Zolang de kern, onderwerping, niet uit de islam is verdwenen, zal Hafid Bouazza zich er tegen blijven keren. Zoals in zijn nieuwe boek over de vrouw en de islam.

In Nederland is een libertijn al geen vertrouwde verschijning, laat staan een Marokkaanse libertijn. Wanneer die de bronnen voor zijn libertinisme ook nog weet te traceren in een geschiedenis die meer dan duizend jaar teruggaat, en die even lang verdrongen is door de islam, dan is een permanente vijandigheid tussen de islam en de vrijgevochten geest van de libertijn onvermijdelijk.

Welsprekender, sarcastischer en virtuozer tegenstander kan de islam niet hebben.

Zo is de verhouding tussen Hafid Bouazza en de islam. Terwijl ‘Marokko’ en Marokkaanse emigranten geen onverdeeld gunstige pers hebben, en gezien worden als onderdeel van de conservatieve islam, publiceert Bouazza het ene na het andere deel van zijn vrijgevochten Arabische Bibliotheek, vooral gevuld met door hemzelf vertaalde erotische en pornografische gedichten, met als laatste deel Niets dan zonde. Liefde lyriek & liederlijkheid. Welsprekender, sarcastischer en virtuozer tegenstander kan de islam niet hebben: ‘Alleen afvalligheid kan de islam en het Westen redden van de rottende kern van de islam’, schrijft hij in zijn nieuwe boek De akker & de mantel. Over de vrouw en de islam.

Kom Bouazza niet aanzetten met het denkbeeld ‘dat de islam de vrouw beschouwt als een kostbare steen, edelsteen, juweel, kleinood.’ De islamitische vrouw heeft niets in te brengen, moet worden uitgehuwelijkt, liefst binnenblijven, een hoofddoek dragen, geen onderwijs volgen, wordt genitaal verminkt en moet de veelwijverij van haar man dulden. Bouazza ziet het als ‘duizelingwekkend onrecht’ dat vrouwen ‘als het bezit van een cultuur worden beschouwd en niet als een menselijke entiteit.’

Huda Shaarawi

Hij schaart zich achter een reeks vrouwen die zich hier tegen verzetten, zoals de Egyptische Huda Shaarawi (1899-1947), oprichtster in 1923 van de Egyptische Feministische Unie, die door heel Europa reisde en in lezingen er aan herinnerde dat de vrouw in de Arabische geschiedenis ooit ook mannenrechten genoot. En de Al Jazeera presentatrice Shereen El Feki, schrijfster van een boek (Sex and the Citadel) over de geringe veranderingen in het intieme leven in de Arabische wereld, want voorlopig is negentig procent van de vrouwen nog genitaal verminkt. En Mona Eltahawy, schrijfster van het ‘verbale salvo’ waarin ze zich afvraagt waarom moslims vrouwen haten: Why Do They Hate Us? (Foreign Policy, 2012). Er waren ook mannen die voor vrouwen opkwamen, zoals Qasim Amin, die in 1899 in De bevrijding van de vrouw betoogde dat de islam de sluier helemaal niet voorschreef.

Shereen el Feki, 2014. Foto: Dingena Mol/HH

Zoals de christenen verwijzen naar de Bijbel als de bron van hun geloof, zo doen islamieten dat naar de Koran en naar de tijd dat hij ontstond in de zevende eeuw. Maar Bouazza heeft zijn eigen bron voor zijn libertinisme: de Abbasidische revolutie rond Bagdad in de jaren 750-1258. Dat was ‘een soort islamitische verlichting’ waarin de rede en de twijfel werden toegelaten, onvoorwaardelijk voor ‘het wereldlijke leven’ gekozen kon worden en ‘de geneugten’ van het leven niet werden versmaad. De literatuur bloeide. Poëzie, maatschappij en politiek waren een drie-eenheid. Wat dit inhoudt is te lezen in de gedichten van Abu Nuwas en in het proza van Ibn ar-Rawandi, twee profane geesten die door Bouazza worden gepresenteerd als degenen die de Koran niet beschouwden als het eeuwige woord, maar als een boek uit een bepaalde tijd en ruimte, dus niet sacrosanct. Ibn ar-Rawandi riep op tot het afwerpen van gehoorzaamheid aan rituelen die tegen de rede indruisten.

Voor Bouazza bewijzen die vijfhonderd jaar dat de islam niet voor eeuwig vast hoeft te zitten aan zijn kneveldoctrines, door Anthony Burgess ooit samengevat in Dit kan niet en dat ook niet. Hij stoort er zich aan dat Nederland veel te toegeeflijk is ten aanzien van de islam, zelfs ‘onderkruiperig, een serviele, kluchtige versie van de onderwerping die de kern van de islam is.’ De hedonist Bouazza creëert een hopeloze kloof tussen hem en de islam. Hier is geen vergelijk mogelijk. Blijft over dat we ons kunnen laven aan zijn erudiete, soms warrige, maar altijd behartenswaardige tirades tegen de kern van de islam: onderwerping. Anders dan Ayaan Hirsi Ali gelooft Bouazza niet dat de islam hervormd kan worden. Alleen in afbraak ziet hij iets. Daarom is dit boek ‘een woedekreet, een machteloze weeklacht.’ Dat is te begrijpen wanneer hij een willekeurige imam nog hoort zeggen: ‘Een vrouw is wel vrij, maar niet om te doen wat ze wil.’

De akker & de mantel van Hafid Bouazza is uitgegeven door Querido.