In het badhuis

Dat ik besneden ben, komt niet slecht uit: het clubje joodse Russen met wie ik iedere woensdag naar het badhuis ga, kijkt er onbewust toch naar. Het is een duur badhuis, met dure auto’s voor de deur. Ook de bediening, het interieur, de menukaart – alles is er eigenlijk duur. Maffiastijl à la jaren dertig. Veel gouden kettingen.

Misja is doorgaans vrolijk en met zijn wijnhandel de rijkste van ons allen. Maar zelfs na het derde rondje hellehok (de stoomstoker is een Tsjetsjeen) is zijn gezicht nog even verschrompeld als zijn penis. Hij slaat het bier af; laat de schaal met dampende garnalen onberoerd. ‘Ze wilden me laten dood zuipen!’ Hij drapeert het klamme laken over zijn lichaam. ‘Hé Igor!’ maant hij de badhuisober. ‘Een kroes thee met honing!’

Hij had pas een mooie deal met Armenen gesloten. ‘Misja, je hebt de poen binnen. Jij gaat ons nu een mooie avond bezorgen!’ Dat had hij wel vaker gedaan: een banket, uitmondend in een orgie. ‘Ik belde Lena op,’ zegt Misja, en we knikken: we kennen Lena allemaal. Is het niet fysiek, dan wel van reputatie. ‘Ik zeg: “Lena, bezorg me morgenavond tien topmeisjes. Maakt niet uit wat het kost!” Een dag later zaten Misja en zijn Armeense partners in de bossen buiten Tver. De gehuurde villa met restaurant had twintig kamers. Buiten stond een wagenpark van zeker drie miljoen dollar. Ze begonnen te zuipen en te toosten. Op Israël. Op Rusland. Op het Armeense volk.

Bijna was het moment aangebroken om collectief naar boven te gaan, toen de gerant op Misja’s schouder tikte. ‘Ik glipte even met hem weg, en vroeg: “Wat is er aan de hand?”’ De dames die al boven in de kamers hadden klaar gelegen, stonden met de jassen aan in de gang, wachtend op taxi’s. ‘Waarom?’ vroeg Misja wanhopig. ‘We neuken niet met zwartkonten!’ riepen de hoertjes in koor. Maar het waren Armeniërs! ‘Juist, zwartkonten dus.’

Misja kent de mores: een woord is een woord. Er waren er voor minder door een kogel getroffen. Hij bood de meisjes elk vijfhonderd dollar extra. Nee. Duizend. Nee. Tweeduizend. Nee. ‘Met zwartkonten neuken we niet!’ En ze reden even later weg.

Terug aan tafel, biechtte Misja op dat de meisjes waren vertrokken. Waarom? Hij durfde niet te zeggen dat het endemische racisme van het Russische volk hem – een jood – indirect had getroffen. Na een zwijgscène, zei de leider: ‘Misja, zuipen!’ Met twintig man moest Misja apart toosten. ‘Ik was al kachel. Ze wilden me dood hebben. Maar na twintig glaasjes cognac ad fundum stond ik nog steeds overeind. Dat heeft me gered.’ Zaken doen in Rusland.

Pieter Waterdrinker

Hotel Náutico

Vanaf Valencia zijn we het Spaanse binnenland ingereden. De stipjes op de Michelinkaart geven geen uitsluitsel over het slaperigheidsgehalte van de bergdorpjes, die bovendien vaak tientallen kilometers uit elkaar liggen. Al twee keer zijn we, op zoek naar een hotel, voor niets kilometers omgereden. Maar, zie ik op de kaart, er komt een meer binnen bereik, met een plaatsje aan het water: Valverde de Júcar. Een bord verwijst er naar ‘Hotel Náutico’. Een hotel met uitzicht op het water, ongetwijfeld.

Hotel Náutico ligt buiten het dorp, met een groot terras eromheen en uitzicht over aardappelvelden, wuivend graan, weggetjes, hier en daar een boom. Geen meer te bekennen. Wel de hoteleigenaar, die overloopt van enthousiasme: ‘Welkom! Wat voor kamer wilt u? Zeg het maar. We hebben alles!’

We zijn de enige gasten. En we mogen nauwelijks naar onze kamer, want hij móét ons rondleiden. Hij vertelt hoe ouders kunnen eten op het terras en tegelijkertijd hun kinderen in de gaten houden, die spelen op het speelplaatsje. Het terras is hier en daar verzakt, het plaatsje overwoekerd door verdroogde struiken. ‘En dan is hier het strand,’ zegt hij geestdriftig met een blik op een stukje gebarsten aarde met een uitgemergelde boom erop. ‘En daar,’ hij wijst naar het hekje om het terras, ‘daar kun je vissen.’

We kijken elkaar aan: een gek. ‘Enne…’ zeg ik achteloos, ‘het meer?’ Zijn ogen schitteren. ‘Dat komt!’ roept hij. ‘Volgend jaar!’

Spanje droogt uit. In de winters valt er extreem weinig regen, het tweede halfjaar van 2005 was het droogste sinds 1880. Ze hebben twee dammen in het meer gebouwd, jaren geleden, vertelt hij. Hij heeft het hotel twee jaar geleden gekocht en opgeknapt. En nu wacht hij tot ze de dammen weghalen. En tot het weer gaat regenen. Hij laat een beduimelde foto zien. Achter het terrashekje strekt zich inderdaad een meer uit, met bootjes en badgasten. Die tientallen jaren oude foto is het houvast van de eigenaar van Hotel Náutico. Nadat zijn vrouw ons heeft bedolven onder ongevraagde hapjes en andere goede bedoelingen, nadat hij twee stoeltjes en een tafeltje voor ons op het immense terras heeft gezet om de zon te zien ondergaan over de velden, als hij een stoel bijschuift en lyrisch vertelt hoe het er volgend jaar uitziet, met de sterren weerspiegelend in het water, beloven we: volgend jaar komen we terug. ‘Als het water er is,’ zegt hij.

Juliette Berkhout

De fotograaf en de papegaai

Ze willen zijn papegaai afpakken en hij had het kunnen weten. ‘Dierenbeul!’ wordt hem soms toegeroepen, altijd door hetzelfde ‘vieze oude mannetje’ vanuit een voorbijrijdende auto. Károly Álmos, zelfbenoemd Hongaars hoffotograaf, staat op de Nieuwmarkt in Amsterdam met zijn antieke houten camera. Voor negen euro per stuk krijg je een ‘nostalgische foto’ in sepiakleur, ter plekke ontwikkeld en afgedrukt volgens een honderdvijftig jaar oud procédé. Zijn trouwe metgezel Gubba, een grijze roodstaartpapegaai, zit rustig op zijn schouder en wanneer er een foto wordt gemaakt springt hij op de camera. ‘Kijk naar het vogeltje!’ roept Károly dan.

Maar dat mag niet meer van het stadsdeel Centrum. Iemand heeft een klacht ingediend wegens dierenmishandeling, waarop Álmos een brief kreeg. ‘Zoals u misschien niet weet, kent het stadsdeel Amsterdam-Centrum een streng beleid voor het gebruik maken van dieren in de openbare ruimte,’ staat daarin. ‘Het betekent dat ik die stomme vogel nu alleen nog mag meenemen als ik hem in een kooitje stop,’ moppert Álmos. ‘Dat is toch juist dierenmishandeling?’

Mensen zijn raar, met dieren, vindt Álmos. ‘Op drie centimeter afstand roepen ze heel hard ‘poele poele poele’ naar een dier dat ze niet kennen. Achterlijk gedoe.’

En de papegaai zelf? ‘Die vindt alle aandacht lekker.’ Zonder tot overdreven dierenliefde te vervallen, weet hij weet precies wat de papegaai nodig heeft: menselijk contact en duidelijkheid over wie de baas is. Het is alweer zes jaar geleden dat Álmos de papegaai vond, ergens in een bos bij Utrecht. ‘Ik heb hem uit die boom gehaald, meteen instinctief zijn snavel gepakt en honderdtachtig graden gedraaid. Dat doen vogels bij elkaar ook, dan weten ze: jij bent de baas. Als kind heb ik ook altijd vogels gehad, eksters, spechten en kauwen, ik heb een goede hand met die beesten.’

Hij heeft het helemaal gehad met het stadsdeel. ‘Ze hebben ook al mijn schip afgepakt.’ Álmos had op zijn boot in de gracht een stukje gras gezaaid. Daar wilde hij een konijn op zetten, liefst met roze strik. ‘Voor mijn dochter, die werd twee jaar.’ De boot voldeed niet aan bepaalde eisen en het stadsdeel trok de vergunning in, na een klacht van een – wederom – ‘vies oud mannetje’. Álmos: ‘Het zijn altijd vieze oude mannetjes die jaloers zijn op iets wat zij zelf niet hebben.’ Hij is even stil. ‘Ze willen mijn speeltjes afpakken. Ik heb ze wel door. Het is heel handig als paranoia samengaat met sociale intelligentie.’

‘Kra,’ krast de papegaai zachtjes door het open deurtje van zijn kooi.

Padu Boerstra

Coup in Holland

Toen H.J.A. Hofland in NRC Handelsblad Nederland rijp voor een staatsgreep noemde (‘massale ontevredenheid, onoplosbaar lijkende problemen, zwak gezag’), kroop Kees M. Paling, spreekbuis van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) meteen achter zijn computer om een reactie te tikken.

Wie zou de coup van Hofland moeten uitvoeren? Het Republi­keins Genootschap? Prins Wil­lem-Alexander? Toevallig beschikt Paling over een encyclopedische kennis van de militaire geschiedenis. Omdat hij bovendien een kloek standaardwerk over het fenomeen staatsgreep in de pen heeft, kan hij de feiten uit het blote hoofd oplepelen: ‘Vrijwel alle 518 staatsgrepen en pogingen daartoe in de twintigste eeuw werden uitgevoerd door of met steun van eenheden van de nationale strijdkrachten.’ De laatste drie coups in Nederland vonden plaats rond 1800, ten tijde van de Bataafse Republiek. Hoewel Paling zich in dit kikkerland geen gewapende machtsgreep kon voorstellen, raakte hij gaandeweg toch steeds meer gefascineerd door het idee. Stel dát een rechts-populistische partij à la de LPF erin slaagt om het vertrouwen te winnen van de top van het leger, stél dat deze heren eensgezind van mening zijn dat alleen een dictatuur de dolgedraaide democratie kan redden, hoe zouden ze die putsch dan aanpakken? De ‘militaire thriller’ Operatie Tango die Paling erover schreef, berust volgens hem op een ‘uiterst realistisch scenario’. Voor de broodnodige sociologische analyse in zijn roman ging de auteur vanzelfsprekend te rade bij SCP-onderzoek. Zo laat hij Lucas van Dale, raadsadviseur van de minister-president, aan een journaliste verklappen dat er ‘iets broeit in de samenleving’. Dat wil zeggen: ‘De politiek denkt dat de ontevredenheid onder de burgers weg is zolang je er niets van merkt. Of dat die ontevredenheid vanzelf verdwijnt als de economie weer groeit. En dat is dus pertinent niet het geval.’

De jaarlijkse veteranendag op 29 juni leent zich bij uitstek voor het plegen van een staatsgreep: dan wemelt het in Den Haag van de militaire uniformen. ‘De namen van de militairen die me behulpzaam waren bij de research mag ik niet noemen,’ zegt Kees Paling. Voor ambtelijk Den Haag valt er in Operatie Tango heel wat te schuddebuiken om inside-grappen. De Commissie voor Zwaarwegende en Waardenbedreigende Onderwerpen (CZWO) die in het boek voorbij komt, heeft volgens Paling écht bestaan. ‘De afkorting dan. Die staat in werkelijkheid voor Commissie voor Zorg, Welzijn en Onderwijs. Ik heb tien jaar het secretariaat voor die club gedaan.’

Rudie Kagie