Jaffe Vink

‘Maar Diederik, het was toch gewoon een klótecampagne?’ Tot nu toe is Jaffe Vink (62) vooral de schoolmeester geweest die vanaf het spreekgestoelte in de Rode Hoed de twintig jaar jongere Diederik Samsom de les las. Nu valt de schrijver van Wie is er bang voor de vooruitgang even uit die rol: hij is echt boos. Eind vorige eeuw waarschuwde de milieubeweging tegen resten van zevenentwintig chemische bestrijdingsmiddelen in groente en fruit. Die zouden de hormoonhuishouding verstoren, vandaar dat de campagne werd ondersteund met een poster waarop een krop sla als voorbehoedsmiddel werd aangeprezen. Boeren en tuinders kwalificeerden die grap zestien jaar geleden als ‘ranzig en ver beneden peil’. Vink is er nog steeds opgewonden over, vooral omdat er volgens hem niets klopt van het onderzoek waarop de campagne was gebaseerd.

Voor Jaffe Vink – vlinderdas, wit professorenhaar en een brilletje – is Diederik Samsom vanmiddag de belichaming van het kwaad. Samsom mag dan ooit zijn opgeleid tot technisch natuurkundige, vanmiddag staat hij als voormalig Greenpeace-activist model voor de milieuridders die in plaats van te juichen over de zegeningen van technologie en vooruitgang paniek zaaien over kwalijke neveneffecten, die bovendien wetenschappelijk onbewezen zijn.
De partijleider van de PvdA en voormalig Greenpeace-activist Samsom is duidelijk not amused. Een bedaarde bijeenkomst in een zaaltje met sociaal-democraten op leeftijd die vooral over hemzelf en over de Europese verkiezingen zou gaan, lijkt uit te monden in een show van die rare criticus van de milieubeweging. Vink verwijt hem zelfs dat hij het ‘alarmistische’ rapport van de Club van Rome (1972) niet heeft gelezen, ook al was hij bij het verschijnen van dat beroemde en beruchte rapport pas één jaar oud. Veel eer valt er voor Samsom niet te behalen, waarom heeft hij deze uitnodiging eigenlijk aanvaard?
Hij beperkt zich dus maar tot diplomatieke antwoorden als het gaat over de volgens Vink ‘groene leugens’ waarmee ‘zijn’ milieubeweging ‘apocalyptische angstbeelden’ zou hebben opgeroepen. Wat is er mis met het advies om appels en sla goed te wassen en op zoek te gaan naar minder schadelijke bestrijdingsmiddelen en duurzame energie, vraagt Samsom. En bovendien zijn er ‘wel degelijk’ nadelige effecten van bestrijdingsmiddelen. Kortom: ‘Ik kijk er met trots op terug dat ik onderdeel mocht zijn van een club die de samenleving aanspoorde te blijven zoeken naar schonere alternatieven.’

Helemaal in de Club

‘Diederik Samsom draaide eromheen,’ zegt Jaffe Vink een paar dagen later op een zonovergoten terras aan het Amsterdamse IJ. ‘Hij had gewoon mijn boek niet gelezen.’ Uit zijn tas haalt hij het pamflet ‘Zijn we nu helemaal gek geworden’ van oud-NRC-hoofdredacteur Wout Woltz, volgens Vink een van degenen die zich in de jaren zeventig lieten meeslepen door het rapport ‘Grenzen aan de groei’ van de Club van Rome, een gezelschap industriëlen en wetenschappers. Volgens scenario’s van die club zouden grondstoffen en natuurlijke hulpbronnen binnen enkele decennia schoon op zijn als de mensheid haar levenswijze niet zou veranderen en de bevolkingsexplosie niet tot staan zou worden gebracht. Woltz schreef in zijn pamflet dat hij door het rapport van de Club van Rome een ander mens was geworden en hij gaf zijn lezers een aantal ‘wenken voor de toekomst’. Zijn eerste wenk was: ‘Krijg niet veel kinderen. Wees niet beleefd tegen mensen die meer kinderen willen hebben, zeg dat het asociaal is.’
‘Woltz was helemaal in de Club,’ zegt Vink smalend. En hij was niet de enige, zo blijkt uit Vinks soms onthullende speurwerk. Nederland was een pilotland voor de Club van Rome en een aantal journalisten en politici droeg het sombere toekomstbeeld met verve uit. D’66-leider Hans van Mierlo sprak over een ‘met cijfers en feitelijke gegevens gestaafde definitieve veroordeling van ons consumptie- en productiepatroon’ en vergeleek de mensheid met een chauffeur die zijn Jaguar met 200 km per uur tegen een boom reed. Hoofdredacteur van De Haagsche Post W.L. Brugsma had het in zijn artikel ‘Apocalyps op afbetaling?’ zelfs over ‘de Endlösung voor de mensheid’ als de vooruitgang niet zou worden gestopt. NRC Handelsblad kopte: ‘Computer brengt catastrofe in beeld’.De Club van Rome had voor het eerst alle beschikbare cijfers over bevolkingstoename en beschikbaarheid van voedsel en grondstoffen ingevoerd in een computer, en trok daaruit vergaande conclusies. Het kon en mocht niet verder gaan met de consumptiemaatschappij. De schrik zat er goed in.

Rauwdouwer

De Club van Rome is volgens Vink een typerend voorbeeld van de manier waarop paniekzaaiers de samenleving op sleeptouw wisten te nemen. ‘Ik was echt verbijsterd toen ik het rapport na al die jaren las. Hoeveel onzin daarin staat en hoeveel mensen daarin meegingen.’ Wat Vink de Club van Rome verwijt, is dat zij in hun sombere voorspellingen over de ondergang van de wereld het werk van landbouwkundige Norman Borlaug afdeden als ‘gevaarlijk’ en niet meer dan uitstel van executie.
Borlaug is de vader van de Groene Revolutie die in landen als India en Pakistan nieuwe, betere graansoorten introduceerde waarmee hij eraan bijdroeg dat die landen zelfvoorzienend konden worden. Hij voorkwam dreigende hongersnoden en heeft honderden miljoenen mensen van de hongerdood gered. In 1970, dus al voor het rapport van de Club van Rome uitkwam, ontving hij hiervoor de Nobelprijs voor de Vrede.‘Borlaug is mijn grote held. Iedereen kent de Club van Rome, niemand kent Norman Borlaug,’ zegt Jaffe Vink. ‘Ik hoop dat jullie hem in
Vrij Nederland eens uitgebreid behandelen. Hij was een harde werker, een rouwdouwer die in de dramatische wedloop tussen bevolkingsgroei en voedselproductie het pessimisme heeft veranderd in optimisme. Daar heb ik meer respect voor dan voor de mensen van de Club van Rome met hun ondergangsvisioenen die contraproductief zijn voor de vooruitgang. Ook nu weer heeft de milieulobby ervoor gezorgd dat de genetische modificatie van gewassen uit Europa wordt geweerd. Nou, dat is leuk, dat gaat goed. Genetische modificatie kan juist hét antwoord zijn op voedselschaarste nu de wereldbevolking blijft groeien en we een reëel probleem dreigen te krijgen met het voeden van negen miljard mensen. ’
Brugsma en Van Mierlo zijn voor zover bekend nooit op hun uitspraken terug gekomen. Maar veel anderen wel, onder wie Club van Rome-aanhanger van het eerste uur Willem Oltmans, die al in 1973 in een interviewboek kritisch terugkeek en onder meer optekende dat de computers ‘slechts het afgrijzen weergaven dat er aanvankelijk in was gestopt’. Ook oud-NRC-hoofdredacteur Wout Woltz gaf in een artikel in 1999 toe dat er fouten zaten in de aannames van de Club van Rome. Er waren tenslotte ook aan het einde van de twintigste eeuw nog grondstoffen in overvloed en het lukte nog steeds de wereldbevolking te voeden. Maar eens gaat het mis, dat stond voor Woltz nog steeds vast. En de opwinding over het rapport van de Club van Rome was volgens hem niet vergeefs geweest omdat er een mentaliteitsverandering tot stand was gebracht. ‘Men geniet niet meer onbezorgd van de welvaart, men geniet nu bezorgd.’ Vink vermeldt Woltz’ zelfkritische terugblik niet, dat past niet in dit boek waarin hij de tegenstellingen zo hard mogelijk aanzet. Hij doet Woltz af als ‘zachtmoedig en overal om heen draaiend’.

Paniekzaaierij

De eenzijdig kritische kijk op de ‘onheilsprofeten’ en ‘Cassandra’s’ van de milieubeweging maken van Wie is er bang voor de vooruitgang meer een schotschrift dan afgewogen geschiedschrijving. Jaffe Vink schrijft over wat hij beschouwt als paniekzaaierij, maar de kwesties die hij aanroert, dateren voor het merendeel van lang geleden en zijn ook al eerder geëvalueerd en weerlegd. Zijn boek is gebaseerd op rapporten, boeken en andere publicaties, en bij zijn aanvallen op vooraanstaande figuren en instituten uit de milieubeweging biedt hij zijn slachtoffers geen kans op weerwoord. Wouter van Dieren, het Nederlandse lid van de Club van Rome, laat in een reactie weten dat ook in het omstreden eerste rapport
Grenzen aan de groei nooit voorspellingen zijn gedaan. ‘Er zijn alleen scenario’s opgesteld voor de periode vanaf 2030,’ zegt hij. ‘En de meeste berekeningen wijzen er nu op dat een aantal van die scenario’s aan het uitkomen is, het omgekeerde van wat Vink beweert.’ Van Dieren wijst op het recent verschenen tweede rapport van het Internationaal Klimaat Panel (IPCC). Daarin wordt gesteld – net als eerder door de Club van Rome – dat als gevolg van de klimaatverandering de voedselproductie zal afnemen. Binnen twintig tot dertig jaar zal de wereldbevolking niet langer kunnen worden gevoed. ‘De bevolkingsgroei zorgt ervoor dat de aarde zo vervuild en uitgeput wordt dat diezelfde bevolkingsgroei daar tenslotte door stagneert. Het zijn wel degelijk te veel mensen die voor deze ellende zorgen, precies zoals we altijd al hebben gezegd.’ Van Dieren, die het net verschenen boek van Vink nog niet heeft gelezen, kent hem wel van eerdere publicaties over het milieu en de geringe waardering blijkt wederzijds. ‘Vink is, als ik het vriendelijk moet zeggen, erg ondeskundig,’ zegt Van Dieren. ‘Zijn vooruitgangsgeloof is een typisch geval van fluiten in het donker.’ Maar er is iets wat de twee tegenpolen bindt: de wereld kan ook volgens Van Dieren nog steeds gered worden, als we technologie maar op de juiste manier inzetten en nieuwe, schone energie stimuleren. ‘Nieuwe generaties zullen de dramatische ontwikkelingen tegengaan. Auto’s zijn nu tien keer minder vervuilend dan in de jaren zeventig van de vorige eeuw. In de Verenigde Staten is nu een beweging van bewuste beleggers die zich terugtrekken uit de fossiele industrie. Dat zijn krachtige ontwikkelingen en daar zullen mijn kleinkinderen aan meedoen.’Alle onheilsvoorspellingen ten spijt gaat het steeds beter met de wereld, vindt Vink. Mensen als Wouter van Dieren zijn volgens hem de aanjagers van het hedendaagse onbehagen, zij staan aan de basis van de onnodige verontrusting en paniek die hij om zich heen ziet. De eerste angstgolf voor de kwalijke neveneffecten van de technologische vooruitgang ontstond na de publicatie in 1962 van

Silent Spring van zeebiologe Rachel Carson. Zij onderzocht – krachtig tegengewerkt door de grote producenten van pesticiden – de funeste gevolgen voor het milieu van het gebruik van DDT en andere bestrijdingsmiddelen. Vink kroont haar in zijn boek tot ‘koningin van het alarmisme’.

Was het niet ook een terechte wake up call? Dankzij Carson werd DDT, dat zich bij mensen ophoopt in vetten, in de westerse wereld verboden.

‘Natuurlijk is dat goed geweest. Ze heeft de schaduwzijde laten zien van de vooruitgang. Dat die chemische stoffen in de voedselketen terecht kwamen, heeft zij schitterend naar voren gebracht. Rachel Carson stond aan het begin van de moderne milieubeweging, dat is heel belangrijk geweest. Tegelijkertijd zegt ze dat de mens bezig is met zelfvernietiging. Dat ondergangsdenken is wezenlijk voor dat boek en nog steeds typerend voor het denken in de milieubeweging.’

Als we waren doorgegaan met het ongebreidelde gebruik van DDT, had Rachel Carson gelijk gekregen.

‘Dat ontken ik geen moment. Maar als het over bestrijdingsmiddelen gaat, vergeten mensen vaak waarom ze ook al weer uitgevonden zijn. Chemische bestrijdingsmiddelen werden aanvankelijk terecht gezien als wondermiddelen in de strijd tegen ziekten en plagen. Dankzij DDT hebben ze malaria eronder weten te krijgen in India. Er waren daar achthonderdduizend doden per jaar. DDT was in de Derde Wereld een overweldigend succes, kevers, sprinkhanen en andere insecten krijgen geen kans meer om ooit nog een oogst te vernielen.’

Brief aan mijn dochter

Vink voert in Wie is er bang voor de vooruitgang een kruistocht tegen wat hij de alarmisten van de milieubeweging noemt. Zijn bemoeienis met milieukwesties ontstond terwijl hij werkte aan een boek over de Rotterdamse haven, vertelt hij. In het verleden schreef hij vooral over de multiculturele samenleving. Een en andermaal waarschuwde hij als chef van het katern Letter & Geest in
Trouw voor de gevaren van de instroom van immigranten. Hij verzamelde een gezelschap conservatieve denkers en schrijvers om zich heen. Uiteindelijk vervreemdde hij zich volgens een deel van de redactie van het gedachtengoed van het christelijke dagblad en nam hij ontslag.Als hoofdredacteur van het door zakenman Roel Pieper gesponsorde weekblad
Opinio kon hij zijn opiniërende journalistiek voortzetten, waarbij hij werd omringd door auteurs als Afshin Ellian, Leon de Winter, Bart Jan Spruyt, Ayaan Hirsi Ali en andere vertegenwoordigers van de neoconservatieve school die na de aanslagen van 11 september 2001 was opgekomen.
In het boekje Brief aan mijn dochter (2001) had hij eerder dat jaar gewaarschuwd voor de gevaren van de multiculturele samenleving. Vink toont zijn dochter apocalyptische toekomstvisioenen als hij haar meeneemt op ‘een tocht door het pandemonium van seks en geweld’. Hij schetste een stad waarin, volgens het Sociaal en Cultureel Planbureau, in 2015 ongeveer de helft van de bewoners allochtoon zou zijn. ‘Mijn dochter, je bent dan 33 jaar, kun je je er een voorstelling van maken hoe Amsterdam dan zal zijn?’ En hij stelt zich de vraag: ‘Misschien wordt het tijd dat er een einde komt aan de multiculturele samenleving.’ ‘Multicultureel, ik wil dat woord nooit meer horen.’ En: ‘Hoeveel immigratie willen we?’

U schetste destijds wel een erg somber toekomstbeeld voor uw dochter. Is er een parallel tussen dat onheilspellende boekje en het alarmisme van de milieubeweging?

‘Ik ben het niet eens met die vergelijking. In Brief aan mijn dochter beschreef ik de werkelijke situatie van die tijd, er kwamen geen scenario’s of voorspellingen aan te pas. Ik heb lang in Amsterdam-Oost en De Pijp gewoond en ik beschrijf vrij precies hoe die buurten zich hebben ontwikkeld met de komst van heel veel immigranten. Het was toen niet gebruikelijk om daar op die manier over te schrijven.’

De tone of voice was alarmistisch. U noemde uw buurt ‘een eigentijdse variant op de hel van Dante.’

‘Ik vind het echt van een andere orde, ik wilde mijn dochter laten zien hoe het er op straat aan toe ging, ik beschreef de situatie zoals die was. Die wijk was een vrij ruwe samenleving.’

U had het over een ‘moleculaire burgeroorlog’ waarin Nederland terecht was gekomen. Was dat niet overdreven?

‘Ik heb cijfers laten zien over de toenemende criminaliteit onder allochtonen, het was not done om dat naar voren te brengen. Ik verzet me tegen de beschuldiging van overdrijving. Ik liet destijds aan de hand van rapporten van het WODC zien hoe het zat met criminaliteit. Dat heb ik toen volledig onderbouwd. En dat gebeurde niet bij de Club van Rome. Dat is een wezenlijk verschil.’

Hoe staat het dertien jaar later met de multiculturele meltdown? Is het debat niet mede gevoerd dankzij mensen die, zoals uzelf, een misschien wat overdreven gitzwart toekomstbeeld hebben geschetst?

‘Jazeker, maar ik heb me wel gebaseerd op harde cijfers en op wat ik om me heen zag gebeuren in die wijken. Ik heb het niet zwaarder aangezet dan het was, zoals de milieubeweging dat wel heeft gedaan als het gaat om zaken als overbevolking, de kwalijke gevolgen van pesticiden en de zure regen, ook een van de voorbeelden die ik in mijn boek heb uitgewerkt.’

Stervende bossen

Nadere bestudering van het Wie is er bang voor de vooruitgang laat zien dat Vink soms selectief met zijn materiaal omgaat en ook feitelijke fouten maakt. Hij wijdt een hoofdstuk aan de commotie rond de zure regen in de jaren tachtig. Net als bij de DDT-onthullingen van Rachel Carson ontkent Vink in een tussenzin niet dat er een probleem was, hij vindt het ‘goed dat de verzuring is aangepakt’. Hij richt zijn aandacht op de alarmistische toon van de milieubeschermers en hun invloed op de politiek. De Nederlandse overheid verspreidde tenslotte zelfs posters met daarop de tekst: ‘Zure regen, onze eigen schuld, onze eigen zorg’.
Van het grote Waldsterben, dat in Duitse en Nederlandse media werd voorspeld, is het nooit gekomen. Instemmend citeert Vink atmosferisch chemicus Ed Buijsman van het Planbureau voor de Leefomgeving. Die schreef in een terugblik op de zure-regendiscussie dat de aanvankelijk eenvoudige hypothesen over de stervende bossen ‘slecht onderbouwd’ waren en op termijn ook ‘niet te bewijzen’. Vink noteert dan ook triomfantelijk dat er, ondanks de noodklokken die werden geluid door ‘geëngageerde wetenschappers en roerige journalisten’, weinig aan de hand bleek te zijn. ‘De bossen waren niet ziek en zijn het ook nooit geweest.’
Maar de door Vink met zoveel instemming aangehaalde Buijsman stelde in een in 2010 verschenen studie – die niet door Vink wordt geciteerd – dat de bossen in Nederland weliswaar niet zijn gestorven door de verzurende depositie, maar dat ‘het bos-ecosysteem wel is aangetast’. Ook schreef hij in een eerdere terugblik dat de reducties van de emissies van zwaveldioxide, stikstofoxide en ammoniak alleen door grote inspanningen van de Europese overheden tot stand zijn gekomen. Buijsman: ‘We kunnen dan ook concluderen dat zure regen zeker geen hype was.’

Waarom liet u die concluderende zin weg, terwijl u andere citaten van Buijsman gebruikt om te laten zien dat het paniek om niks was?

‘Het is volkomen ridicuul om te zeggen dat zure regen geen hype was, ik vind het schrijnend en een beetje genant dat hij het niet inziet. Lachwekkend.’

Maar Ed Buijsman schrijft het wél. U citeert hem uitgebreid en juist dit laat u weg.

‘Ik vind het absoluut gek dat hij dat zegt.’

Dus u citeert het gedeelte dat u niet gek vindt en laat weg wat u niet uitkomt?

‘Ik vond het niet hoffelijk om dat te citeren.’

Piemeltjes

Naast Rachel Carson, de Club van Rome en de apologeten van het Waldsterben valt Vink ook de Nederlandse zeebiologe Cato ten Hallers Tjabbes frontaal aan. Zij deed in de jaren negentig onderzoek naar wulken, een soort zeeslak, en ontdekte dat er bij vrouwtjes geslachtsveranderingen plaatsvonden: ze kregen piemeltjes. Ze vermoedde dat dat werd veroorzaakt door het middel tributylin (TBT), dat als anti-aangroeiverf werd gebruikt in de scheepvaart en in grote hoeveelheden in de zanderige zeebodem terechtkwam waar de wulk leeft. Jarenlang ontkenden de verfindustrie, de scheepvaart en de International Maritime Organisation (IMO) van de Verenigde Naties enig verband, dat er uiteindelijk wel bleek te zijn. Ten Hallers werd door de verflobby tegengewerkt, maar uiteindelijk ging de IMO na jarenlang vergaderen om: het middel is nu wereldwijd verboden. In de analyse van Vink is er een rechtstreeks verband tussen het verbod en de niet bewezen claim van Ten Hallers dat TBT ook bij vrouwen tot verstoringen van de hormoonhuishouding kon leiden. Die boodschap was volgens hem hard aangekomen. Vink: ‘Het verhaal van Ten Hallers zorgde in 1995 voor een omslag in het standpunt van de IMO,’ zegt Vink. ‘Daar gaat het mij om: aanwijzingen die worden uitvergroot tot een angstbeeld. Net als bij de ondergangsvisoenen van de Club van Rome, de DDT-angst van Carson en de waarschuwingen tegen bestrijdingsmiddelen in peentjes en aardbeien die het sperma zouden aantasten. Die uitvergroting, daar gaat het mij om.’

Ten Hallers reageert op haar beurt verontwaardigd op de manier waarop Vink te werk gaat. ‘Ten eerste is het niet zo dat ik in mijn eentje de International Maritime Organisation om heb gekregen, zoals Vink suggereert. Het idee dat de hele wereld aan de rokken hangt van één vrouw is vleiend, maar helaas, iedereen die ook maar één keer een vergadering van de IMO heeft meegemaakt, weet dat die gedachte te absurd voor woorden is.’ Ze noemt de passages van Jaffe Vink over haar werk ‘een selectieve en onjuiste weergave van de feiten’. Ook blijft ze bij haar standpunt dat TBT schadelijk is voor levende organismen. ‘Dat is gedocumenteerd in vele andere diersoorten, óók bij de mens. Een Duitse hoogleraar die veel onderzoek deed naar de effecten van TBT vertelde dat hij een vrouwelijke promovendus had die blootstellingsexperimenten deed met het middel en toen gezondheidsklachten kreeg. Het bleek dat haar testosteron vijf keer te hoog was, haar gezondheid herstelde binnen een paar maanden nadat ze stopte met de experimenten. Deze hoogleraar vertelde ook dat het na het verbod op TBT onmogelijk bleek om geld te krijgen voor verder onderzoek naar het effect op mensen.’

Zonder fatalisme

Vink trekt in zijn boek onvermoeibaar ten strijde tegen alarmisten, maar dan vooral die uit het verleden. Wat opvalt, is dat in zijn boek de actuele trefwoorden ‘klimaat’ en ‘opwarming’ nauwelijks voorkomen. En dat terwijl het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) in april van dit jaar met onweerlegbare en behoorlijk verontrustende berichten kwam. De opwarming van de aarde wordt volgens het IPCC veroorzaakt door de mens en alleen met stevige nieuwe maatregelen kan de uitstoot van broeikasgassen voldoende afnemen om de opwarming enigszins te beperken. De kans op onomkeerbare veranderingen neemt volgens het IPCC toe. De voedselvoorziening komt onder druk te staan door veranderingen in temperatuur, beschikbaarheid van water en weersextremen.

De drieduizend pagina’s van het eerste IPCC-rapport noemde u ‘intimiderend’ en over de klimaatverandering zei u: ‘Het loopt niet uit de hand.’ Wat vindt u van de laatste ontwikkelingen?

‘Natuurlijk is het een serieus probleem.’

Zou u uzelf als klimaatscepticus omschrijven?

‘Nee, nee, met het gebruiken van dat soort terminologie kom je in een heel rare polemiek terecht.’

De klimaatdiscussie ontbreekt in uw boek. De verzwegen veronderstelling lijkt: het verhaal van de opwarming van de aarde is dus óók angstzaaierij.

‘Ik heb het bewust niet over de klimaatverandering. Juist omdat we ons nu in die heftige discussies bevinden, wil ik nagaan wat de oorsprong is van de angst en paniek die het vooruitgangsdenken altijd maar begeleiden. Ik concentreer me daarbij op de Club van Rome als goed voorbeeld van hoe het mis kan gaan.’

Wat vindt u dan van de toon van de huidige discussie over het klimaat?

‘De paniek moet eraf, we hebben de tijd om er naar te kijken. Ik ontken het klimaatprobleem niet, maar ik heb wel twijfels over de reikwijdte van de voorspellingen. Er is invloed van de mens op het klimaat, maar hoe dat gaat uitwerken? Daarover moet een reële discussie worden gevoerd, zonder fatalisme. Door het pessimisme van de Club van Rome daalde destijds de sfeer van ellende en ondergang als een dikke mist neer over Nederland. Zoals koningin Beatrix het een kwarteeuw geleden in haar kersttoespraak verwoordde: “Langzaam sterft de aarde en wordt het onvoorstelbare, het einde van het leven zelf, toch voorstelbaar.” Dat is een schoolvoorbeeld van de onnodige angst die ik wil wegnemen.’

Jaffe Vink, ‘Wie is er bang voor de vooruitgang’, Prometheus, 221 p., € 18,95

Vrij Nederland 31 mei 2014

Vrij Nederland 31 mei 2014

Vrij Nederland 31 mei 2014

Vrij Nederland 31 mei 2014

Bladwijzer Xxxxxxxxxxxxxxx
Xxxxxxxxxxxxxx
Tekst Ga naar Online bron