij. Hoe moest ik dit aanpakken?’ zegt Van Hees, terwijl we langs zijn foto’s lopen. ‘Docenten en politici zijn continu bezig het onderwijs te hervormen en te verbeteren. En het leren zelf speelt zich af in het hoofd. Hoe vertel je die verhalen?’ Hij vroeg zich af of hij daarvoor naast zijn foto’s niet een film nodig had, of een boek. ‘Maar het Rijks zei: we willen je foto’s, zodat we in 2096 in het museum een la kunnen opentrekken om te zien hoe het onderwijs er tachtig jaar geleden uitzag, toen er nog schoollokalen waren en overheadprojectors en rugzakjes en iPads.’

Soms lijken die klaslokalen eerder uit de jaren vijftig van de vorige eeuw te komen. Aan een plein middenin Charlois, dat grenst aan deelgemeente Feijenoord, staat de openbare scholengemeenschap Hugo de Groot. Het versleten schoolgebouw uit de vroege jaren vijftig is een van de plaatsen waar Carel van Hees het enthousiasme aantrof waardoor hij zelf werd aangestoken. ‘Rector Eric van ’t Zelfde, een bevlogen man, gaat een compleet nieuwe school neerzetten voor kinderen van 2 tot 18 jaar.’

Sinds de Tegenlicht-documentaire over zijn strijd op de Hugo de Groot en de publicatie, vorig jaar, van zijn boek Superschool is Eric van ’t Zelfde de verpersoonlijking van een nieuwe no nonsense-mentaliteit in de onderwijswereld. Hij beent met grote passen door de gangen van de sleetse, slecht geïsoleerde en tl-verlichte school. ‘Te veel kinderen en docenten zitten opgesloten in achterhaalde, gore gebouwen,’ zegt hij. Onderweg naar de conrectorskamer spreekt hij streng een paar leerlingen toe die niet snel genoeg hun lokaal opzoeken. Dan gaat hij zitten aan een met plannen en rapporten overdekte vergadertafel die tegelijk zijn bureau is. Er ligt ook een eerste illustratie voor het kinderboek Gijs dat hij binnenkort hoopt te publiceren. ‘Ik heb drie weken lang van ’s ochtends vijf tot ’s avonds laat geschreven en het daarna een jaar lang gefinetuned. In de vijf hoofdstukken ontwikkelt niet alleen de hoofdpersoon zich maar ook de lezer en de schrijver. Mijn boek Superschool heeft het goed gedaan, maar Gijs zal zeker inslaan als een bom.’

Tosti-niveau

Nog maar kort geleden ging het helemaal de verkeerde kant op met de revolutionaire rector. Hij was gefrustreerd doordat zijn plannen leken weg te zinken in het moeras van de wet- en regelgeving en de onderwijsbureaucratie. ‘Ik voelde me een Don Quichote, alle stoplichten stonden op rood en ik was continu bezig heen en weer te rennen om ze allemaal tegelijk op groen te krijgen. Ik werkte te hard en leefde ongezond; als je tot ’s avonds laat doorgaat, zit je al snel op tosti-niveau. Ik werd onwel op mijn kantoor en werd daarna direct opgenomen op de hartbewaking.’

Al vóór die instorting was het Van ’t Zelfde gelukt om privaat geld aan te trekken en daarmee de gaten te dichten die de overheid liet vallen. Zijn school kreeg een bedrag van drie ton overgemaakt door softwarebedrijf Afas en door de jaren heen royale bedragen van een ‘rijke Rotterdamse familie’ die anoniem wil blijven. ‘Noblesse oblige, ze tikken stevig af maar willen hun naam niet vermeld zien.’

Hij gebruikte het geld om zijn leerlingen dezelfde kansen te geven als scholieren in betere wijken. ‘Láát mij dus een paar bioscoopbonnen uitdelen en laat mij zoals deze winter zevenhonderd winterjassen aanschaffen voor de hele school. Gun een paar van die gasten die geweldig gepresteerd hebben zes weken leertijd op een zeilschip. Maar nee, de autoriteiten probeerden die twee leerlingen tegenhouden via de Leerplichtwet. Dat heb ik niet geaccepteerd. Dat schip, de Wylde Swan, voer al jaren onder onderwijstijd rond in het Caribisch gebied met aan boord de kinderen van de rijke burgerij. Dus het jaar erna, na alle commotie, hebben we het met 47 leerlingen op een ander schip nog eens dunnetjes overgedaan.’

Zijn staf en hijzelf schrikken nog steeds regelmatig van de moeilijke thuissituatie waarin veel leerlingen zich moeten handhaven. ‘Die kinderen van ons hebben thuis vaak niets.’ Vorige week nog was een docent op huisbezoek bij een meisje van vijftien jaar dat zich op school misdragen had. Bleek dat ze thuis haar jongere broertjes en zusjes moest verzorgen omdat hun moeder in het ziekenhuis lag. Die niet de goede medicijnen had gekregen. ‘Want we leven inmiddels niet meer in het land van ziekenfonds versus particulier verzekerd maar in het land van de wel- en de niet-verzekerden.’ Dat hij kritiek van rechts kreeg, kon hij wel begrijpen. Maar dat uitgerekend zijn eigen SP bezwaar maakte tegen een gift vanuit het bedrijfsleven, betekende na 22 jaar het einde van zijn SP-lidmaatschap. ‘Een van de zwaarste opdrachten in deze tak van sport is om links te blijven. Ik heb binnen de top van die partij alleen maar desinteresse gezien voor dit soort wijken en dit soort scholen. Tot mijn spijt moest ik concluderen dat de SP prima met tomaten kan gooien, maar niets kan opbouwen.’

Ik heb gezegd: meissie, kom het maar lekker proberen. Nu zit ze met mooie cijfers in de tweede.

Laatbloeier

De toestroom van zwakke leerlingen was een van de redenen dat zijn school, toen Van ’t Zelfde er aantrad, zeer slechte resultaten boekte. Dat het oordeel van de basisschool over toekomstige leerlingen sinds kort voorrang krijgt boven de Citoscore zit hem dus dwars: er worden nu wel heel hoge adviezen gegeven, waardoor de resultaten van de school achteruit zullen gaan. ‘We hadden vorig jaar een honderd procent slagingspercentage en we zijn gevraagd om toch vooral dat vignet “excellente school” aan te vragen.’ Bovendien zet de staatssecretaris scholen met dat vignet op twee manieren onder druk, zegt Van ’t Zelfde. ‘Als je het predicaat “excellent”niet aanvraagt, merk je dat meteen aan je aanmeldingen. Er wordt zo een overbodig concurrentiemodel tussen scholen gecreëerd. Want we wórden al beoordeeld, door de inspectie. En die excellente scholen mogen zich vervolgens onttrekken aan allerlei ambtelijke regeltjes. Dat is bizar: als je helpt de droom van Sander Dekker te verwezenlijken, krijg je een beloning. Dat noem ik het klemrijden van directies.’

Op het magneetbord in de rectorskamer hangt het briefje dat een leerlinge aan Van ’t Zelfde schreef na haar eerste jaar op school. ‘Beste meneer, ik wil u bedanken voor de mooie kans die u mij heeft gegeven en voor dit mooie schooljaar. Fijne vakantie, groetjes Hannan.’ Eric van ’t Zelfde was als scholier net als Henk Oosterling een stapelaar van diploma’s, hij ging pas na een lange omweg en na een verblijf op een Schotse kostschool Engels studeren. ‘Ik was een laatbloeier, ik ben pas vanaf mijn achttiende rechtop gaan lopen.’ Het verhaal van Hannan raakte hem. Zij mocht van haar basisschool niet naar de Hugo de Groot, ze zou mavo absoluut niet aankunnen. ‘Hannan kwam toch naar onze open avond en ik heb toen met haar zitten praten,’ vertelt Van ’t Zelfde. ‘Ik vond haar geweldig, ze had een heerlijke woordkeuze, een goeie lach op de bek, zei slimme dingen. Ik heb gezegd: meissie, kom het maar lekker proberen. De directeur van haar school en haar juf van groep 8 zeiden: geen sprake van, jullie verpesten het kind. Hannan en ik hielden voet bij stuk en nu zit ze met mooie cijfers in de tweede en ontwikkelt zich razendsnel.’

Zwart gymnasium

‘Naar dat soort momenten tussen docenten en leerlingen was ik op zoek,’ zegt Carel van Hees. ‘Ieder mens heeft iets unieks en daar moet de docent op inspelen en dat vergt tijd en empathie. Die ene leraar die iets raakt en je laat voelen dat je bijzonder bent, zodat je een weg in kunt slaan die bij je past. En het bijzondere van onderwijs is dat de docent ook voortdurend leert van de leerling. Er zit een ontroerende gelijkwaardigheid in hun relatie. Op sommige foto’s zie je meteen waar je bent en hoe de sfeer is op zo’n school. Hier, deze kinderen staan kaarsrecht in het leven, zeer zelfbewust van hun toekomst en van hun lijf. Het zijn de leerlingen van de havo/vwo voor Muziek en Dans, een opleiding van Codarts. Die kinderen hebben al gekozen voor een vak, ze weten wat ze willen en dat stralen ze ook uit. Zoals je op die foto’s van het gymnasium ziet dat veel kids daar uit de betere milieus komen en alleen al door hun achtergrond behoorlijk zelfverzekerd in het leven staan.’ Hij wijst op een foto van een Marokkaans meisje bij het standbeeld van de grote Rotterdamse filosoof Erasmus, in de hal van het Erasmiaans, ooit bestempeld tot het zwartste gymnasium van Nederland. ‘Maar dat zie je weer niet af aan die foto van de verkiezingen voor de leerlingenraad, met die scholier op het podium waan je je eerder in een soort Cambridge in het klein.’

Feijenoord, OBS Bloemhof, 4 november 2015 | Foto: Carel van Hees

Toen conrector Ank Groenendijk in 1982 als lerares Frans begon op het populaire gymnasium had het Erasmiaans iets minder dan vijfhonderd leerlingen. 34 jaar en twee nieuw aangebouwde vleugels verder zijn het er 1170, vooral kinderen uit de bovenlaag. De oude claim dat het Erasmiaans het ‘zwartste’ gymnasium zou zijn, is relatief, zegt Groenendijk. ‘Onze school in het centrum trekt nog altijd veel leerlingen uit Hillegersberg en Kralingen, die qua afkomst aan de bovenkant zitten. Maar we zijn bezig om meer kinderen te werven in wijken en in milieus waar het niet vanzelfsprekend is om naar een gymnasium te gaan. En dat zijn nog steeds vaak de zwarte wijken en de allochtone milieus.’

Talentklas

Slimme leerlingen op basisscholen in kansarme wijken hebben vaak een taalachterstand en hun leraren adviseren dus niet zo snel gymnasium, niet omdat hun intelligentie tekort zou schieten, maar vanwege hun geringere parate kennis en taalbeheersing. Daar wilde de school iets aan doen. ‘Sinds een paar jaar selecteren we voor onze talentklas vijftien leerlingen in groep 7 van verschillende basisscholen die het jaar daarna op woensdagmiddag een extra programma bij ons volgen met veel taal en cultuur. Als ze van de basisschool een vwo-advies krijgen, hoeven ze bij ons niet te loten maar krijgen ze voorrang.’

Hoe groot het cultuurverschil ook is met scholengemeenschap Hugo de Groot aan de andere kant van de stad, toch deelt de conrector veel van de bezwaren van Eric van ’t Zelfde tegen het zigzaggende onderwijsbeleid van dit kabinet. Een van de felste tegenstanders van de invoering van Sander Dekkers rekentoets was Karin den Heijer, lerares wiskunde en scheikunde op het Erasmiaans. En dan was er nog het verplaatsen van de Cito-toets naar mei. Het Erasmiaans merkte de gevolgen van het feit dat niet langer de Cito-toets maar het advies van de leerkracht op de basisschool de enige maatstaf is. Tevergeefs pleitte het Erasmiaans voor een speciaal basisschool-advies “vwo-gymnasium”. ‘Nu melden zich hier soms kinderen met een vwo-advies maar met een veel te lage Cito. Die kunnen we niet weigeren, we kunnen hoogstens met de ouders in gesprek gaan en vragen of gymnasium wel de goede keuze is. Je moet kinderen kansen geven, maar je doet een leerling geen plezier als hij voortdurend te veel op zijn tenen moet lopen.’ Het vignet ‘excellente school’ van staatssecretaris Dekker heeft het Erasmiaans dit jaar net zo min aangevraagd als scholengemeenschap Hugo de Groot. Dat was vorig jaar niet goed bevallen. ‘Na een eenmalige dip in de examenresultaten waren we volgens die commissie meteen ook niet excellent meer,’ zegt Groenendijk. ‘We waren teleurgesteld, want ons was voorgehouden dat scholen niet alleen op hun eindexamenresultaten zouden worden afgerekend. Maar kennelijk draait het hele idee van excellentie alleen om cijfers, terwijl wij juist trots waren op wat we bereikten met onze talentenklassen en op ons uitgebreide cultuuronderwijs. In het kader van het Erasmusjaar doen we nu een uitwisseling met een gymnasium in Basel. Vijftien scholieren gaan daar naartoe en lezen daarvoor Erasmus in het Latijn en schaven aan hun Duits.’

Startpremie

Net als docenten in de exacte vakken zijn leraren Duits inmiddels een schaars goed in Rotterdam; ze worden sinds kort naar de stad gelokt met een speciale startpremie van vijfduizend euro. Op Erasmiaans hebben ze die premie niet nodig om leraren enthousiast te krijgen voor hun school, zegt Ank Groenendijk in de rectorskamer. ‘Wij zien liever dat er wordt geïnvesteerd in kleinere klassen. Invullen van vacatures is voor ons geen probleem, dat heeft te maken met de naam van de school, onze contacten met de universiteit en ons soort leerlingen. Die stellen hoge eisen, maar als je ze eenmaal voor je gewonnen hebt, is het hier heel fijn lesgeven.’

Eric van ’t Zelfde, op Zuid, signaleert een stevig maatschappelijk probleem. ‘Op universitaire docentenopleidingen en pabo’s zie je vooral veel blanke meisjes. Voor witte scholen zal altijd wel voldoende personeel zijn, maar op zwarte scholen is nu al een schreeuwend tekort, wat verborgen blijft door het inzetten van niet-gekwalificeerde docenten.’

Plotseling geagiteerd: ‘Er heerst al enorme onvrede in de onderklasse en de middenklasse en die gaan dan ook nog eens slecht onderwijs krijgen waardoor zij nog kanslozer worden in onze kennismaatschappij. Dat is echt killing voor de samenleving. En laten die politici in Den Haag zorgen voor gekwalificeerde docenten en als ze toch in actie komen ook maar voor een volledig lerarenpensioen na veertig jaar lesgeven. Er zijn uitzonderingen, maar over het algemeen wordt niemand wijzer van opa’s en oma’s voor de klas.’

Kostschool van de armen

Eind vorig jaar, na zijn hartfalen, was Van ’t Zelfde bijna gestopt. Hij was somber gestemd over de toekomst van zijn leerlingen. Maar een paar maanden later zijn de plannen voor zijn superschool juist in een stroomversnelling terecht gekomen. Hij heeft de politiek op één lijn gekregen: ‘De hele Tweede Kamer steunde mijn plan, behalve de PVV en de SGP. Dat laatste is een verkapt compliment.’ Voor zijn kostschool voor de armen, die Promise Academy Charlois is gedoopt, zal een gloednieuw schoolgebouw worden neergezet. ‘Dit pand gaat plat zodra de gemeente een tijdelijk onderkomen voor de school heeft gevonden. In het nieuwe gebouw hebben we straks peuters, kleuters, basisschool en middelbare school onder één dak met fantastische doorlopende leerlijnen en een rigoureuze wijziging van de inrichting van het onderwijs. En er komt een enorm zorgnet om die kinderen.’

Een leraar klopt aan en onderbreekt de fantasieën over de ideale school met de realiteit van alledag: een vechtpartij in de kantine. Twee vaders zijn de vorige dag slaags geraakt op het schoolplein, legt Van ’t Zelfde uit, terwijl hij naar de vechtenden snelt. Hun zonen imiteren hun vaders nu in de kantine. ‘Dat is tekenend voor de kansloze situatie van veel van deze kinderen. Ze krijgen van hun ouders het voorbeeld dat je met geweld je meningsverschillen oplost. Mij motiveert dat juist om in actie te komen. Wij willen de kostschool van de armen stichten, dat is onze heilige missie.’ En, lachend, maar met een serieuze ondertoon: ‘Als ik straks in het bejaardentehuis sta te biljarten, wil ik kunnen zeggen dat ik dan het onderwijs in Nederland heb hervormd. En dan niet als staatssecretaris, maar als directeurtje van een school in Charlois.’

Als een flaneur

Fotograaf Carel van Hees kwam voor zijn doen gematigd optimistisch terug van zijn omzwervingen in het Rotterdamse onderwijswereld, zegt hij als we de laatste foto’s bekijken. ‘Ik heb grote bewondering voor de moed en het doorzettingsvermogen van mensen als Groenendijk, Van ’t Zelfde en Oosterling die hier al zo lang aan het werk zijn. En ik ben nog veel meer intelligente en empathische leerkrachten tegengekomen die maar één ding willen: het onderwijs naar een hoger plan brengen. Maar het lijkt soms vechten tegen de bierkaai.’

Wat vooral ontbreekt, is het onderlinge begrip tussen de mannen en vrouwen uit de weerbarstige praktijk van de onderwijswereld en de politiek. Plannen die rechtstreeks voortkomen uit ervaringen voor de klas halen het maar zelden in Den Haag. Terwijl we langs het laatste gedeelte van zijn fotoroute lopen, wijst Van Hees op de positieve kanten van het onderwijs die toch de overhand hadden in de anderhalf jaar dat hij werkte aan Document Nederland.

‘Je schooltijd is een imposante periode van je leven. Je opvoeding vindt er plaats, je puberteit, je eerste flirts, je eerste liefde. Je leert er luisteren naar verhalen en je leert ze zelf vertellen.’ Hij heeft erover gedacht om zijn stijl aan te passen en meer te gaan regisseren, of om leerlingen tegen een groot wit scherm te portretteren. Maar hij bedacht dat het Rijksmuseum hem juist gevraagd had vanwege de eigen stijl van zijn werk. ‘Het is een fragiel evenwicht waarbij je koorddanser en zakkenroller ineen bent. Ik slenter wat rond als een flaneur, zogenaamd achteloos maar eigenlijk op jacht. Kijk daar, die leraar, een ongelooflijk empathische man, geeft alle kinderen op die zwarte basisschool elke ochtend een hand als ze op school komen: “Goeiemorgen, Mohammed, goeiemorgen Yasemin, goeiemorgen Angel.”’ En, wijzend op de laatste foto: ‘Achter dit meisje heb ik de hele dag aangezeten, maar ze wilde niet. Ik was klaar met fotograferen en ik stond al bij mijn auto toen ik op mijn schouder werd getikt. “Meneer, ik wil toch wel heel graag op de foto.” Ik vind haar prachtig, dat meisje met haar T-shirt “Paris”.’

Carel van Hees (Rotterdam, 1954)

Na de Academie voor Beeldende Kunsten werkte Carel van Hees enige jaren als fotojournalist voor Het Vrije Volk, NRC en Vrij Nederland. Daarna ondernam hij langdurige projecten die resulteerden in boeken en tentoonstellingen, zoals Weerstand/Resistance over de laatste levensfase van zes aidspatiënten, Saxman over de legendarische Rotterdamse saxofonist Piet le Blanc, over wie hij voor de VPRO ook een film maakte, en >Play – a photographic record, een boek met een cd met audiotracks met als onderwerp de vitaliteit en levenslust van jonge mensen aan het einde van de twintigste eeuw. In 2004 maakt hij de film Don’t Catch My Face, over een zomerse ontmoeting aan zee, en in 2007 de film 2km2, Het Heden van de Stad. Beide films gingen in première op het Internationale Film Festival Rotterdam. In 2011 maakte hij het boek en de expositie Eversteijn – bokser & herenkapper in Museum Boijmans Van Beuningen. In 2015 werkte Van Hees in opdracht van het Rijksmuseum aan Document Nederland, een visuele impressie van de stand van het Nederlandse onderwijs. Behalve in deze speciale uitgave zullen de foto’s te zien zijn in het Rijksmuseum, van 24 maart t/m 12 juni 2016.