Het is de vorige avond laat geworden. Dus draait Gerard Holleeder zich nog een keertje om op maandagochtend 11 oktober 1999, ook al is het bijna tien uur.

Gerard, die bedrijfsleider is in een gokhal op de Amsterdamse Wallen, heeft geen haast. Pas later die dag wordt hij op de zaak verwacht. Dan hoort hij gestommel in het trappenhuis van zijn Amstelveense woning. Het zal zijn vrouw zijn die net de kinderen naar school heeft gebracht. Hij drukt slaapdronken zijn hoofd opnieuw in het kussen.

Plotseling vliegt de slaapkamerdeur open. Gerard schrikt wakker en ziet een man binnenstormen. Hij heeft een pistool in zijn handen. ‘Tekenen!’ schreeuwt de indringer. De man gooit een papier op het nachtkastje en herhaalt het bevel. Wat is dit denkt Gerard en met zijn wazige hoofd weigert hij. ‘Wat nou, mafkees, ik teken helemaal niks.’ Pats! Hij krijgt een klap tegen zijn slaap met de loop van het pistool en voelt een stekende pijn. Het bloed stroomt meteen over zijn gezicht. ‘Tekenen! Ander schiet ik, je tekent hoe dan ook,’ sist de man. ‘Geld, ik moet geld hebben, we weten dat hier geld ligt.’

Ze denken zeker dat ik geld van de gokhal thuis heb liggen, beseft Gerard. Maar dat is niet zo. De angst grijpt hem om het hart. Van lieverlee tekent hij het A4’tje naast hem zonder te lezen. Hij ziet slechts wat getypte tekst. De agressieve man grist het weg en snauwt: ‘Het gaat om een schuld van Willem.’ Daarna doorzoekt hij vluchtig de slaapkamer.

Advertentie

Advertentie

Gereedschapskist

Dan komt een andere man naar boven met Gerards vrouw. Het is het maatje van de agressieve en een stuk kleiner dan zijn kompaan. Als ze geen geld vinden, wordt al snel duidelijk dat de twee Gerard willen meenemen. Hij kleedt zich aan, krijgt beneden een stuk tape op de wond geplakt, afkomstig uit zijn eigen gereedschapskist, en wordt vervolgens snel in een auto gestopt die naast het huis staat. Door de wond, de angst en het tumult heeft hij geen idee wat er met zijn vrouw gebeurt; voor hij het weet, zit Gerard op de achterbank van een Lancia, zo’n oude, vierkante. Een lichtblauwe. Dat dringt nog wel tot hem door.

Ze rijden weg, richting Amsterdam. De twee mannen dragen geen maskers. Toch herkent Gerard hen niet. Ze zijn tussen de dertig en veertig, schat hij. Beiden hebben blond haar, de een wat langer dan de andere. De agressieve van de twee draagt een bril met goudkleurig montuur.

Pas als ze stoppen, heeft Gerard in de gaten dat ze voor het huis van zijn baas staan. Zijn baas is Marcel Kaatee, de directeur van de gokhallen Molensteeg 1 en de Buddy Buddy op de Oudezijds Achterburgwal. De man met het pistool beveelt hem Kaatee te bellen en tegen zijn werkgever te zeggen dat hij naar zijn woning moet komen. Als Gerard Kaatee aan de lijn krijgt, vraagt deze niet om uitleg, maar belooft zo snel mogelijk in de auto te stappen.
Een halfuur gaat voorbij; de ontvoerders wachten zwijgend. Ineens komt Kaatee aanlopen. Snel stappen ze alle drie uit. De gewapende man heeft zijn pistool verborgen. ‘Kom op, naar binnen!’ krijgt Kaatee te horen. De gokhaldirecteur ziet de hoofdwond van Gerard en weet meteen dat er iets niet in de haak is. ‘Mijn vrouw is binnen en m’n kind ligt ziek op bed,’ probeert hij nog, maar de twee ontvoerders zijn onvermurwbaar.

Papiertje

Binnen zegt Kaatee zo ongedwongen mogelijk tegen zijn vrouw dat hij ‘even met een paar kerels naar boven gaat’. Ze speelt het spelletje mee en doet alsof ze niets in de gaten heeft. Kaatee wordt op zijn eigen zolderkamer ook gedwongen het papiertje te tekenen. Hij vraagt waar het om gaat, waarop de kleine man zegt: ‘Gerard zijn broer heeft tien miljoen gulden geleend en dat moeten we terug hebben.’ Bij de naam van de schuldeiser staan alleen maar puntjes. Kaatee tekent, hij ziet door de dreigende situatie geen andere mogelijkheid. Daarna doorzoeken de mannen het kantoortje aan huis, maar net als bij Gerard vangen ze bot.

Dan maar naar de goktenten waarvan Kaatee de bedrijfsleider is. De boeven eisen het geld dat daar in de kluis ligt, volgens hen zo’n honderdvijftigduizend gulden. Blijkbaar zijn de heren goed op de hoogte, want de weekopbrengst van Molensteeg 1 en Buddy Buddy wordt op maandagochtend gestort. Terwijl Gerard bij de agressieve man in de auto stapt, rijdt Kaatee met de ander naar de Wallen. Daar haalt hij alles uit de kluis, die maandag een bedrag van ‘slechts’ 75.000 gulden. Met de zak geld loopt hij terug naar zijn ontvoerder. Waar Gerard op dat moment is, weet Kaatee niet. Die is met de andere man mee, als wisselgeld. ‘Ik wil eerst weten of Gerard in orde is, en of jullie hem vrijlaten,’ zegt Kaatee als hij terug is bij de auto. De man duwt hem een telefoon in zijn handen. Hij krijgt Gerard aan de lijn en die zegt dat hij het goed maakt. Beiden worden daarop vrijgelaten, terwijl hun ontvoerders zich snel uit de voeten maken. ‘Geen domme dingen doen, he,’ roepen ze – geheel volgens het cliche – hun slachtoffers nog na.

Rosse buurt

Door wie Marcel Kaatee en Gerard Holleeder zijn ontvoerd, is nooit bekend geworden. Wel doen ze aangifte bij de Amsterdamse politie en verklaren uitvoerig over die angstige maandagochtend in 1999. Daarna nemen ze contact op met iemand die in beider leven een rol speelt, als broer en als goede kennis: Willem Holleeder.

Al jarenlang gaat het verhaal dat de Heineken-ontvoerder in de hoofdstad grote belangen heeft in de rosse buurt. Politieagenten, de commissie-Van Traa, Willem Endstra in zijn achterbankgesprekken met de recherche en onlangs nog Thomas van der Bijl, het voormalige maatje van de Heineken-ontvoerders: allen zijn ervan overtuigd dat Holleeder samen met Cor van Hout en de broers Ruud en Rob Grifhorst heeft geinvesteerd in de gok- en seksindustrie op de Wallen.

De – toch wat knullige – ontvoerders lijken ook in die veronderstelling te verkeren. ‘Het is voor een schuld van Willem’ en ‘Gerard zijn broer heeft tien miljoen geleend’, zeggen ze tegen hun slachtoffers als die gedwongen worden de schuldbekentenis te tekenen. Tegenover de politie ontkent Gerard Holleeder echter ten stelligste dat zijn broer iets met de gokhallen te maken heeft. ‘Dat kan niet de reden zijn van deze ontvoering. Ik ben een simpele jongen, ik doe gewoon mijn werk en heb helemaal niets met dat wereldje te maken.’

Het is logisch dat Willem Holleeder zich in 1999 druk maakt over de ontvoering: het gaat immers om zijn broer. Toch gaat die betrokkenheid bij het wel en wee van de Molensteeg verder, vermoedt justitie. Niet voor niets zijn aan het huidige strafdossier de telefoontaps op Holleeder uit die tijd toegevoegd. Het zijn afgeluisterde gesprekken die hij voert kort nadat zijn broer Gerard hem heeft ingelicht over de ontvoering en het ontvreemde geldbedrag. Holleeder belt daarna stad en land af en vooral zijn toenmalige maatje en topcrimineel Sam Klepper reageert furieus op de kidnap. Hij zweert dat ze de daders zullen achterhalen.