Vrij Nederland deelt dit artikel met jou.
Het zijn tijden voor Vrij Nederland.
Uit het archief

Perdiep Ramesar: de man van de anonieme bronnen

Harm Ede Botje
Een plagiërende stagiair bij de Volkskrant. Trouw-journalist Perdiep Ramesar werd in 2014 ontslagen omdat hij bronnen verzon. Reconstructie van de opkomst en ondergang van een sterverslaggever.
Een plagiërende stagiair bij de Volkskrant. Trouw-journalist Perdiep Ramesar werd in 2014 ontslagen omdat hij bronnen verzon. Reconstructie van de opkomst en ondergang van een sterverslaggever.

Voor de jaarlijkse Kees Lunshof-lezing verzamelde zich op 26 november in perscentrum Nieuwspoort in Den Haag een gezelschap van journalisten, politici en belangstellenden. Grote afwezige was Perdiep Ramesar, de verslaggever van het dagblad Trouw die de afgelopen jaren naam had gemaakt als expert op het gebied van radicalisme en jihad, de man die een nationaal debat had ontketend met zijn artikel in mei 2013 over de vermeende sharia-driehoek, een stukje van de Schilderswijk waar extremistische moslims het voor het zeggen zouden hebben. Naar aanleiding van het stuk bezochten minister Lodewijk Asscher én Geert Wilders de wijk, beiden omstuwd door cameraploegen. In de Tweede Kamer en in de Haagse gemeenteraad vonden verhitte debatten plaats over de kwestie.

Er is ernstige twijfel gerezen over de juistheid en zelfs het bestaan van opgevoerde bronnen.

De Lunshof-lezing zou gehouden worden door VN-ontwapeningsambassadeur Sigrid Kaag. Het bestuur van het perscentrum had Ramesar gevraagd het bijpassende Nieuwspoort-essay te schrijven en deel te nemen aan het debat. Dit was een ere-opdracht, die eerder bijvoorbeeld werd vervuld door voormalig Midden-Oosten-correspondent Joris Luyendijk. Ramesar zou tijdens de bijeenkomst berichten over zíjn onderwerp, de multiculturele samenleving en de Haagse politiek. Maar Ramesar kwam niet. ‘Ik hoef denk ik de aanleiding niet te noemen, voor mij ook een beetje pijnlijk als journalist bij Trouw,’ zei Haags redacteur en voorzitter van Nieuwspoort Lex Oomkes, die de inleiding verzorgde.

Illustratie: Zenk One
Illustratie: Zenk One
Bel mijn advocaat

En pijnlijk was het: twee weken daarvoor, op 12 november, had de hoofdredactie van ‘misschien wel de beste krant van Nederland’ op pagina drie in een mededeling laten weten dat ‘ernstige twijfel was gerezen over de juistheid en zelfs het bestaan van opgevoerde bronnen’ door een van haar redacteuren. Bij onderzoek konden ‘diverse bronnen’ niet worden geverifieerd, aldus de krant.

De hoofdredactie van Trouw stelde een onafhankelijke tweekoppige commissie in, bestaande uit hoogleraar journalistiek Jeroen Smit (auteur van bestseller De prooi over ABN Amro) en oud-rechter bij het Europese Hof Egbert Myjer. Zij zullen naar verwachting voor het einde van het jaar hun bevindingen presenteren. Van de redacteur werd volgens het hoofdredactioneel schrijven ‘afscheid genomen’. Zijn naam werd op verzoek van diens advocaat niet genoemd. Maar die anonimiteit duurde niet lang. Al binnen een uur was bekend dat het ging om Perdiep Ramesar. En daarmee was een van de grootste affaires in de recente Nederlandse persgeschiedenis een feit.

Ramesar was een gevierd redacteur die al zeven jaar bij Trouw werkte en in 2011 werd genomineerd voor De Loep, de jaarlijkse prijs van de Vereniging van Onderzoeksjournalisten. Ook was hij een vooraanstaande figuur in de Hindoestaanse gemeenschap. In 2007 werd hij verkozen tot Hindoestaan van het jaar en nog geen maand voor zijn ontslag kreeg hij de Divali Award voor zijn bijdrage aan de emancipatie van Zuid-Aziaten. Bij die gelegenheid roemde PvdAKamerlid Tanja Jadnanansing zijn ‘deskundigheid en zorgvuldigheid’.

Sinds 7 november, de dag dat de bom barstte, is Ramesar (36) van de radar verdwenen. Op zijn twitteraccount @razenderamesar stokte de stroom berichten, net als op zijn Facebookpagina. ‘Ik wil op dit moment niets zeggen, bel mijn advocaat,’ laat Ramesar in een korte telefonische reactie weten. Ook zijn advocaat weigert elk commentaar.

Dramatische confrontatie

De ironie wil dat Ramesars val werd ingeluid door het essay dat hij als Nieuwspoort-rapporteur zou schrijven. Dat blijkt uit gesprekken met goed geïnformeerde bronnen. Vrij Nederland moet – en dat is dubbele ironie – voor dit verhaal zijn toevlucht nemen tot anonieme zegslieden. In afwachting van de uitkomsten van het onderzoek naar de affaire-Ramesar – en een mogelijk daarop volgende rechtszaak – hebben Trouw-redacteuren namelijk een spreekverbod opgelegd gekregen. Ook andere betrokkenen wilden niet on the record praten. De bronnen voor dit verhaal zijn bekend bij de hoofdredactie van dit blad.

Begin november leverde Ramesar bij zijn hoofdredactie de tekst van het Nieuwspoort-essay aan, dat ook in Trouw zou worden gepubliceerd. Ramesar had het onderwerp inmiddels aangepast. Hij was op het spoor gekomen van oplopende spanningen tussen groepen sjiieten en soennieten in Nederland. Volgens zijn bronnen, die voormalige vrienden van elkaar waren, zouden die spanningen zo groot zijn dat het wel eens tot gewelddadigheden zou kunnen komen. Voor zijn verhaal voerde Ramesar anonieme bronnen op, iets wat hij de afgelopen jaren veel vaker had gedaan. De krant had dat altijd geaccepteerd, maar nam er deze keer geen genoegen mee.

Als het gaat om verhalen uit de ‘rafelrand’ van de samenleving duiken stelselmatig bronnen op die alleen met een voornaam worden aangeduid.

Chef verslaggeving Antal Crielaard eiste dat Ramesar zijn bronnen zou openbaren, iets wat de journalist weigerde. Crielaard reisde daarop af naar Den Haag omdat hij zélf de zegslieden uit het artikel wilde ontmoeten. Het kwam naar verluidt tot een dramatische confrontatie: Ramesar gaf aanvankelijk toe zijn bronnen te hebben verzonnen, maar kwam daar later op terug. Sindsdien blijft hij volharden in zijn standpunt dat hij zijn bronnen niet wil prijsgeven. En dat lijkt vreemd, het is immers gebruikelijk dat chefs en hoofdredactie op hun verzoek inzicht krijgen in de informatie waarop een artikel is gebaseerd.

Dit was het begin van het einde van Ramesars loopbaan bij Trouw, een vertrouwensbreuk was een feit. Op de redactie werd na deze confrontatie systematisch gecontroleerd of de door Ramesar opgevoerde bronnen in eerder gepubliceerde verhalen überhaupt wel bestonden. Namen werden nagetrokken door zoekacties via google, telefoongids en social media. De conclusie: tientallen artikelen rammelden. En wie de stukken van Ramesar doorleest, kan niet anders dan tot dezelfde conclusie komen. Als het gaat om verhalen uit de ‘rafelrand’ van de samenleving duiken stelselmatig bronnen op die alleen met een voornaam worden aangeduid of helemaal geen naam hebben. Of namen die niet herleidbaar zijn.

De achternaam Joulahi

Neem het artikel dat op 25 april van dit jaar verscheen onder de kop ‘Zij gaven hun leven voor een mooie toekomst’, een reportage vanuit de Schilderswijk waarin Ramesar jonge wijkbewoners hun bewondering liet uitspreken over Nederlandse jihadisten. De 23-jarige Jaliel Ghamza zei dat jihadisten ‘helden’ waren, die ‘bewust’ hun leven gaven. Maar wie is Jaliel Ghamza? Zijn naam is onvindbaar. Zoekmachines op internet verwijzen naar niets anders dan het artikel van Trouw. Ook is de naam niet te vinden via telefoongids.nl, Twitter, Foursquare of Facebook.

Hetzelfde geldt voor de ‘21-jarige Marokkaans-Nederlandse moslim’ Faisal Ghoulen, de ‘19-jarige Turkse Hagenaar’ Firuz Kergün, de ‘Zoetermeerder’ Erkan Huseyin en de 24-jarige Ibrahim Mouissa. Niet een van deze zegslieden heeft een digitaal spoor, en dat is vreemd voor twintigers die normaal vrijwel zonder uitzondering op sociale media actief zijn.

In een artikel dat op 12 april verscheen, dook de ‘in Nederland geboren Marokkaan Khalel Joulahi’ op. Hij zou behoren tot de groep zogenaamde spookjongeren, die zich vanwege schulden hebben uitgeschreven en niet meer traceerbaar zijn. Oud-Vrij Nederland-redacteur Margalith Kleijwegt ging in haar dit jaar verschenen boek Familie is alles in op de problematiek van deze jongeren, en Ramesar sprak ter illustratie daarvan met Joulahi. Hij beschrijft hoe Joulahi doelloos rondhing bij zijn flatgebouw in Amsterdam Slotervaart, hoe hij tevergeefs naar de brievenbus liep in de hoop dat er post voor hem was. Hoe zijn moeder (die anoniem bleef) de wanhoop nabij was. ‘Iedere ochtend schreeuw ik dat hij uit zijn bed moet komen, maar hij doet het niet,’ zou ze hebben gezegd, waarop ze ‘haar handen in de lucht’ wierp en Allah om hulp vroeg. De achternaam Joulahi is niet bekend bij de familienamenbank van het Meertens Instituut.

Kleijwegt is niet degene geweest die Ramesar in contact bracht met de jongen. ‘Ik heb geen idee waar Joulahi vandaan komt,’ zegt ze. ‘Ik ken hem in ieder geval niet. Het zou opmerkelijk zijn als deze jongen met zijn voor- en achternaam in de krant wilde. Spookjongeren, de naam zegt het al, geven hun identiteit niet prijs, want als ze dat wel doen zijn ze traceerbaar en dat willen ze juist niet.’

Een vage locatie

Op 19 mei van dit jaar had Ramesar zijn zoveelste mooie scoop. Op een pompstation sprak hij met anonieme ‘donkere mannen’ die een sigaretje stonden te roken. Het waren vluchtelingen uit Eritrea die vertelden dat ze een lange reis achter de rug hadden met veel ontberingen. Hun chauffeur was op het moment dat ze Ramesar spraken even weg om de brandstof af te rekenen en snacks te kopen. Ze kenden hem niet. Ze moesten hem blind vertrouwen, noteerde Ramesar. De timing van zijn stuk was perfect: vier dagen eerder had staatssecretaris van Veiligheid en Justitie Fred Teeven, die over asielzaken gaat, de noodklok geluid over duizenden vluchtelingen uit Eritrea die op weg zouden zijn naar Nederland. Razende reporter Ramesar was ter plaatse, maar ook hier weer anonieme gesprekspartners en een vage locatie.

Bot gezegd: als alle kranten het zo afdrukken is het in theorie mogelijk alles te verzinnen.

Dat viel ook NRC-columniste Margriet Oostveen op. Zij vroeg Ramesar in een e-mail waarom hij niet op zijn minst had aangegeven op welk benzinestation hij de mannen had gesproken. ‘Ik kreeg een even vriendelijk als onbevredigend antwoord,’ schreef Oostveen in haar column op 14 november, twee dagen nadat Ramesar was ontslagen. Ramesar had Oostveen gevraagd waarom ze zoveel belangstelling had voor zijn bronnen. ‘Bot gezegd: als alle kranten het zo afdrukken is het in theorie mogelijk alles te verzinnen,’ schreef ze terug.

73 anonieme bronnen

Toen de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding eind februari bekendmaakte dat er zo’n twintig jihadbruiden naar Syrië waren afgereisd, verscheen van Ramesar een paar dagen later onder de kop ‘Had ik Fatima maar thuis gehouden, haar zusje wil nu ook’ een gesprek met de wanhopige vader Ahmed el Hadjari uit de Schilderswijk. Maar – het wordt eentonig – vader noch Fatima lijkt te bestaan.

Toen in maart een rapport uitkwam over jeugdbendes in Nederland jaar, sprak Ramesar het 21-jarige bendelid Chalid. Toen er in april 2013 een nieuw bedelverbod kwam in Den Haag, interviewde hij Mira, een Roemeense Roma-vrouw die ‘in de Haagse binnenstad haar hand ophoudt’.

En zo gaat het maar door. Een eerste grove telling van Ramesars artikelen resulteert in 42 artikelen waarin 73 bronnen worden opgevoerd die anoniem zijn, alleen een voornaam hebben of bij voor- en achternaam niet traceerbaar zijn.

Gekleurde collega

De eerste verhalen waarvan onduidelijk is of ze kloppen, dateren al uit 2007, toen Ramesar net bij Trouw werkte. Het werpt de vraag op waarom niet veel eerder is ingegrepen. Al vrij snel na zijn overstap van het Algemeen Dagblad naar Trouw waren er – zo blijkt uit gesprekken met goed geïnformeerde bronnen – redacteuren die het opviel dat de nieuwkomer wel erg makkelijk naar het middel van de anonieme bronnen greep.

Enkele redacteuren hebben hun zorgen ook bij de hoofdredactie geuit, zonder dat daarmee iets werd gedaan. ‘Perdiep deed iets wat velen bij Trouw niet konden en niet durfden: hij ging de straat op en sprak met enge mensen als jihadisten,’ zegt een van de geïnterviewden. ‘Dat wilden ze graag in de krant hebben. En dan was er ook nog iets anders: ze waren zo blij dat ze een gekleurde collega hadden, een succesvolle allochtoon. Verschillende redacteuren zeggen nu dat dát de reden was dat ze hun mond hielden.’

Lange duim

Niet alleen op de redactie, ook daarbuiten waren er critici die hun vraagtekens stelden bij het waarheidsgehalte van Ramesars artikelen. In 2010 fileerde Arnold J. van der Kluft op de site Krapuul onder de kop ‘De lange duim van een Trouwjournalist’ een van Ramesars stukken.

Op 5 oktober van dat jaar had hij een artikel geschreven naar aanleiding van de invoering van het kraakverbod. Het is een dramatisch getoonzet verhaal waarin vier oud-krakers ieder ‘een zwarte kaars’ aansteken om het einde van het kraken te memoreren. Ook hier gebruikt Ramesar alleen voornamen: Wiljan, Geerten, Lutger en Henk, allen tussen de 41 en 44 jaar oud.

De Krapuul-auteur rekent terug, en komt tot de terechte conclusie dat ze tijdens de hoogtijdagen van het kraken tussen de 11 en 14 jaar moeten zijn geweest. Toch praten ze volop over ‘de crisissfeer en de leegstand in de jaren tachtig’, vertellen ze hoe ze leegstaande panden innamen en de overheid betichtten van klassenjustitie. ‘De schrijver van dit alles heet Perdiep Ramesar,’ besluit de Krapuul-blogger. ‘Let op deze naam, er zit een ferme duim achter waar nog wel meer uit zal komen.’

Fabeltjes Driehoek

In 2013 bereikte Ramesars carrière een voorlopig hoogtepunt met de publicatie op zaterdag 18 mei van het voorpaginaverhaal over de vermeende invloed van orthodoxe moslims in een deel van de Haagse Schilderswijk dat bekend zou staan als ‘De vergeten driehoek’ of ‘de Punt van het Zwaard’. Vrouwen zouden er niet over straat kunnen gaan met rokken boven de knie, niet-moslims zouden worden uitgescholden voor ‘kafir’, alcohol en varkensvlees zouden er verboden zijn.

Ramesar meldde in zijn verantwoording bij het verhaal dat hij ‘twee maanden lang minstens twee dagen per week’ in de buurt verbleef en sprak met ‘tientallen’ bewoners en andere betrokkenen. Namen bleven achterwege vanwege ‘angst voor represailles van buurtgenoten’ of omdat ze ‘problemen zouden krijgen op hun werk’. Op Radio 1 vertelde Ramesar in het programma Lunch dat het verhaal op de voorpagina belandde nadat de centrale redactie had geoordeeld dat het ‘niet te sensationeel’ was. Hij noemde het een ‘trendverhaal, niet met harde cijfers, een verhaal met waarnemingen.’

Het artikel was koren op de molen van PVV-voorman Geert Wilders die rondtwitterde dat er sprake was van ‘oprukkend islamofascisme’. Een paar dagen na de publicatie bracht Wilders een tien minuten durend bezoekje aan de wijk. Maar hij was zo ongeveer de enige landelijke politicus die Ramesar bijviel. Minister Lodewijk Asscher en premier Mark Rutte ontkenden dat de politie maar beperkt toegang had tot de wijk. Burgemeester Jozias van Aartsen en wethouder Max Norder van Den Haag lieten in een brief weten dat er in hun stad géén groep is die op systematische wijze religieuze of culturele normen aan anderen oplegt. In de Haagse gemeenteraad namen alle grote partijen behalve de PVV afstand van het artikel. Ook bewoners lieten weten zich niet ter herkennen in het stuk. In een ingezonden brief in de Volkskrant stelde wijkorganisatie De Paraplu dat sprake was van ‘angstaanjagende stemmingmakerij’.

Nooit enige reactie

En dan was er ook nog kritiek uit moslimhoek. Volgens raadslid Hasan Küçük van Islam Democraten had Ramesar zich voor zijn verhaal vooral gebaseerd op bronnen uit Hindoestaanse kring, die een groot aantal PVV-stemmers telt (het zou naar schatting om tien tot vijftien procent gaan). ‘Er is in het artikel duidelijk sprake van een eenzijdige blik op de buurt. De gebruikte bewoordingen vinden wij vreemd. Het lijkt ons allemaal te veel op PVV-retoriek. Wij hebben nooit een bewoner gesproken over de Sharia Driehoek of Punt van het Zwaard,’ schreef Küçük in een ingezonden stuk getiteld ‘Fabeltjes Driehoek’.

De kritiek van Küçük moet worden gezien tegen de achtergrond van spanningen tussen moslims en hindoes in de Schilderswijk die al jaren sluimeren. En Ramesar was niet alleen journalist, maar ook onderdeel van de Hindoestaanse gemeenschap. Hij hielp studenten van de Hindoestaanse studentenvereniging met het maken van hun tijdschrift, was lid van de organisatie Arya Samaj, zat er een tijdje in het bestuur en bezocht in het verleden hun tempel. In Trouw schreef hij regelmatig over de gemeenschap waar hij uit voortkwam. Ook trad hij in 2004 op als intermediair tussen de bewoners en Haagse gemeentepolitici toen Marokkaanse jongeren problemen veroorzaakten bij een Hindoetempel.

Ramesar: ‘Ik heb veel ambities, ik wil zo hoog mogelijk komen, naar beneden kan altijd nog.’ Het lijken achteraf profetische woorden.

Oud-Trouw-medewerker Tineke Bennema, die in de jaren negentig vanuit de bezette Palestijnse gebieden berichtte voor de krant, schreef op de dag van publicatie een column op haar website waarin ze zich afvroeg hoe het kon dat een zo eenzijdig verhaal waarbij geen weerwoord was gevraagd bij de autoriteiten, de eindredactie had kunnen passeren. Het was, zo vond ze, een artikel dat ‘meer vragen opriep dan het beantwoordde’. ‘Ik heb nooit enige reactie gehad, niet van Perdiep en niet van mijn voormalige collega’s bij Trouw,’ laat Bennema telefonisch weten.

Toenmalig hoofdredacteur Willem Schoonen bleef ondanks de kritiek buiten en binnen de krant pal achter het verhaal staan. In een ‘Brief van de hoofdredactie’ noemde hij het gebruik van anonieme bronnen ‘een noodzaak’ als er ‘geen andere weg’ was om een verhaal gepubliceerd te krijgen. Ook stelde hij dat ‘alle bronnen’ die voor het verhaal waren gebruikt ‘bij de redactie’ bekend waren. Of dat echt zo was, zal de onafhankelijke onderzoekscommissie moeten vaststellen.

Een ongemakkelijk gevoel

Wat opvalt is dat twee van de drie leden van de hoofdredactie van Trouw rechtstreeks met de zaak-Ramesar verbonden zijn. De huidige hoofdredacteur Cees van der Laan was Ramesars chef toen het verhaal over de shariadriehoek verscheen. Van der Laans oude vriend en voormalig wethouder in Den Haag Bert van Alphen sprak hem tijdens een gezamenlijk theaterbezoek aan op de kritiek op het shariadriehoekartikel. ‘Ik stelde voor om daar een keer over door te praten. Maar dat is er nooit van gekomen,’ laat Van Alphen telefonisch weten.

Ook adjunct Martijn Roessingh heeft een rechtstreekse relatie met Ramesar. In 2011 verscheen van hun beider hand het veelbesproken boek Slaven in de polder over de uitbuiting van sekswerkers, schoonmakers en seizoenarbeiders in Nederland. In het boek zijn (passages uit) artikelen verwerkt die Ramesar eerder onder eigen naam publiceerde. En ook hier wemelt het weer van bronnen die, zo staat in de verantwoording te lezen, gefingeerde namen hebben om ‘hun privacy te beschermen en hun veiligheid te waarborgen’.

Op de feestelijke presentatie van het boek in een overvol debatcentrum De Balie te Amsterdam vroeg presentator en Trouw-redacteur Lodewijk Dros zich destijds af hoe ver je kon gaan met het opvoeren van anoniemen. ‘Het maakt het oncontroleerbaar en dat geeft mij als journalist een ongemakkelijk gevoel,’ zegt hij op een bewaard gebleven video-opname van de bijeenkomst. Medeauteur Roessingh verdedigde de gemaakte keuzes als volgt: ‘We konden niet anders dan veel anonieme bronnen opvoeren. De mensen die we spraken, gaan niet met hun naam in de krant, willen eigenlijk liever helemaal niet in de krant. We krijgen ze pas in de krant na maanden en maanden werken en in sommige gevallen pas na een jaar, dat is het veld waarmee we te maken hebben, het is niet anders. Als het anders zou kunnen, zouden we het graag doen.’

Veel ambities

Grote vraag is waarom Ramesar tot de daden kwam waarvan Trouw hem nu beschuldigt.
Zeker is dat hij ambitieus was. In 2001 gaf hij, 23 jaar oud, een interview aan vakblad De Journalist. Hij studeerde toen nog aan de journalistiekopleiding in Zwolle en werkte als eindredacteur bij het programmablad van de Hindoeomroep OHM. Ramesar vertelde dat hij door medestudenten een ‘cv-builder’ werd genoemd en dat hij door ‘zijn vele journalistieke werk’ weinig tijd had voor familie en vrienden.

‘Mijn sociale leven staat op een zeer laag pitje’. Hij gaf toe dat hij ‘een zekere profileringsdrang’ had, dat hij de Hindoemedia zag als opstapje naar een kwaliteitskrant als NRC Handelsblad. Hij hoopte ooit ‘in één adem’ te worden genoemd met Paul Witteman, Mark Kranenburg, Frénk van der Linden en vooral met zijn grote voorbeeld, de eveneens Surinaams-Hindoestaanse Anil Ramdas. ‘Ik heb veel ambities, ik wil zo hoog mogelijk komen, naar beneden kan altijd nog.’ Het lijken achteraf profetische woorden.

Prestatiedruk

Grote ambities, maar ook de enorme prestatiedruk die door families op jongeren wordt gelegd, het is een bekend thema als het om de Hindoestaanse gemeenschap gaat. Zou het kunnen dat Ramesar is bezweken onder die druk?

Hoogleraar Hindoestaanse migratie aan de Vrije Universiteit Chan Choenni kent Ramesar goed, niet alleen als journalist, maar ook als bestuurslid van de stichting Lalla Rookh, de stichting die zijn leerstoel heeft ingesteld. De Hindoestaanse gemeenschap is klein, en Choenni trad regelmatig op als expert in artikelen van Ramesar.

‘Perdiep is een harde werker,’ zegt Choenni. ‘In het algemeen kun je zeggen dat Hindoestanen heel ambitieus zijn, maar ik zou niet de connectie willen leggen tussen zijn prestatiedrang en het feit dat hij eventueel bronnen heeft verzonnen. Ik wil daar op dit moment nog helemaal geen uitspraak over doen.’

De hoogleraar verwoordt de algemene opinie binnen de Hindoestaanse gemeenschap als hij zijn verbazing uitspreekt over het onverwachte ontslag van de volgens hem ‘zachtmoedige en integere’ verslaggever. ‘Is het niet zo dat ze bij Trouw naar spijkers op laag water zoeken? Bij het soort onderwerpen waar Perdiep zich mee bezighoudt, kun je vaak niet anders dan werken met anonieme bronnen.’

Wie waren zijn chefs?

Schrijfster Usha Marhé kent Ramesar al sinds hij zijn allereerste schreden op het journalistieke pad zette: ‘Hij vertelde me dat hij zelf ook het vak in wilde gaan, nadat hij een interview met mij had gelezen in De Journalist.’

Wie waren zijn chefs en eindredacteuren? Ik hoop van harte dat ook zij op het matje worden geroepen.

In de jaren negentig, vlak nadat ze uit Suriname naar Nederland was gekomen, werkte Marhé zelf een tijdje bij Trouw. ‘Als een van de weinige donkergekleurden in een witte omgeving wordt er dubbel op je gelet. De enige manier waarop mensen als Perdiep zich waar kunnen maken, is door zich tweehonderd procent in te zetten. En dat gaat een keertje scheef. Natuurlijk vind ik dat als hij geblunderd heeft, hij op de blaren moet zitten. Maar redactiewerk is teamwerk en ik hoop dan ook dat Perdiep nu niet als zondebok wordt gebruikt en dat bij Trouw verder alles bij het oude blijft. Wie waren zijn chefs en eindredacteuren? Ik hoop van harte dat ook zij op het matje worden geroepen.’

Hoofdredacteur Cees van der Laan van dagblad Trouw wil niet reageren. ‘Op dit moment geef ik geen commentaar en wacht ik de bevindingen af van de externe commissie die onderzoek doet naar deze kwestie,’ laat hij weten.

Dit stuk stond op 17 december 2014 in Vrij Nederland. Voor de gelegenheid geven we het gratis weg. Je kúnt ons steunen door een abonnement te nemen.

Word abonnee vanaf € 4,99 Sluit je aan
X
Het zijn tijden voor Vrij Nederland
Het zijn tijden voor
Vrij Nederland
Goede journalistiek kost tijd en aandacht. Om de verhalen te kunnen maken die jij graag leest, vragen we je abonnee te worden. Sluit je nu aan.
Om de verhalen te kunnen maken die jij graag leest, vragen we je abonnee te worden van VN.
Het platform voor progressief Nederland
Voor cultuurliefhebbers en kritische volgers van de actualiteit
Onafhankelijke journalistiek: van maandblad tot video, van podcast tot blog
En: jaarlijks vier thema-specials

Advertentie

Advertentie