Erwin Mortier
Het begint – maar wanneer begint zoiets, welke tekenen zijn de eerste? Het begint met het woord boek, het woord dat haar maar niet te binnen wil schieten wanneer ze op een middag voor mijn bibliotheek staat en vraagt wanneer ik nog ‘s, je weet wel, zo’n ding, of ik binnenkort weer ’s – en ze brengt haar handen met de vingers gestrekt naast elkaar en klapt ze open en dicht. Of ik dat nog ’s ging doen, dat schrijven, hoe heet dat, zo’n ding. Ze geeft mijn vader een por met de elleboog: Zeg jij het, jij weet het.
(Uit: ‘Gestameld liedboek’)
‘Zo is het letterlijk gegaan. Mijn moeder is altijd, op een vrolijke manier, een verstrooid type geweest. Toen ze haar eerste microgolf kocht – magnetron, heet dat bij jullie – dacht ze dat eetwaren daar net zo lang in moesten als in een klassieke oven. Ze heeft vrij vakkundig een hele kop verkoold. De zwarte walmen waren tot ver in de omtrek zichtbaar. Ze grossierde ook in geweldige versprekingen waar ik, als schrijver, mijn voordeel mee kon doen. Als er bezoek was, vroeg ze of iemand een portatiefje wilde drinken. Doorgaans gevolgd door licht hilarisch onbegrip. Maar dit woord, boek, daar was niet veel aan te verhaspelen.’
Ze kon niet op het woord komen waar uw leven in zekere zin om draait.
‘Ja, dat is een gruwelijk toeval. Na die gebeurtenis hebben we bij de neuroloog een afspraak gemaakt voor een onderzoek. De diagnose bleek alzheimer te zijn. Het was voor mij wel een slag dat de ziekte zich juist op die manier manifesteerde; in het hart van mijn arbeid.’
En nu hebt u haar verhaal in een boek gevangen.
‘Ik begon, toen ze de eerste tekenen van dementie ging vertonen, zaken op te schrijven. Ik borg ze op in een lade met het idee dat ik er later misschien iets mee zou kunnen doen. Hoe treurig, gruwelijk of tragisch het ook is wat ik meemaak, er is altijd een tweede figuur in mezelf, een soort gevoelloze psychopaat, die als het ware over mijn schouder meekijkt en denkt: tja, interessant.’
Op welk moment besloot u de lade te openen?
‘Depressie is een woord dat te vaak, te snel wordt gebruikt, maar ik kan toch wel stellen dat ik een periode met een latente neerslachtigheid heb rondgelopen. Er kwam geen poëzie meer; het was alsof ik, verdoofd, vanachter een grijze voile naar de wereld keek. Ik merkte dat ik met regelmaat terugkeerde naar de teksten die rond mijn moeder draaiden, maar dat ik ze net zo goed weer van mij afwierp. Op een gegeven moment kwam ik tot de conclusie: hier moet ik doorheen. Ik móést dit boek schrijven om verder te kunnen met de rest. Het heeft geholpen. Ik houd niet van dat geëmmer over therapeutisch schrijven – ik gruw van die hele verwerkingsindustrie. Verwerken, dat doe je met kompost, en met dooie varkens – maar ik moet zeggen dat er een last van mij afviel toen ik besloot er literatuur van te maken.’
Wat zorgde dan precies voor die verlichting?
‘De grijze waas trok weg. Schrijven aan dit boek werkte als een katalysator; ook de poëzie kwam weer op gang. Ik ben gelukkiger nu, maar ik besef ook dat een boek het verdriet niet kan verzachten. Het kan zomaar, ineens, uit de wandkast komen gesprongen. Als ik mijn moeder zie, of met mijn vader praat, dan vloek ik om het noodlot dat hen heeft getroffen. Ik heb ook niet per se over mijn moeder willen schrijven. Het vertrekt bij haar, maar ik denk toch dat het uiteindelijk verder reikt. Dat is wat voor mij zin geeft aan het schrijven; dat ik een dimensie bereik die boven het particuliere uitsteekt. Eerst dacht ik nog, cru gesteld, dat ze moest sterven voordat ik over haar kon schrijven, tot het mij begon te dagen dat juist de tijdloosheid, deze schemertoestand – tussen leven en dood, tussen spreken en zwijgen – het onderwerp was.’
Hoe is het verhaal van haar ziekte níét particulier?
‘Literatuur is natuurlijk altijd geworteld in het particuliere. Je talent komt niet uit de lucht vallen, het heeft een geschiedenis. Ik gebruik mijn eigen leven, maar wel met de bedoeling het de universaliteit in te slingeren. Het moet ook voorbij die ene ziekte gaan. Ik heb al tegen de uitgever gezegd: liever geen interviews met lotgenotenkranten, geen optredens voor het Alzheimergenootschap. Het is mooi als ouders of kinderen die iemand aan alzheimer hebben verloren er iets aan hebben – we moeten daar beslist niet op neerkijken – maar het boek wil meer zijn dan dat; het gaat over liefhebben en afscheid nemen. Het is een bitterzoete zang op het leven in het algemeen.’
Jullie kozen ervoor, als gezin, om haar niet te vertellen dat ze aan alzheimer lijdt.
‘Dat deden we op advies van onze huisarts, die al jaren een goede vriend van de familie is. Mijn moeder was nog zo jong – eind vijftig – en hij redeneerde dat we haar nog een aantal mooie jaren moesten gunnen. Misschien zou ze, als we het haar wel hadden verteld, heel depressief zijn geworden. De vraag of we er goed aan hebben gedaan om het zo te doen, is niet te beantwoorden. Je moet ermee leren leven dat het bestaan niet in die mate te vormen is. Er is altijd iets wat overblijft bij welke keuze je ook maakt. Mijn moeder had in korte tijd behoorlijk wat meegemaakt. Ze verloor haar vader, daarna haar enige zus en vervolgens kreeg ze kanker. We vonden het niet verwonderlijk dat ze neerslachtig was, we wilden haar de tijd gunnen om er weer bovenop te klauteren. In zekere zin werden we ook door die omstandigheden verblind want mensen die haar minder vaak zagen, lieten al eerder merken dat ze dachten dat er meer aan de hand was. Toen we voorstelden het onderzoek te doen, dacht ze eerst dat wij wisten dat de kanker was terugkomen en dat we haar het nieuws zachtjes wilden brengen. “Nee,” zeiden we, “je merkt toch zelf ook wel dat je geheugen een beetje achteruitgaat? Daar bestaan pilletjes voor. Dat is alles.” Haar opluchting was enorm. Geen kanker! Ze had nooit aan een andere mogelijkheid gedacht en ze is bijna glimlachend opgelost in de vergetelheid.’
U beschrijft ook hoe angstig en wanhopig ze kon zijn.
‘Maar dat was ze niet continu. Ze kon ook tot rust komen, zeker in de nabijheid van mijn vader. De eerste jaren was haar toestand sowieso redelijk stabiel. Daarna, in het najaar van 2008, is ze, vrij plotseling, heel hard achteruitgegaan. Het ging zó snel, we konden het haast zien gebeuren. Ze herkent nu bijna niemand meer. Ze kijkt me aan alsof ze naar het behang staart. Alleen bij mijn vader en bij een oude jeugdvriend – ik denk dat hij haar eerste liefde was – geeft ze nog blijken van herkenning. Soms zie ik ook een mondhoek trillen maar… alzheimer is niet: niet meer op een bepaald woord kunnen komen, nee, het is het volledig verdwijnen van de taal. Ik heb er een periode over gepiekerd dat ze niet meer kon praten maar nog wél het bewustzijn had – een gruwelijke gedachte – maar zo is het gelukkig niet. Het spraakcentrum valt weg. Totale afbraak.’
U had haar de vrolijke variant van dementie gegund.
‘Ja, Gerard Reve leek steeds gelukkiger te worden. Hij vond alles prachtig. Op het laatst zei hij zelfs tegen me dat hij Harry Mulisch een goede schrijver vond.’
De tijd bindt ons niet samen in vergetelheid, maar ontrafelt ons tot herinneringen. Met schrijven ben ik pas echt begonnen, vermoed ik, toen ik ging beseffen dat de woorden op hun best zijn wanneer we ze als minuscule kompasnaalden kunnen laten trillen op die ongrijpbare magneetvelden die iemands gehele ‘zijn’ uitmaken – ongeveer zoals ijzervijlsel zich ordent in patronen op een vel papier waaronder een magneet wordt gehouden. Uit de wolk die mijn moeder wordt en die ze eigenlijk nu al is zullen af en toe onverwacht scherven van beelden wegschieten, ongehoord scherp – hoe ze lachte, het gebaar waarmee ze een haarlok achter haar oren schikte… En dan zullen we zeggen: Ja, zo was ze.
(Uit: ‘Gestameld liedboek’)
‘Ze was heel uitbundig. Ze was iemand die, zodra de eerste voorjaarszon te voorschijn kwam, al haar kleren uitgooide en dan in de zon ging liggen. En ’s winters kon ze haast niet wachten op het ijs, zodra het meer en de sloten bevroren waren bond ze haar schaatsen onder en was ze urenlang onvindbaar. Ze was iemand die van leven, van gezelschap hield. Wij zaten zelden met zijn zevenen aan tafel. Iedereen was welkom. Of je nou de koning was of een vuilnisman. Ze was een warm, open iemand. Gul. Het was altijd kermis met ons’ moeder. Als het geen feest was, dan was er wel spektakel. Tegelijkertijd had ze een tobberige kant, gevormd, getekend door haar ouderlijk milieu. Haar ouders waren als twintigers tijdens de Tweede Wereldoorlog in de collaboratie terechtgekomen. Mijn grootouders hebben nooit over gevoelens van rouw, gekwetstheid of schuld gesproken met hun kinderen. In die cultuur van verzwijgen is mijn moeder opgegroeid. Ik ben dat beter gaan zien toen ik zelf volwassen werd; je moet als kind chocola zien te maken van de geschiedenissen van je verwekkers. Ik denk dat die hele situatie van mijn moeders familie mijn schrijversgevoeligheid mede heeft beïnvloed. Voor mij is schrijven de oplossing geweest; het is spreken en zwijgen tegelijkertijd. Het huwelijk van mijn ouders was er overigens één uit duizend. Het was de perfecte combinatie van twee verschillende naturen: het zachte, stille van mijn vader en het levendige, tobberige van mijn moeder. Als een ongelukkige jeugd een schrijversgoudmijn zou zijn dan ben ik toch een totale armoedzaaier.’
Hoe is ze nu?
‘Graatmager, graatmager… Ze loopt van die kleine pasjes, met haar hoofd tussen de schouders. Ze lijkt wel een vrouw van tachtig. Ze is weg.’
Welk deel van dit verhaal is voor u het verdrietigst?
‘De machteloosheid. Mijn vader te moeten zien lijden onder het besef dat zijn vrouw langzaam sterft. Ik herinner me haar vaders dood, zestien jaar geleden. Het was een man met wie ik weinig had, een lieve man, hoor, maar een beetje een banale vent, eigenlijk. Toen ik gebeld werd dat hij dood was, heeft Lieven (Vandenhaute, zijn partner sinds jaren – AV) me omarmd en ’s anderendaags gezegd dat ik niet echt om mijn grootvader huilde, maar om het verdriet van mijn oma. Dus vermoed ik dat het verdriet, als straks mijn moeder er niet meer is, voor een groot stuk verdriet zal zijn om het verdriet van mijn vader. De gedachte dat hij verder moet zonder de vrouw met wie hij letterlijk – ze zijn bijna nooit uit elkaars buurt geweest – veertig jaar heeft samengeleefd, vind ik bijna onverdraaglijk.’
Heeft uw moeder ooit iets over euthanasie gezegd?
‘Nee, mijn ouders zijn altijd zeer gelovig geweest – niet kleingeestig, geen kribbebijters, maar progressief, open – en het leven beëindigen, bijvoorbeeld zoals Hugo Claus het heeft gedaan, was voor hen uit den boze. De grens tussen palliatieve zorg en een zachte, welhaast passieve euthanasie – één druk op de morfinepomp – is bijna niet meer te trekken. Ik ben er blij mee dat mijn vader heeft gezegd dat hij het signaal zal geven: nu kan ze niet langer thuis verzorgd worden. Of: ze mag niet gaan liggen creperen, er moet iets gebeuren. Ze leidt nu al bijna een vegetatief bestaan. Ik geloof dat ik in dit stadium niet meer zou aarzelen, maar ik heb ook heel lang gedacht: ze is nog altijd, herkenbaar, mijn moeder. Op een of andere manier geloof ik in een soort ziel – ik heb er geen ander woord voor – en zolang die er nog is, zolang ik nog ergens daarbinnen iets, een soort van suizen, meen te kunnen horen, ben ik er geen voorstander van om in te grijpen.’
Heeft dit plotselinge, rigoureuze verval van uw moeder uw kijk op het leven veranderd?
‘Ik denk het… Ik wist wel: op een dag valt de generatie waaruit je bent voortgekomen weg. Ik heb theoretische kennis opgedaan in de honderden romans die ik heb gelezen, de toneelstukken die ik heb gezien, de invoelende muziek die ik heb gehoord, maar als het zo voor je neus staat, is het…’
Een banaal iets.
‘Ja, banaal en tegelijkertijd helemaal niet banaal. In de afgelopen jaren is een flink aantal goede vrienden gestorven. Ze hielden op met ademen. Zoals wij hier in Vlaanderen zeggen: je staat erbij te gapen als een uil op een kluitje. Het is even onbevattelijk als banaal. Het blijft een mysterie: dat wat was, is er plotseling niet meer.’
Bent u anders gaan denken over de eindigheid?
‘Ik heb het voordeel dat ik al sinds mijn zestiende zo’n beetje elke dag nadenk over de dood. Al moet ik zeggen dat het mij minder bezighoudt dan toen. We moeten allemaal een keer voor de bijl. Daar moet je niet te lang bij stil blijven staan. Je moet voort met je leven. Het besef dat er een eindpunt is, geeft ook betekenis aan het leven dat er – met zijn goede en kwade aspecten – aan vooraf gaat. Het feit dat wij deel uitmaken van de natuur en zijn wetmatigheden, biedt mij toch een soort troost. Die troost, hoe raar dat misschien ook klinkt, komt ook voort uit de confrontatie met de sterfelijkheid van je naasten. Om het met veel dichterlijke vrijheid te zeggen: het laatste wat ouders je voordoen, is sterven.’
U schenkt uw moeder in Gestameld liedboek een prachtig einde.
‘Ik heb het boek laten eindigen met een droom die ik een paar jaar geleden heb gehad. Het verhaal moet een soort existentiële berusting met de situatie verbeelden. Concreet: ze is nu nog thuis en krijgt dagopvang. Binnenkort is dat niet meer mogelijk en zal ze het huis, waar mijn overgrootouders ook hebben gewoond, moeten verlaten. Het wordt het definitieve bewijs dat er een einde is gekomen aan het samenwonen van mijn ouders. Het wordt het afscheid van een lange geschiedenis waar ik deel van heb uitgemaakt. Mijn band met de negentiende eeuw, die ik als klein kind nog zo sterk heb gevoeld, is dan voorbij. De eenentwintigste eeuw is dan voorgoed begonnen.’
Vannacht droomde ik dat het zwaar gesneeuwd had en erg koud was, een vriesnacht, en dat ze buiten wilde spelen, in haar nachtkleed. Ze danste door de tuin, op blote voeten in de sneeuw, en ze verborg zich in een holle boomstam. Ze wilde slapen, zei ze, en ze was er met geen stokken weg te krijgen, terwijl het steeds kouder en donkerder werd.
Ik hoorde iemand, misschien mijn vader, zeggen dat ze geen besef meer had van kou en tijd, en dat we haar misschien beter lieten slapen. We gingen naar binnen, lieten haar achter.
’s Ochtends liep ik de tuin in. De sneeuw was geweken. Het was een vroege lentedag. Tussen de naakte boomstammen en de bloeiende helwitte bosanemonen zag ik kinderen die tegelijk piepjong en oeroud leken over de paden ravotten. Ze kirden en joelden en hadden identieke witte kamerjassen aan. Eentje danste uitgelaten langs me heen en brabbelde iets. Ik wist dat het mijn moeder was.
Ik zag haar met die andere kinderen in het onderhout verdwijnen, hoorde hun gelach vervagen en ik dacht: het is goed zo.
(Uit: ‘Gestameld liedboek’)
Erwin Mortier
Erwin Mortier (Nevele, België, 1965) debuteerde in 1999 met de roman Marcel waarvoor hij de Gerard Walschapprijs, de Debutantenprijs en het Gouden Ezelsoor kreeg. Voor zijn dichtbundel Vergeten licht ontving hij in 2002 de C. Buddingh’-prijs en in 2009 werd zijn roman Godenslaap bekroond met de AKO Literatuurprijs.
‘Gestameld liedboek. Moedergetijden’ verschijnt op 9 september bij De Bezige Bij
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.