Haar vader sloeg. Hij gebruikte een zweep met leren riempjes. Zij, ze kwam van Brussel en groeide op in eeuwige armoede, tijdens het laatste restje van de negentiende eeuw. Maar Nel, zij wilde niet overleven, ze wilde dansen, ze wilde vuur. Het leven, dat moest vol kleur, geen sleur.

Ze ging de straat op, trok de stad in en ontmoette er artiesten, de bohƩmien. Bij een zoveelste slemppartij was hij er plotseling, de woest aantrekkelijke kunstenaar die ze eens ontmoetten zou. Rik Wouters heette hij. Maar was hij vrij? Nee, hij was bezet. Zijn eerste lief, sprak hij, dat was de kunst. Toch was er een plek vacant. Hij zei het: wilde zij misschien zijn muze zijn?

Tijd was een futieleĀ drempelĀ voor ze naakt voor hem stond. Poserend in zijn atelier, naast een kacheltje. Hij kleide haar vormen in hetĀ grote brok klei dat tussen hen in stond. Telkens dat zijn duim de klei in duwde was het alsĀ streeldeĀ hij haar lichaam rond. Zijn handen vormden er een ode aan. Een ode aan haar...