In maart verscheen ‘Het noodlot van een ketter’, over Adriaan Koerbagh, die in de 17e eeuw moest boeten voor zijn religiekritiek.

Het was het eerste proces ter onderdrukking van wat de Verlichting zou gaan heten: de rechtszaak tegen Adriaan Koerbagh in 1668, naar aanleiding van de publicatie van zijn 672 pagina’s tellende woordenboek met de wonderlijke titel Het Bloemhof van allerley Lieflijkheyd sonder verdriet.

Koerbagh was een van de eerste vrijdenkers. Jonathan Israel noemt hem in zijn Radical Enlightenment een spinozist omdat hij net als Spinoza God in alles zag: God was ‘het wezen en zijn van alles’. Daarmee was hij een pantheïst, maar voor de machtige gereformeerden was het je reinste atheïsme.

Voor Koerbagh waren de godsdiensten vooral een bron van haat en nijd. Het lemma ‘Religie’ in de Bloemhof laat daar geen onzekerheid over bestaan: elke groep beweert en houdt staande dat zijn godsdienst de beste is, niet met argumenten, ‘maar met geweld van vuur...