Het wegschuiven van God zo’n paar eeuwen geleden heeft volgens Ger Groot gezorgd voor chaos in de samenleving. Hij blijft maar betreuren dat de samenhang met God verdwenen is, alsof God zo’n vredesduif was.
Het is niet goed wanneer de geest uit de fles is. Dan is hij niet meer te houden en gaat hij ongecontroleerd zijn gang. Dan moet hij terug. Volgens de filosoof Ger Groot is de geest sinds de Verlichting gevlogen en heeft dat catastrofale gevolgen gehad. De mens ging denken dat hij almachtig was en begon oorlogen te voeren en roofbouw op de aarde te plegen. Die geest heeft ook wel iets ten goede voortgebracht, geeft hij schoorvoetend toe, maar er is zoveel negatiefs uit voortgekomen dat we ons nu in de toestand bevinden dat de mens zijn eigen raadsel is geworden, ‘een levende tegenspraak’. We weten niet meer ‘hoe we de mens moeten definiëren’. De situatie is nu ‘dat we niet alleen de mens, maar diens hele leefwereld opnieuw moeten doordenken,’ schrijft Groot in De geest uit de fles, zijn cultuurgeschiedenis over ‘Hoe de moderne mens werd wie hij is’.
Dat de mens een raadsel is geworden, is een slechte oogst voor de vier eeuwen geschiedenis die Groot behandelt. Het kan niet waar zijn. Het moet aan Groot liggen. Hoeveel hij ook aansnijdt, zijn onderliggende onbehagen is dat alles zo is gelopen omdat de mens op eigen houtje is begonnen en de plaats van God heeft ingenomen, ‘eigenmachtig’ is geworden. De dood van God en het wegschuiven van alles waar God voor staat, heeft volgens Groot voor het verlies van de samenhang in het bestaan gezorgd. Er is geen absolute ‘ankerplaats’ meer. De mens is vaderloos geworden, heeft niemand meer aan wie hij in hoogste instantie verantwoording moet afleggen. Niets is daardoor meer zeker.
Volgens de filosoof Ger Groot is de geest sinds de Verlichting vervlogen.
Groot maakt zoveel werk van die onzekerheid dat het bestaan op een permanente zeeziekte gaat lijken. Alle ‘grondcategorieën’ van ons leven – de ethiek, de esthetiek, de politiek, het recht – moeten het doen zonder dat absolute ‘ankerpunt’. En dat kan niet, want de door Groot beschreven ‘humanistische pretentie’ het zonder God af te kunnen, is volgens hem op niets gebaseerd. Er is een contradictie ontstaan tussen die pretentie en ‘het menselijk onvermogen daaraan te beantwoorden’. De mens kan de plaatsvervanger van God niet zijn, want daar is zijn autonomie te beperkt voor. Hij is sterfelijk, feilbaar, kwaadaardig en wordt gestuurd door krachten, structuren en stemmen ‘die hij zelf niet is’, zoals de taal, het onbewuste, de maatschappelijke structuren, zijn agressie. De mens is veel te afhankelijk van zaken buiten hem om.
Groot beschouwt de mens als zo totaal ongeschikt dat er van de menselijke vrijheid helemaal niets meer over blijft. Maar die bestaat nog wel degelijk, ook al wordt de mens door heel wat demonen bestookt. Die proberen hem af te houden van zijn vertrouwen het zonder God af te kunnen. Dat is misschien wel zijn trots. Groot blijft het maar betreuren dat de samenhang met God verdwenen is, alsof God zo’n vredesduif was. Hoe onzeker ook, de mens is heel goed in staat zijn ethiek, esthetiek, politiek en recht van menselijke ankerpunten te voorzien, al zijn die dan niet absoluut. De geest gaat daarbij graag terug in de fles.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.