Wetenschapsfilosoof André Klukhuhn beschouwt niet Engeland, Frankrijk of Duitsland als de bakermat van de Verlichting, maar Nederland. Klukhuhns geforceerde nadruk op ‘het licht’ overtuigt uiteindelijk echter niet.
In 1668, meer dan een eeuw voor het artikel waarin Emmanuel Kant de vraag beantwoordt wat Verlichting is, verscheen Een ligt schijnende in duystere plaatsen, het boek van Adriaen Koerbagh waarin de Bijbel een warrig boek wordt genoemd en waarin het bestaan van de hemel, de hel, demonen, engelen, magie, waarzeggerij, hekserij en wonderen wordt ontkend. Koerbagh bediende zich van zijn eigen verstand voordat Kant daartoe opriep. Dat ging wel ten koste van zijn leven. In de als tolerant bekend staande Republiek werd hij aangeklaagd voor godslastering. Hij werd geketend in een open wagen van Leiden naar Amsterdam vervoerd en daar veroordeeld tot tien jaar gevangenis, uit te zitten in het Rasphuis aan de Heiligeweg. De omstandigheden waren daar zo beroerd dat Koerbagh binnen een jaar overleed.
Het licht dat Adriaen Koerbagh op duistere plaatsen wierp was het licht van de rede, dezelfde rede waarmee in de achttiende eeuw filosofen als Kant, Voltaire, Montesquieu, Diderot en Hume ervoor zorgden dat men over hun eeuw is gaan spreken als ‘de eeuw van de rede’, of ‘de eeuw van de Verlichting’. Koerbagh behoorde tot de vroege Verlichting en dat was volgens de Amerikaanse historicus Jonathan Israel een ‘Radicale Verlichting’. Spil daarvan was Spinoza, tot wiens kring Koerbagh behoorde. Spinoza projecteerde God niet meer in een persoon met een warrige baard, maar in alles. God was alles.
In de uitdrukking ‘Het licht van de rede’ is het licht een metafoor voor helder denken, zoveel mogelijk rekening houdend met feiten en bewijzen. Volgens de wetenschapsfilosoof André Klukhuhn was het licht in de zeventiende eeuw niet alleen maar een metafoor voor helder denken, maar was het ook concreet aanwezig in de vorm van uitvindingen die meer licht wierpen op de werkelijkheid, zoals de telescoop, de microscoop, de bril en de camera obscura. Hiermee opende het licht nieuwe werelden. Omdat dit volgens Klukhuhn Nederlandse vindingen waren geeft hij Licht, zijn boek hierover, als ondertitel: De Nederlandse Republiek als bakermat van de Verlichting.
Het zou al te mooi zijn wanneer er naast een Gouden Eeuw, ook nog een Hollandse Eeuw van het licht als bakermat van de Europese Verlichting zou zijn. Niet de Engelse en Schotse Enligthenment, niet de Franse Lumière, niet de Duitse Aufklärung. Nee, het fijne Hollandse en Zeeuwse zand dat zo geschikt was voor het maken van glas en voor het slijpen van lenzen: dat was volgens Klukhuhn ‘een bepalende factor voor het tot stand komen van de grote culturele revolutie in de Gouden Eeuw.’
Klukhuhn wil het Hollandse licht graag overal in de Hollandse filosofie, de wetenschap en de kunsten zien. Maar wie zijn onderhoudende boek goed leest komt tot de slotsom dat, behalve het gebruik van het zand, niet hard kan worden aangetoond dat de telescoop en de microscoop pure Hollandse vindingen zijn. In Middelburg waren in het begin van de zeventiende eeuw Venetiaanse glasblazers aan het werk. Hans Lippershey heeft zijn telescoop in de vorm van een orgelpijp met lenzen in 1608 aan Prins Maurits gedemonstreerd in het bijzijn van Van Oldenbarnevelt. Maar Klukhuhn sluit niet uit dat Lippershey en Zacharias Janssen, ‘voordat zij met hun Hollandse kijker op de proppen kwamen’, op hun reizen een ontmoeting hebben gehad met Juan Roget, de Franse brillenmaker die claimt de eerste verrekijker gemaakt te hebben. Ze zouden ‘hun idee best eens bij hem hebben kunnen opgedaan.’ Dat maakt Klukhuhns suggestie dat Galilei zijn astronomische ontdekkingen met Hollandse instrumenten zou hebben gedaan al minder waarschijnlijk. Temeer omdat de enige lens die van Galilei bewaard is gebleven niet bepaald gemaakt is van fijn Hollands glas: die lens is melkachtig, gespikkeld, gebarsten, stoffig en grijs van kleur.

Natuurlijk hebben Antoni van Leeuwenhoek, Christiaan Huygens, Spinoza, Descartes en Cornelis Drebbel met hun instrumenten en rationele kennis onbekende werelden geopend. Ze waren onmisbaar voor de voortgang van de wetenschap en behoorden tot de waardevolste informanten van de Engelse Royal Society. Ze waren bepalend voor de grondige transformatie die in de zeventiende eeuw plaatshad: door de telescoop en de microscoop kon ineens heel wat meer gezien worden dan met het blote oog waargenomen kon worden. Er werden onbekende werelden geopend, ‘een nieuw theater van de natuur’ zoals Constantijn Huygens zei: van de anatomie van een luis tot de duizenden micro-organismen in een druppel regenwater en de eerste geheimen van het sperma. De microscoop wierp wetenschappelijk licht in de duisternis.
Het licht was het symbool voor de rationale instelling van de geleerden. Zij gingen als het ware met een lantaren in hun hand door het leven en verlichtten alles wat de duistere middeleeuwen verborgen had gehouden. Copernicus en Galilei haalden met hun waarnemingen het geocentrische christelijk-aristotelische wereldbeeld neer: niet de aarde, maar de zon was het vaste hemellichaam. Daarmee ontstond het heliocentrische wereldbeeld. Er kon meteen getwijfeld worden aan het bestaan van de christelijke hemel en hel. Dat leidde tot de nodige onzekerheid en verwarring, zodat de Engelse dichter John Donne kon schrijven: ‘De nieuwe filosofie trekt alles in twijfel,/De zon is zoek, de aarde ook, en het verstand/(…)Alles is in duigen, alle samenhang verdwenen.’
Dat wilde overigens niet zeggen dat men wist wat het licht zelf eigenlijk was. Tussen neus en lippen door schrijft Klukhuhn dat daarover allerminst eensgezindheid was. Descartes, Hobbes, Huygens, Newton, allemaal hadden ze er andere ideeën over. De één beschouwde het als een golfverschijnsel (Huygens), de ander als bewegende deeltjes (Newton). Het duurde tot het midden van de negentiende eeuw voordat men inzag dat die twee samen genomen moesten worden. Waarna Einstein er nog iets over te zeggen had.
Om de alomtegenwoordigheid van het licht aan te tonen zoekt Klukhuhn er op een geforceerde manier naar bij Vondel en P.C. Hooft.
Klukhuhn heeft de verleiding niet weerstaan om het licht overal te willen zien. Het licht van de rede is heel iets anders dan het licht op de schilderijen van Hollandse meesters. Hij maakt veel werk van de camera obscura die door schilders als Vermeer gebruikt zou zijn, maar er is door niemand overtuigend aangetoond dat hij of een andere schilder hem echt gebruikt heeft. Het clair-obscur is door Caravaggio en Rembrandt wel tot volle wasdom gekomen in de zeventiende eeuw, maar bestond al in de klassieke oudheid. Om de alomtegenwoordigheid van het licht aan te tonen zoekt Klukhuhn er op een geforceerde manier naar bij Vondel en P.C. Hooft. Elke dichter uit die tijd met een christelijke inslag heeft het over het licht, of het nu van God, de Bijbel of de heilige geest komt.
Na zo vaardig gejongleerd te hebben met zijn enorme wetenschappelijke kennis komt het bepaald als een verrassing dat Klukhuhn zelf niet eenduidig in de zegeningen van de rede en de wetenschap gelooft. Hij heeft zoveel kennis van de verschillende harde wetenschappen, en kent dus de bewijzen voor de validiteit van die kennis, en toch wil hij niets weten van ‘wetenschappelijk monisme’: ‘Wetenschap en godsdienst sluiten elkaar niet per definitie uit,’ schrijft hij, ‘maar kunnen elkaar complementair aanvullen.’
Als het er op aan komt (en soms komt het erop aan) moet er gekozen worden, voor geloven, of voor kennis.
Er is in Licht geen enkel moment dat Klukhuhn het licht in verband brengt met iets existentieels, met licht als een psychologisch of metafysisch verschijnsel dat voor een gelovige een special betekenis heeft (die rol speelde het licht bij Kees Fens). Dus is het opmerkelijk dat Klukhuhn de godsdienst ineens een gelijkwaardige rol geeft als de wetenschap, alsof de wetenschap een groot deel van godsdienst niet als onhoudbaar heeft verklaard, van het geloof in het hiernamaals, het geloof in wonderen tot het geloof in de genade Gods. Toch schrijft Klukhuhn: ‘Het doel van de godsdienst (…) ligt in het creëren van een comfortabele positie in een onbegrijpelijke en beangstigend grote tijdruimte.’ Klukhuhn zegt een ‘pluralistisch’ standpunt in te nemen als het gaat om godsdienst en wetenschap. Dat is wel erg coulant en braaf. Je kunt iedereen van alles laten geloven, maar als het er op aan komt (en soms komt het erop aan) moet er gekozen worden, voor geloven, of voor kennis.
Licht is een onderhoudend, maar ook onevenwichtig boek. Klukhuhn vindt het nodig steeds wanneer hij iemand ter sprake brengt (Descartes, Huygens, Van Leeuwenhoek) uitvoerig zijn leven na te vertellen, terwijl je vooral wilt weten wat zijn verhouding tot het licht is. Het toont wel aan dat Klukhuhn evenveel waarde hecht aan hun biografie als aan hun wetenschappelijke werk. Verrassend is ook dat Klukhuhn uitvoerig ingaat op Spinoza (immers een slijper van lenzen) als sloper van het christelijke wereldbeeld, maar dat hij de uitgangspunten van Spinoza’s eigen wereldbeeld vol ‘occulte duisterheid’ vindt. En terwijl het in het hele boek gaat over ‘het licht van de rede’, betwijfelt Klukhuhn of de rede wel ‘prioriteit moet hebben boven gevoelens en waarnemingen.’
Op een gegeven moment laat Klukhuhm zich ontvallen dat – ‘o ironie’ – de telescoop werd gemaakt van de pijp van een kerkorgel. Daar werden lenzen in gemonteerd. Door de nuchtere waarnemingen door middel van de telescoop werkte de kerk daardoor indirect mee aan de onttovering van het geloof. Die ironie gaat André Klukhuhn te ver. De telescoop mag het geloof voor Klukhuhn niet ontkrachten, moet naast de wetenschap een plaats hebben: ‘een nevenstelling van twee legitieme verhalen met ieder hun eigen deelwaarheid op hun eigen gebied.’ Dit is een mirakel. Zou Adriaen Koerbagh daarmee gered zijn?
Licht. De Nederlandse Republiek als bakermat van de Verlichting van André Klukhuhn is uitgegeven door De Bezige Bij.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.