De ontvangst van ‘Het land van aankomst’

Zeven jaar na het verschijnen van zijn essay ‘Het multiculturele drama’ heeft Paul Scheffer een boek geschreven met voor bijna iedereen wat wils. Dat blijkt niet alleen bij lezing van Het land van aankomst, maar kan ook geconcludeerd worden uit de twintig serieuze besprekingen die er sinds de presentatie, zes weken geleden, zijn verschenen. In veel van de besprekingen bejubelen de recensenten hun eigen gelijk. Zij vinden hun ideeën over immigratie en integratie tot hun tevredenheid bevestigd in het boek, al liggen die ideeën en dat gelijk soms mijlenver uiteen. Dat besprekers er zo makkelijk mee uit de voeten kunnen is een eigenschap van het boek, een kwaliteit wellicht. Al is ook een grote intellectuele lenigheid een vereiste. Of een blind enthousiasme voor het eigen gelijk.

Dankzij al die projecties laten de besprekingen een goed beeld zien van de huidige stand in het integratiedebat. Zeker als ook nog wordt gekeken naar de publieke reacties van politici, wordt het mogelijk om iets te laten zien van de richting die het debat opgaat na verschijning van Het land van aankomst. Bekende columnisten als Leon de Winter en Afshin Ellian, die doorgaans snel hoog in de boom zitten, lieten dit boek passeren. En het wordt nog stiller in het stadion. Het publiek zoekt de uitgang, terwijl interessantere spelers het podium betreden.

Eigen gelijk

Maar niet dan nadat talloze recensenten hun eigen gelijk opnieuw bevestigd zagen. Neem de bespreking van Bart Jan Spruyt. Ooit verrijkte deze conservatieve oud-journalist van het Reformatorisch dagblad het publieke debat met citaten van Alexis de Tocqueville en Edmund Burke. Daarna sloeg de angst voor de ‘islamisering van Nederland’ hem om het hart. Onlangs nog schreef hij in weekblad Opinio dat ‘de regenten van het politieke midden samenspannen met het koningshuis om het ideaal van de multiculturele samenleving actief uit te dragen en alle verzet te smoren’. Kortom, een man die het politieke midden een doorn in het oog is. Het land van aankomst lijdt volgens hem niet aan die knevelende gezapigheid. Spruyt prijst in HP/DeTijd uitvoerig de passages en zinnen waarin hij kan terugvinden wat hij zelf al langer zegt. Hij is opgelucht dat Scheffer ‘zich verre houdt van het zoveelste feestje dat de Grote Restaurateurs dezer dagen voor het multiculturalisme organiseren’. En sterker, hij concludeert, dat het boek van Scheffer oproept tot actie. ‘Nu is de politiek aan zet.’

In een andere lovende bespreking komt de Vlaming Gilbert Roox (van het Belgische dagblad De Standaard) juist tot een tegenovergestelde conclusie. Als citaat uit het boek kiest hij: ‘Wie migranten vraagt kritisch naar hun tradities te kijken, moet ook zelf bereid zijn om de eigen vanzelfsprekendheid tegen het licht te houden’. Nieuwe ‘gedeelde normen en een nieuw burgerschap’ moeten we zelf zoeken, niet de politiek, schrijft Roox volgens hemzelf in navolging van Scheffer.

Piet Emmer volgt een vergelijkbare, maar net even andere strategie. De hoogleraar geschiedenis uit Leiden prijst Scheffer wanneer hij beweringen doet die ook zijn terug te vinden in zijn eigen boekje Wegsturen of binnenlaten; Tien vragen en antwoorden over migratie. Tegelijk dicht hij Scheffer een nationaal ‘immigratietrauma’ toe, dat moet hebben geïnspireerd tot een pleidooi voor een ‘Fort Nederland’. Een verkeerd pleidooi volgens Emmer, ‘al was het maar omdat de propagandatruc van Goebbels met zijn Festung Europa op een grote mislukking is uitgelopen.’ Vervolgens herhaalt Emmer in zijn bespreking wat hij altijd al zegt: ‘Er zit niet anders op dan te blijven nadenken over een toekomst met immigratie. Nederland mag dan worden geteisterd door de nasleep van een verkeerde immigratiepolitiek met verkeerde immigranten, het ontvangt dagelijks ook hard werkende Oost-Europese pendelaars en talloze hoog opgeleide nieuwkomers die flink bijdragen aan onze welvaart.’ Daar heeft Scheffer volgens Emmer te weinig over gezegd. En dus doet hij dat zelf nog maar eens.

Voor slappelingen

Besprekingen als deze reduceren het boek van Scheffer tot een pamflet. Dat is niet terecht, zoals andere besprekers opmerken. Sterker, in nagenoeg alle lovende besprekingen wordt Scheffer geprezen om zijn uitputtende studie naar het onderwerp en zijn vermogen het debat boven de loopgraven uit te tillen. Yves Desmet, oud-hoofdredacteur van De Morgen en een gezaghebbend publicist in België, schrijft: ‘Het verfrissende aan dit boek is dat het boven het slagveld van de gelijkhebberij staat, en poogt om ingezetenen en migranten te verzoenen.’ Hij noemt het boek zelfs ‘het beste dat er over de migratie in de lage landen is geschreven’ en ‘verplichte literatuur voor een ieder die van ver of dichtbij bij de immigratieproblematiek betrokken is’.

Nog een paar voorbeelden: Addie Schulte schreef in Het Parool dat Scheffer een ‘uitweg’ biedt ‘uit de impasse waarin de voortrazende discussie terecht is gekomen’. En René Cuperus, een PvdA’er van de Wiardi Beckman Stichting die in het nawoord van het boek wordt bedankt, noemt Scheffer zelfs ‘de nationale verzoener’. Scheffer balanceert volgens hem ‘knap tussen de uitersten van politiek-correct multiculturalisme, Nederland-bashing en xenofobie’.

Die nuances worden niet door iedereen op prijs gesteld. In kringen van wat wel ‘islamcritici’ worden genoemd, wordt de rustige, didactische toon van het boek juist gehekeld. Fleur Jurgens, auteur van het boekje Het Marokkanendrama, verwijt Scheffer in de Volkskrant een ‘weinig gewaagde stellingname’. Teleurgesteld constateert ze dat de ‘ijverige en vriendelijke kamergeleerde’ Scheffer te veel aandacht heeft besteed ‘aan theorie’, in plaats van aan ‘concrete uitingen van het multiculturele debat’.

Ook Elseviers Syp Wynia (kreeg een bedankje in Scheffers nawoord) vindt het boek maar flauwtjes. Al waardeert hij de ‘granaat’ die Scheffer in 2000 in eigen kring gooide, Het land van aankomst bevat een ‘weinig verrassende’, slechts voor slappelingen geschreven ‘brede inventarisatie’. En volgens arabist en alarmist Hans Jansen verzuimt Scheffer zijn lezers eerlijk mede te delen dat ‘mainstream islamieten’ niet bestaan. Scheffer verdoezelt volgens hem de gevaarlijke radicaliteit van islamitische denkers.

Ook buiten deze loopgraaf krijgt Scheffer soortgelijke verwijten. Rob Hartmans, die na Fortuyns dood diens opkomst plaatste in de context van de jaren dertig, schrijft in De Groene Amsterdammer: ‘Hier is een integer intellectueel aan het werk, maar af en toe verlang je naar een duidelijker standpunt’. De politicoloog Meindert Fennema, klaagt dat Scheffer ‘erop uit lijkt de eigen oordelen zo veel mogelijk te verbergen achter het gezag van anderen’.

Het zijn begrijpelijke verwijten; het boek bevat zoveel opeenvolgende opvattingen dat het moeilijk is er een heldere visie uit te destilleren. Scheffer is het daar overigens maar gedeeltelijk mee eens. Toen Kustaw Bessems hem bij verschijning van het boek in een vraaggesprek voor De Pers voorlegde de indruk te hebben dat hij ‘enorm zijn best heeft gedaan dit keer alle mogelijke kritiek voor te zijn,’ antwoordde Scheffer ontkennend. En met grote stelligheid.

Loopgraven

Hoe denkt Scheffer daar nu over, nu die vlakheid de belangrijkste kritiek is gebleken? Scheffer: ‘Al is het boek dik genoeg om er Marokkanen mee op het hoofd te slaan, daar heb ik het niet voor geschreven. Natuurlijk was mijn essay destijds polemischer van toon. Toen schreef ik een artikel “tot hier en niet verder”. Nu heb ik een boek geschreven “tot hier en nu verder”. Dat betekent niet dat het middle-of-the-road is. De opvattingen die ik erin verkondig zijn lang niet allemaal gemeengoed, zoals Fennema schrijft. Ik geloof in de kracht van woorden. En dat we onszelf daarin opnieuw kunnen uitvinden.’

Wat verwacht hij zelf van de richting die het debat opgaat? ‘Dat kan ik nu nog niet zien. Begrijp wel, ik heb geen belang bij de huidige impasse. Het bestaan van de loopgraven is niet goed. Ik heb me er ook nooit in thuisgevoeld. Toch zou het ook niet verstandig zijn als we elkaar nu allemaal weer omhelzen. Daar maak ik me overigens geen zorgen over. Als ik hoor hoe Ella Vogelaar momenteel alleen de autochtonen aanspreekt op de problemen, begrijp ik dat het debat nog wel een tijd zal doorgaan.’

Opvallend genoeg heeft juist Vogelaar, minister van Wonen, Wijken en Integratie, kort na dit gesprek het boek uitvoerig geprezen. ‘Lees dat boek!’ zei ze afgelopen woensdag bij de presentatie van haar integratienota. Scheffer had haar geholpen ‘de verbinding naar autochtonen te maken’. Eerder kritiseerde Scheffer de neiging van Vogelaar te veel te vragen van autochtonen en te weinig van allochtonen. Terwijl hij Verdonk verwijt het tegenovergestelde te doen. In zijn boek probeerde Scheffer, zo zei hij in verschillende interviews, de woorden te vinden die Verdonk en Vogelaar kunnen verbinden.

Eerder bleek Vogelaar overigens nog niet te verleiden tot een bespreking. Het programma Buitenhof had haar daartoe uitgenodigd, maar duidelijk was dat Vogelaar het boek nog niet had ?gelezen. Inmiddels heeft ze het boek kennelijk wel doorgenomen, of hebben haar ambtenaren haar verteld dat Scheffer niet tot harde en vervelende beleidsadviezen komt.

Onderzetter

Wat overigens niet klopt. Al vergt het zoeken enige intellectuele scherpzinnigheid, zoals Scheffers vriend Michaël Zeeman zegt, in het boek zijn wel degelijk posities terug te vinden die bij een politieke concretisering verregaande gevolgen zouden hebben. Zo pleit Scheffer voor een verscherpen van de scheiding tussen kerk en staat. Dat zou in de praktische politiek neerkomen op een verbod op confessioneel onderwijs, een uiterst populair instituut in Nederland.

Gek genoeg is er nauwelijks een bespreker die dat heeft opgemerkt. Zeker Verdonk niet. In een uitzending van Nova waarin zij en Scheffer tegenover elkaar waren gezet, zei ze tegen hem: ‘U hebt ongetwijfeld veel tijd aan uw boek besteed, maar ik zie zo weinig oplossingen. Ik ben meer een type, als ik problemen zie, wil ik ze oplossen.’ Ook Theodor Holman, een van de vrienden van Theo van Gogh die in zijn columns voortdurend waarschuwt voor het gevaar van moslimextremisme, wierp Paul Scheffer voorzichtig voor de voeten, in een radioprogramma dat Holman leidde, dat het boek geen ‘houvast’ biedt, noch concrete oplossingen waar politici iets aan hebben. Scheffer reageerde gedecideerd en licht verontwaardigd. ‘Het is geen memo!’

Ook Scheffers vriend Michaël Zeeman wordt ‘knettergek’ van dit soort commentaren. ‘Vogelaar en Verdonk zijn reddeloos verloren. Die willen een boek dat kan dienen als onderzetter voor beleid, een resumé van vetgedrukte beleidsaanbevelingen. Dat is natuurlijk een forse belediging aan het adres van een schrijver als Paul.’

Het is waar, Scheffer heeft een boek geschreven dat in niets op een memo lijkt. Hij brengt er de immigratieonderzoekingen en integratieopvattingen in samen van sociologen als Oscar Handlin, Aristide Zolberg en de zwarte activist-socioloog W.E.B. Du Bois. Dat zijn niet echt klinkende namen in het Nederlandse debat. De hoofdrolspelers dááruit komen daarentegen nauwelijks in het boek voor. Hirsi Ali komt er met één vermelding bekaaid van af en aan de rol die Fortuyn heeft gespeeld, wijdt Scheffer drie van de 477 pagina’s. Alleen voor het effect van zijn eigen essay uit 2000 maakt hij een uitzondering.

Dat wil niet zeggen dat Het land van aankomst een wetenschappelijk werk is geworden. Scheffer is daarvoor te selectief met zijn data. Ook ontbeert het boek een notenapparaat en een helder omschreven vraagstelling. Maar hij geeft wel nieuwe invalshoeken, poetst oude op en compliceert kwesties die op de Nederlandse opiniepagina’s doorgaans een uiterst simpele invulling krijgen.

Brengt Scheffer, ooit een van de aanjagers, hiermee het debat in rustiger vaarwater? Dat is nog niet te zeggen. Het is ook onduidelijk of Scheffer dat wil. De scherpte van het debat in Nederland is juist goed, schrijft hij, want vechten is hechten. Door conflicten te vermijden zijn integratieproblemen nog nooit opgelost, ook niet in de buitenlanden waarvan hij de immigratieperikelen bestudeerde.

Tegelijk schrijft Scheffer dat de scherpte van het debat in Nederland een vruchtenloze en ‘ongerichte dadendrang’ creëerde. Dat er ‘te veel en te luid’ is gesproken. Toch had Nederland ook, zo schrijft hij, een vermijdingscultuur. Scheffer vindt nog steeds dat het land daaronder lijdt. ‘Tot op de dag van vandaag wordt de bovenlaag geplaagd door een verdringingsproces,’ zegt hij in een recent interview in dagblad De Pers.

Massale bekering

Maar tegenstrijdigheden in incidenteel gelichte citaten, of in de uitspraken van een schrijver, doen er weinig toe in het effect van een boek op het maatschappelijke debat. Het gaat om de algehele ontvangst, gecreëerd in de recensies. Moe van het gehakketak, omarmen de besprekers een ander geluid. Dat geldt zelfs voor de Amerikaanse hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam James Kennedy, die eerder juist zijn instemming verleende aan het ontstaan van verschillende, elkaar fel bestrijdende kampen in Nederland. Kennedy had zich er eerder over verbaasd hoe in Nederland de ene consensus in korte tijd altijd werd vervangen door een andere, even verstikkende consensus. Dat proces verloopt in ‘een massale bekering’. Nu schrijft ook Kennedy tevreden dat we weer samen op weg kunnen en prijst hij ‘Scheffers bewuste verschuiving van strijd naar het vinden van een modus vivendi’.

Maar wat betekent die modus vivendi? De besprekingen geven daar geen antwoord op. Daar moest schrijver Geert Mak aan te pas komen. Scheffer had hem uitgenodigd om het boek te presenteren. Dat was opvallend omdat deze twee bekendste publieke intellectuelen van Nederland eerder lijnrecht tegenover elkaar waren komen te staan. Dat kwam door de publicatie van Maks pamflet Gedoemd tot kwetsbaarheid. Hierin verweet Mak de Nederlandse islamcritici overdrijving. Hij sprak erin over ‘handelaren in angst’ en ‘rechts-nationalen’. Bovendien vergeleek hij de film van Hirsi Ali en Theo van Gogh, Submission I, met de nazi-propagandafilm Der ewige Jude.

Scheffer had Mak er daarna keihard van langs gegeven in een uitzending van Buitenhof. Mak had dat niet prettig gevonden. Maar Mak kwam niet naar Scheffers presentatie om daar zijn mening te geven. Hij verklaarde er nog eens dat hij, net als Scheffer, ‘de loopgravenoorlog’ van de afgelopen jaren als ‘een vreselijke tijd had ervaren’. Mak: ‘Misschien zijn er mensen die er plezier aan beleefden, in wat zij het debat noemden, maar ik vond het een ramp.’ Vervolgens zei hij dat ‘we ermee op moeten houden’. Ook noemde hij een lijst onderwerpen waarover Scheffer en hij het ‘roerend eens’ waren. En Het land van aankomst noemde hij tot slot ‘een grootse prestatie’. Sterker, het boek ‘rook’ zelfs goed.

Het was duidelijk: de twee belangrijkste antagonisten van het debat hadden het weer bijgelegd. Maar Mak zei meer: ‘Veel wetenschappers en onderzoekers zijn niet zulke straatvechters. Ze werden in de afgelopen jaren van het plein geduwd, of overschreeuwd.’ Als we ophouden met de vechtcultuur van het schoolplein, zei Mak, dan komen er eindelijk weer anderen in beeld. Mensen die niet direct alles geloven wat ze denken.

Zo gezien betekent het verdwijnen van de animositeit tussen de twee belangrijkste publieke intellectuelen van Nederland allerminst een terugkeer naar saaiere tijden. Vol vertrouwen zei Mak: ‘Welkom terug, intellectuele openheid en nieuwsgierigheid!’ Met andere woorden: Scheffer is een paar jaar aan het raam gaan zitten. Buiten zag hij niet de ‘usual suspects’ van het debat, maar sociologen die al langer, en soms jaren geleden, over immigratie en integratie hebben nagedacht. Dat maakt nu ook weer de weg vrij voor statistici, wetenschappers en anderszins geïnteresseerden om het podium van het debat te betreden. Het zal de toeschouwersaantallen misschien geen goed doen, de kwaliteit van het debat wel.