Het is kennelijk onweerstaanbaar: te willen weten op wie bepaalde personages in de literatuur in het echte leven zijn gebaseerd. Dirk Leyman, literair redacteur van De Morgen, koos er vijftig uit en achterhaalde hun antecedenten in de werkelijkheid.

Het moet een geval van bravoure zijn geweest toen de Engelse schrijver Martin Amis zei dat alleen minderwaardige schrijvers voor hun hoofdpersonen te rade gaan bij echte personen. Het lijkt me heel goed mogelijk om een roman te schrijven zonder aan bestaande personen te denken, maar voor hetzelfde geld doen zich mensen in de omgeving van de schrijver voor die toevallig heel goed passen in wat hij aan het schrijven is. Of hij baseert zich ongegeneerd op een bestaand persoon omdat de werkelijkheid het niet haalt bij de fantasie – iets wat vaak voorkomt.

Als de werkelijkheid de fictie sanctioneert, krijgt de roman het stempel ‘goedgekeurd door de werkelijkheid’.

Het behoort tot de categorie trivialiteiten om te willen weten of een personage in een roman gebaseerd is op een echt bestaand persoon. Het doet er eigenlijk niet toe. Maar toch duikt de behoefte om zulke trivialiteiten te willen weten van tijd tot tijd op: kennelijk heeft nutteloze kennis zijn eigen charmes. Het kan ook zijn dat men de fictie nog meer waardeert wanneer die door de werkelijkheid gesanctioneerd wordt. Dan krijgt de roman het stempel ‘goedgekeurd door de werkelijkheid’.

Er wordt vaak minachtend gedaan over de vraag van lezers of een roman al dan niet autobiografisch is. Zo gek is die vraag niet meer, nu schrijvers steeds vaker bewust autobiografische elementen in hun romans verwerken. Omdat het de laatste vijfentwintig jaar zo vaak is voorgekomen kon hierover door Lut Missinne in 2013 Oprecht gelogen geschreven worden: een boek over ‘Autobiografische romans en autofictie in de Nederlandse literatuur na 1985’. Daarin introduceerde ze het begrip ‘autofictie’, een genre waarin – zoals het woord al zegt – autobiografie en fictie door elkaar lopen. De vraag wat wel en niet autobiografisch is dringt zich dan vanzelf op. Het zijn de schrijvers zelf die de vraag uitlokken.

In zijn boek Lezen, een gebruiksaanwijzing. De wereldliteratuur in vijftig personages vraagt Dirk Leyman zich consequent af of een personage is gebaseerd op een werkelijk bestaand persoon. Het antwoord daarop is lang niet altijd eenduidig. Wat ook weer zijn voordelen heeft: dan valt er veel omheen te vertellen. Dat de figuur van de schrijver Jacob Voorlandt in Jeroen Brouwers’ roman Winterlicht (1984) gebaseerd zou zijn op de uitgever Geert van Oorschot heeft Brouwers herhaaldelijk ontkend. Maar ook heeft hij gezegd dat hij bepaalde eigenschappen, gebaren en diens stemgeluid aan Van Oorschot heeft ontleend. Maar als personage als geheel heeft Voorlandt niets van Van Oorschot: het boek gaat over de angst van een schrijver dat hij misschien niet goed genoeg is. De kracht van het boek is dat Brouwers de suggestie weet te wekken dat elke schrijver met die vraag worstelt. En niet alleen schrijvers. Brouwers gaf er iets universeels aan.

D’Artagnan door Gustave Doré (1883), op het Place du Général Catroux in Parijs. Foto: WikiCommons

Leyman heeft zich, zoals hij schrijft, in de ‘machinekamer en het scheepsruim van de schrijver’ begeven om vijftig personages op te tuigen met de omstandigheden van hun ontstaan: zeer bekende als Emma Bovary, D’Artagnan, Molly Bloom, Dr Jekyll en Mr Hyde, Jay Gatsby, Sherlock Holmes, Dorian Gray, Tsjip en Pnin, en minder bekende als Viktor Poort in De avonden (gebaseerd op Bob van Amerongen), Nora in Het poppenhuis van Ibsen (gebaseerd op Laura Kieler), Lucas Loos in Lucifer van Connie Palmen (gebaseerd op Peter Schat). Leyman voorziet elk personage van een verhaal. Dat doet hij meer op de manier van Celia Blue Johnson in Dancing with Mrs. Dalloway, waarin ze het verhaal vertelt van ‘the inspiration behind great works of literature’, dan op de manier van William Amos in The Originals, Who’s Really Who in Fiction.

Het boek van Amos is een alfabetische en encyclopedische opsomming met honderden personages. Leyman vertelt een achtergrondverhaal zoals Johnson.

Juist wanneer een personage niet te herleiden is tot één bron valt er veel te vertellen over wie de andere kandidaten zijn. Zoals in het geval van Tovèr in Remco Camperts Een liefde in Parijs. Is het Karel Appel, is het Corneille? Maar wanneer ook de naam Lucebert wordt genoemd begint het verwarrend te worden. Campert laat Tovèr zeggen dat hij als kunstenaar ‘één trucje’ kent, maar dat hij dat probeert af te leren. Hier kan het zeker niet om Lucebert gaan. Die had geen trucje.

Dr. Pangloss uit Voltaires ‘Candide’.

Er zijn herleidingen van personages die zorgen voor een kleine cultuurgeschiedenis, zoals met Dr. Pangloss in de satire Candide (1759) van Voltaire. Ook al krijgt iedereen in dat boek te maken met de vreselijkste ellende, toch zegt Dr. Pangloss voortdurend dat we in de beste van alle werelden leven, een uitspraak afkomstig van de filosoof Leibniz. Pangloss is gebaseerd op Christian Wolff, de discipel van Leibniz en de popularisator van zijn filosofie. Wolff maakte mee dat hij door de Pruisische koning Frederik Wilhelm in 1923 als hoogleraar in Leipzig werd ontslagen en verbannen vanwege zijn verlichte ideeën. Maar na diens dood werd hij door Frederik de Grote in 1740 in ere hersteld en tot kanselier van de universiteit van Berlijn benoemd. Wolff moet toen gedacht hebben dat hij altijd gelijk heeft gehad en inderdaad in de beste van alle werelden leefde.

Er zijn personages met een achtergrond waarbij je onmiddellijk denkt dat er een… roman over geschreven moet worden. Flauberts Emma Bovary is gebaseerd op Delphine Delamare, de vrouw van de plaatselijke arts die zich doodverveelde en daarom het geld over de balk ging gooien en overspel pleegde. Ook stak ze de dorpelingen de ogen uit met haar geel met zwart gestreepte overgordijnen. Eerst stortte ze zich in de armen van een herenboer, daarna in die van een notaris, maar allebei lieten ze haar in de steek. Waarna ze zich met arsenicum, net als Emma Bovary, van het leven beroofde. Maar er is nog een tweede inspiratiebron: Louise Pradier, ook een uithuizige smijtster met geld die na een wispelturige hoeveelheid minnaars ook enige tijd in Flauberts bed belandde. Flaubert zei van haar dat ze ‘een heel orkest van vrouwelijke emoties’ was.

Dirk Leyman is een aangename en geïnformeerde verteller. Hij zorgt er voor dat deze bezoeken aan de machinekamers en de scheepsruimen van schrijvers je doen verlangen naar het hele, krachtig opstomende schip van de romans zelf.

Lezen, een gebruiksaanwijzing van Dirk Leyman, met tekeningen van Brecht Evens, is uitgegeven door Uitgeverij Polis.