‘Het geeft me een boost als ik in de vroege ochtend door Londen fiets terwijl de stad langzaam ontwaakt.’ Het is acht uur ’s ochtends en Marcel Levi (52) heeft een lange nachtdienst achter de rug. De CEO werkte tot gisteravond elf uur als internist in zijn eigen ziekenhuis. Daarna werd hij nog een paar keer uit zijn bed gebeld maar vanochtend zat hij alweer ruim voor zessen op zijn racefiets voor een ritje langs de Theems. Vanwege de nachtdienst liep hij net iets later dan gewoonlijk de hal binnen van de spiegelende hoogbouw aan Euston Road, hoofdkwartier van University College London Hospitals (UCLH), waarvan hij sinds januari de executive director is. Werkweken van tachtig uur en meer zijn normaal voor hem. ‘Wie heeft ooit verzonnen dat je acht uur per nacht moet slapen? Meestal ga ik ’s ochtends tussen vijf en halfzes aan de slag, de nachtportier wist de eerste dagen niet wat hij zag. Maar het bevalt me prima om alvast een paar uur te werken voordat mijn forensende collega’s binnendruppelen. En ik heb een espressomachine meegekregen van mijn Amsterdamse collega’s, dat helpt. Ontbijten is goed om de stofwisseling aan te zetten maar dat gaat met koffie net zo goed.’
Na zes jaar als baas van het AMC beschouwde Marcel Levi zijn oversteek naar Londen als een promotie naar de Champions League van de geneeskunde. De transfer werd ook door de Engelsen in sporttermen bejubeld. Het toonaangevende British Medical Journal zette de dokter op de cover als voetbalplaatje, met een oranje shirt en de tekst ‘World Class Star’. De boodschap was duidelijk: de National Health Service (NHS), het Engelse zorgfonds, had met Marcel Levi juist in het jaar van de Brexit een topspeler uit de EU binnengehaald. Er was veel belangstelling voor de baan, niet alleen uit Engeland, maar ook uit Zweden, Australië en de VS. ‘Dat Marcel behalve bestuurder ook arts is en zelfs patiënten ziet,’ zegt voorzitter van de Raad van Toezicht Richard Murley, ‘sprak sterk in zijn voordeel. Een dokter, docent en wetenschapper als CEO van zo’n groot ziekenhuis is in Engeland a big deal. Het is uiterst ongebruikelijk maar vooral de collega-artsen en de verpleging vinden het geweldig.’
In zijn bestuurskamer herinnert de groepsfoto van de afdeling interne geneeskunde in het AMC, met voetbalfan Levi in Ajaxtenue en opvolger Hans Romijn op de eerste rij, aan zijn Amsterdamse jaren. Hoe vergaat het de ‘man van het jaar’ (Elsevier Weekblad) in Londen nu zijn eerste honderd dagen erop zitten?
Private partijen
De dag begint met de nazorg voor de acute gevallen die vannacht zijn binnengekomen via de Eerste Hulp. Daarna houdt hij zijn wekelijkse spreekuur in de polikliniek van het ziekenhuis. ‘Ik zal de patiënten vragen of ze het goed vinden dat je daarbij bent.’ We hebben nog wat tijd voor de poli begint en Levi legt uit wat hij ziet als het grote verschil met het Nederlandse zorgstelsel. ‘Minister Schippers kreeg in Nederland de meeste Kamervragen van alle bewindspersonen, maar ze moest steeds hetzelfde antwoord geven: sorry, daar ga ik niet over. Dat stuit zorgverleners extreem tegen de borst. De overheid heeft de verantwoordelijkheid over zoiets essentieels als onze gezondheid doorgeschoven naar private partijen, die niet bij machte zijn om beslissingen te nemen. De verzekeraars zijn bang om klanten te verliezen, de afdeling polisverkoop heeft het daar voor het zeggen, dus die zijn kopschuw voor elke verandering. En de ziekenhuizen mogen de markt niet verdelen. Dus er gebeurt niets.’
In Engeland met zijn National Health System (NHS), een zorgmonopolie, is de gezondheidszorg in handen van de staat en werkt het precies andersom. De Engelse politiek bemoeit zich intensief met Levi’s beleid en ook dat heeft nadelen. In het interview in The British Medical Journal beklaagde Levi, nog nauwelijks ingeburgerd, zich over de Britse zorgbureaucratie. ‘Wat we niet allemaal moeten invullen om medicijnen te krijgen en voor de statistiekjes van de overheid,’ verzuchtte hij. ‘Dat vonden ze wel schokkend, kritiek op de enorme controle- en regelzucht van de NHS door een buitenlander.’ Maar de politiek en de zorg staan wel in nauw onderling contact. Patiënten met een klacht bellen de parlementariër van hun eigen district en die geeft Levi dan de opdracht om het probleem op te lossen. ‘Ministers, staatssecretarissen en parlementariërs stappen in de metro – niks taxi of auto met chauffeur – en komen bij me op de koffie. De politiek is hier verschrikkelijk dichtbij en dat vind ik eigenlijk wel goed. Helaas hebben de Tories geen extra cent over voor de armlastige NHS. Labour wil wel meer uitgeven, maar heeft geen duidelijke ideeën over wat er met dat extra geld moet gebeuren.’
Professionals in the lead
Niet dat hij het Nederlandse zorgstelsel volledig op de schop zou willen nemen, zegt Levi. ‘Net als SP en GroenLinks wil ik af van de macht van de zorgverzekeraars, maar ik ben niet voor alwéér een scherpe koerswijziging. We hebben dit stelsel nu eenmaal, laten we proberen het te perfectioneren. Ik zou het fantastisch vinden als we weer eens een minister zouden hebben die verantwoordelijkheid neemt voor wat er in de gezondheidszorg gebeurt. En al ben ik erg voor professionals in the lead, zo iemand hoeft niet per se een medicus te zijn.’

Nadat Edith Schippers had aangekondigd niet nog een termijn te ambiëren, werd PvdA-lid Marcel Levi genoemd als haar mogelijke opvolger. Sommigen zagen hem zelfs nog als potentiële minister van VWS in een zakenkabinet nadat zijn partij tijdens de verkiezingen van 15 maart een historische nederlaag had geleden. ‘De PvdA is veel te technocratisch geworden, een afstandelijke partij die niet weet wat er leeft bij mensen, waar ze zich zorgen over maken,’ zegt Levi over die nederlaag. Hij vond de aandacht voor zijn persoon ‘grappig’ maar het idee van een ministerschap volstrekt onrealistisch. ‘Nog afgezien van het feit dat mijn partij nu weinig heeft in te brengen: ik heb net een nieuwe baan. Natuurlijk jeuken mijn vingers soms, want het zou zoveel beter kunnen. Maar ik ben nog niet zo oud en minister worden kan altijd nog.’
Vijfsterrenhotels
We steken de drukke weg over naar het ziekenhuis aan de overkant van de straat. Er rijden veel meer ambulances dan gemiddeld in dit deel van de stad, waar de vijf ziekenhuizen liggen die zijn gefuseerd tot UCLH, met vijftienduizend werknemers en een omzet van ruim anderhalf miljard een van de grotere academische ziekenhuizen in Europa. ‘De meeste vestigingen zijn op loopafstand, het verste weg is het ziekenhuis voor neurologie en neurochirurgie, als ik daar naartoe ga, pak ik een huurfiets uit zo’n docking station en dan ben ik er binnen tien minuten.’ Eenmaal in het ziekenhuis snelt hij eerst naar de acute gevallen die hij vannacht heeft opgevangen en keert dan al snel terug naar kamer nummer 6, met het bordje ‘prof. M. Levi, General Medicine Consultant’. ‘Het ging goed, twee waren er nog niet fit, maar ze hoeven niet alsnog naar de intensive care.’
Natuurlijk jeuken mijn vingers soms. Maar minister worden kan altijd nog.
CEO of niet, zijn bescheiden spreekkamer maakt net zomin als de rest van het ziekenhuis een up-to-date indruk en het computersysteem dateert zichtbaar uit de vorige eeuw. ‘En dan is dit ziekenhuis nog een van de modernste van Engeland. We hebben ook locaties met slaapzalen van twintig mensen waarvan je denkt: moet dit serieus een ziekenhuis voorstellen?’
Nederlandse ziekenhuizen zijn in de ogen van de Engelsen ‘paleizen of op zijn minst vijfsterrenhotels’, zegt Levi. ‘Er is zwaar bezuinigd op de zorg, de austerity van de Tories heeft er behoorlijk in gehakt en daar wordt een heftig debat over gevoerd. Maar het grote verschil met Nederland is dat ze het geld dát er is besteden aan patiënten, dokters en zusters. Terwijl wij de neiging hebben eerst te investeren in gebouwen en spullen.’
Geldverspilling
Achter het ziekenhuis is niettemin ook UCLH bezig aan ambitieuze nieuwbouw. Er wordt niet alleen naar boven – elf verdiepingen – gebouwd, maar ook diep onder de grond, waar op -5 een centrum voor protonentherapie is gepland, de nieuwste vorm van kankerbestraling. ‘Ze graven dicht langs de metro dus dat wordt erg spannend. En als ze Romeinse lijken vinden, ligt de bouw meteen stil,’ zegt Levi, die de bouw van een nieuw onderkomen voor het Amsterdamse fusieziekenhuis als geldverspilling van de hand wees. ‘Dat had zeker een miljard gekost, dat kun je beter investeren in de zorg zelf.’
Verrassend genoeg verzette Levi zich al kort na zijn aantreden tegen een verdere groei van zijn Londense ziekenhuis. De grote pleitbezorger van het samensmelten van AMC en VUmc, die hard aan die fusie heeft gewerkt met zijn tegenspeler bij het VUmc, voormalig PvdA-minister Wouter Bos, gebruikte in Londen dezelfde argumenten als zijn tegenstanders destijds in Amsterdam: ‘Als je nog groter wordt, wegen de voordelen van de schaalvergroting niet meer op tegen de nadelen.’ De succesvolste academische ziekenhuizen in Europa – het Karolinska Institutet in Stockholm, het UZ Leuven, het Charité Berlijn, de Engelse academische ziekenhuizen van Londen, Oxford en Cambridge – zijn allemaal net zo groot als het AMC en het VUmc samen, analyseerde Levi.
Groter is dus niet wenselijk, maar kleiner betekent definitief een marginale positie op de universitaire ranglijsten. ‘De twee academische Amsterdamse ziekenhuizen wachten nu al meer dan twee jaar op toestemming van de Autoriteit Consument & Markt. Twee jaar! Want ja, zorgverzekeraars vinden het maar griezelig, en Utrecht en Nijmegen en Groningen zeggen nerveus: worden wij dan tweederangs? Vervolgens komt het hele proces tot stilstand. Nederland moet durven kiezen: willen we op één of twee plaatsen naar de internationale top, of willen we het allemaal klein, knus en provinciaal houden.’
Maximaal een kwartier
De eerste patiënt op de poli is meneer Ibrahim van 78 jaar, een roker met een longprobleem. Sinds hij ‘die rode pillen’ slikt gaat het beter, zegt hij. Meneer Ibrahim houdt de moed er goed in voor iemand die in een rolstoel zit met een tumor in zijn toch al door emfyseem aangetaste longen, een slecht hart, diabetes en hoge bloeddruk. Levi, zongebruind en zonder witte jas – ‘daar doen ze hier niet aan’ – luistert geïnteresseerd, stelt vragen en spreekt geruststellende woorden. De ongeduldige CEO transformeert ter plekke tot een invoelende arts. Na het consult, dat intensief is en veel langer lijkt te duren dan de vijf minuten die hij in feite heeft gekregen, is meneer Ibrahim ‘very grateful’.
‘Ik ben in mijn werk als dokter anders dan in de rest van mijn leven,’ zegt Marcel Levi terwijl we wachten op de volgende patiënt. ‘Dat is een knop die ik professioneel kan omzetten. En mijn ervaring uit de spreekkamer neem ik mee naar de vergadertafel: het gesprek over een onderwerp moet niet langer dan vijftien minuten duren. Ik weet inmiddels: als het in een kwartier niet lukt, dan wordt het sowieso niets.’
In de maanden dat hij in Londen inburgerde, ontdekte hij niet alleen veel over zichzelf en over de Engelsen, maar keek hij ook met andere ogen naar zijn eigen land. ‘Als in een Nederlands ziekenhuis patiënten een beetje in de war de weg zoeken, schieten al die witte jassen en uniformen meestal voorbij zonder even te helpen. Hier wijzen ze je niet alleen de weg, maar lopen ze ook nog mee naar de plaats van bestemming. Een taxichauffeur die een patiënte heeft afgehaald, zet haar niet voor de deur af, maar geeft haar een arm en begeleidt haar naar de balie. Deze samenleving is veel vriendelijker – of misschien moet de conclusie zijn dat de Nederlandse samenleving ónvriendelijk is. Wij noemen onszelf graag “direct”, maar “bot” lijkt een beter woord.’
Kleine klachten
Dan heeft de pauze tussen twee patiënten alweer lang genoeg geduurd en vist de dokter een vuistdikke map uit de dossierbak die hij deelt met zijn collega-internist. Een reeks patiënten komt voorbij in de spreekkamer – de meesten met kleine klachten. Abdel Aziz bijvoorbeeld, die last heeft van extreme hoofdpijn na een operatie, en de Kosovaarse mevrouw Shakiri, die erg moe is en denkt dat ze een lage bloeddruk heeft. Na enig doorvragen blijkt het te gaan om bloedarmoede. ‘Vermoeidheid en ijzertekort, niet vreemd bij een vrouw van 28 jaar met een fulltimebaan en twee jonge kinderen.’
Er zijn in Londen niet meer hypochonders dan in Amsterdam, zegt Levi na het consult van een patiënt die meerdere keren per dag zijn eigen zuurstofopname meet, terwijl er weinig met hem aan de hand lijkt. ‘In Engeland hebben ze alleen nog extremer dan bij ons bezuinigd op social care, community care en psychosociale zorg. Als een huisarts bij zo iemand thuiskomt, verwijst hij hem ten einde raad maar naar ons.’
Zo’n veertig procent van de Londenaren is migrant, en omdat ze het concept ‘huisarts’ vaak niet kennen, komen zij vaker dan gemiddeld naar het ziekenhuis. ‘Onze eerste hulp is overbelast, met jaarlijks een kwart miljoen nieuwe patiënten.’

Behalve patiënten komen ook veel artsen en verpleegkundigen van UCLH uit het buitenland, wat nog problemen zal opleveren bij de Brexit. ‘Ik hoop en verwacht dat er een uitzondering zal worden gemaakt voor wetenschappers en zorgverleners,’ zegt Levi. ‘Het zal een enorme papierwinkel opleveren, een circus van visa en werkvergunningen.’
De Europese politici hebben het zelf een beetje verpest, vindt hij. ‘Brexit biedt de mogelijkheid om de Europeanen opnieuw te overtuigen van het concept van een verenigd Europa.’ En, oplossingsgericht als hij is: ‘Als de politici een beetje dapper zijn, verhuizen ze meteen de European Medicines Agency (EMA) en de European Banking Authority (EBA) uit Londen naar Straatsburg en sluiten ze het parlement daar, dan kunnen de parlementariërs gewoon in Brussel blijven. Dat levert behalve een enorme besparing ook goodwill op.’
Barmhartige Samaritaan
De laatste patiënt van vandaag is mevrouw Saunders, een vrolijke oude dame met een nierprobleem. Ze heeft een opgezwollen been na een ongeluk met haar scootmobiel. ‘Je denkt misschien dat ze te lang onder de zonnebank heeft gelegen, maar dat kleurtje is het eindstadium van nierfalen,’ zegt Levi als hij mevrouw Saunders per rolstoel heeft teruggebracht naar een verpleegster. ‘Dat ze heeft besloten om daar niets meer aan te laten doen, is even on-Engels als verstandig. Ze kan beter haar gewone leventje leiden, dat duurt niet heel lang meer maar dialyse zou dat niet verlengen, alleen zwaarder maken.’
Ik heb mijn nier nog geen minuut gemist en conditioneel ben ik niet achteruitgegaan.
Dialyse is symptoombestrijding die niet veel toevoegt aan de kwaliteit van leven, zegt Levi. ‘Transplantatie verbetert die kwaliteit wél en er zijn medische programma’s waarmee ouderen die een nier nodig hebben er eentje krijgen van mensen die op hoge leeftijd zijn overleden. Zo’n oude nier hoeft geen twintig jaar mee te gaan, dus dan kun je wat minder kieskeurig zijn.’
Beter nog is de nier van een levende – vandaar dat hijzelf er kort voor zijn vertrek naar Engeland eentje heeft afgestaan aan een onbekende ontvanger. ‘Ik heb hem nog geen minuut gemist en conditioneel ben ik er geen millimeter op achteruitgegaan. Er gaan weken voorbij dat ik niet aan mijn nier denk, al vind ik het wel léúk om eraan te denken: hij is tenslotte van levensbelang voor degene die hem gekregen heeft. Wie dat is en hoe het die nier nu vergaat, hoef ik niet te weten.’
Hij had de operatie stil willen houden, maar werd ‘een beetje onder druk gezet’ door mensen in zijn omgeving en door de Nierstichting. Nadat de Tweede Kamer de wet van Pia Dijkstra over orgaandonatie had aangenomen, leek plotseling een anti-donatiestemming te ontstaan. ‘Toen leek het me goed om het andere geluid te laten horen: dat het afstaan van een orgaan iemands leven gigantisch kan verbeteren.’ Hij zal niemand aan- of afraden om zijn voorbeeld te volgen, het was voor hemzelf nu eenmaal gemakkelijker omdat hij alleen leeft. ‘Het was bijzonder en waardevol om te doen. Alleen het meegeleverde barmhartige Samaritaan-effect had voor mij niet gehoeven.’
Verwend systeem
We steken Euston Road weer over naar de kantoortoren van het ziekenhuis, waar op de derde verdieping ook het National Travel Health Network is gevestigd. ‘De NHS is een verwend systeem, letterlijk alles wordt voor de patiënten geregeld. We hebben dus een eigen reisbureau waarmee we patiënten die naar Londen moeten komen voor een opname of operatie vervoeren en in hotels onderbrengen,’ zegt Marcel Levi. ‘Ik herhaal voortdurend dat we geen taxibedrijf of reisbureau zijn. Waarom geven we patiënten niet gewoon het geld, ze regelen het zelf honderd keer beter dan wij. Maar dan lachen me hier uit en ze roepen “onmogelijk, dat is typisch een taak voor de NHS”.’
Hij neemt niet de lift maar de trap naar boven – ‘een gezonde gewoonte, alleen naar de zestiende verdieping is het even klimmen’ – en meldt tussen neus en lippen door dat hij niet alleen nooit ontbijt maar ook hoogstzelden luncht. ‘Dat kost me te veel tijd. Laat dat je vooral niet weerhouden, er zijn hier overal goede eettentjes. Maar we kunnen ook even een kop koffie drinken. Straks komt er een delegatie langs van een Indiase ziekenhuisketen, ze willen graag samenwerken. Daarna verwacht ik een Amerikaanse uitgever van medische vakbladen die nieuwe markten zoekt.’
Twaalf onderduikadressen
Een verklaring voor zijn tomeloze energie en permanente goede humeur is misschien bij zijn moeder te vinden, vertelt hij even later bij die kop koffie. ‘Zij heeft ook weinig slaap nodig en tennist op haar tachtigste nog elke dag.’ Dat hij dokter werd, komt door zijn vader. Hij groeide op als tweede zoon van een huisarts die een praktijk had in Amsterdam-West en later verhuisde naar Amstelveen. ‘Het was een familiezaak, mijn moeder was assistente en wij als kinderen waren koerier en deden klusjes. Ik wist al vroeg dat ik ook arts wilde worden.’
Zijn ouders moesten onderduiken tijdens de Duitse bezetting. ‘Mijn moeder heeft als klein meisje twaalf onderduikadressen gehad. Dat er soms met winstoogmerk werd gehandeld met die Joodse kinderen is iets wat je nooit leert bij geschiedenisles. Over dat onrecht werd thuis net zomin gepraat als over de rest van de shoah. Ik stelde weleens een vraag maar ik kreeg nooit antwoord en op den duur dacht ik dus: laat maar zitten. Gelukkig is mijn moeder met haar zus uiteindelijk fantastisch opgevangen door een Limburgs onderduikgezin, daar heeft ze nog steeds veel contact mee.’
Zijn ouders wilden hun drie kinderen binnen het orthodox-joodse geloof toch maximale vrijheid bieden. ‘Ze vonden een Joodse school te beperkt, voor je het weet ga je alleen maar naar Joodse clubs en partijtjes. Dat leek hun teveel op gettovorming, ze vonden het belangrijk dat we middenin de Nederlandse samenleving zouden opgroeien.’
Dat is behoorlijk goed gelukt: zijn oudere broer werd econometrist en werkt bij Ahold, net als zijn jongere zus, die econoom is. ‘Mijn broertje en ik zijn ultracompetitief. Mijn zus vindt het vooral belangrijk om een compleet leven te leiden, zij trekt duidelijke grenzen tussen werktijd en privétijd. Bij mij gaat werk altijd voor. Ik realiseer me dat ik de lange werkweken en flexibele uren vooral kan maken omdat ik geen gezin heb, met kinderen zou het niet goed mogelijk zijn dit vol te houden.’
Flauwekulgeneeskunde
Samen met zijn broer heeft hij sinds een paar jaar een huis en een wijngaard in de buurt van Cortona, op de grens tussen Toscane en Umbrië. ‘Ik ben er lid van de lokale wielerclub, het is heerlijk fietsen daar.’ Ook is er altijd wel een medische handeling te verrichten, zijn nieuwe dorpsgenoten rekenen inmiddels op il medico olandese en stellen doktersbezoek voor zover mogelijk uit tot hij langskomt. ‘Ik heb twee jaar wetenschappelijk onderzoek gedaan in Perugia dus ik spreek Italiaans en ken de weg in hun zorgstelsel.’
Bij zijn broer werd tijdens een check-up, door Levi in een column in Medisch Contact evenals total bodyscans bestempeld als ‘flauwekulgeneeskunde’, een kleine maar gevaarlijke tumor in de lever ontdekt. ‘Ik kan er niet omheen dat een door mij als nutteloos beoordeelde echo mijn broer een dodelijke ziekte heeft bespaard,’ schreef Levi. Behalve blij was hij als aanhanger van de ‘nuchtere en evidence based benadering’ ook nogal in de war. ‘Ik was en ben nog steeds tegen medische check-ups, maar deze ene heeft wel het leven van mij broer gered.’
Per gezin geven we in Nederland meer uit aan onze auto dan aan zorgkosten.
Een andere stellige overtuiging wankelde toen zijn vader ernstig ziek bleek te zijn. ‘Ik was er altijd van overtuigd dat artsen niet ten koste van alles moeten doorgaan met behandelen,’ zegt Levi, als internist gespecialiseerd in bloedziekten. ‘Dokters moeten, vond ik en vind ik nog steeds, knopen durven doorhakken.’ De zorgkosten moeten uiteraard beheersbaar blijven om de kwaliteit op peil te kunnen houden, maar de afweging hoeft niet alleen financieel te zijn. ‘We geven in Nederland 12,5 procent van het BNP uit aan gezondheidszorg, laat het over een tijdje vijftien procent zijn – dat vind ik eerlijk gezegd niet meer dan een uiting van beschaving. Als je het per gezin uitrekent, geven we meer uit aan onze auto.’ Nee, Levi’s belangrijkste argument tegen te lang behandelen, is medisch-ethisch. ‘Eindeloos doorgaan doe je als arts als je alleen oog hebt voor je eigen favoriete kankercel die dood moet. Je vergeet dan dat er nog een heel mens omheen zit. Na een operatie waarbij een kwaadaardige tumor was verwijderd en de patiënt uitgeteld achterbleef met orgaanfalen en een slechte kwaliteit van leven, in feite een medische mislukking, hoorde ik een specialist enthousiast zeggen: “Wat een oncologisch succes!” Dan lijd je aan een extreme vorm van tunnelvisie.’
Uitbehandeld
Leukemie is zo’n ziekte waarbij steeds weer de afweging moet worden gemaakt of het nog zinvol is om te behandelen. ‘Met chemotherapie en stamceltransplantatie is er in eerste instantie vijftig procent kans dat je beter wordt.’ Artsen en patiënten beoordelen de kans op herstel met een blik op de statistieken, maar verliezen de realiteit uit het oog als de kansen keren, zegt Levi. ‘Als de behandeling niet aanslaat, is de kans dat je het overleeft minder dan drie procent. En de hematologen kunnen nog wel zes rondes doorgaan, terwijl je kansen telkens slinken. Bij een kans van 0,1 procent denkt de patiënt met de dood voor ogen: je weet maar nooit. Maar er is dan óók twintig procent kans op een ernstige complicatie. Hoe redeneert dan de gemiddelde patiënt in nood? “Tachtig procent kans dat ik die niet krijg.”’ Het is vooral een communicatieprobleem, omdat artsen het moeilijk vinden om toe te geven dat ze niets meer kunnen doen. ‘Uitbehandeld, dat vreselijke woord. Het is makkelijker om te zeggen, nou ja, er is nog wel iets mogelijk.’
Privé bleek het een stuk lastiger om de grens scherp te trekken. Nadat zijn vader tien jaar lang goed had gefunctioneerd, ondanks zijn ziekte, ging het echt niet meer. ‘En ja, toen zei zijn hematoloog: ik weet nog wel één dingetje,’ vertelt Levi. ‘Ik hoorde mezelf tegen mijn vader zeggen wat de meeste zoons in zo’n situatie tegen hun vader zullen zeggen: weet je pa, ook al is er maar een extreem kleine kans, probéér het gewoon. Een bewijs dat het je als naast familielid soms aan realiteitszin ontbreekt, juist omdat je zo betrokken bent. Gelukkig had mijn vader zelf de moed en de medische kennis om te kunnen zeggen: het is voorbij, ik stop ermee.’
Niet meer behandelen als er geen kans is op herstel, is nog iets anders dan euthanasie – wat in Engeland nog steeds niet wettelijk is geregeld – laat staan meewerken aan levensbeëindiging vanwege ‘voltooid leven’. De discussie daarover noemt Levi ‘typisch Nederlands’. Hij vindt dat artsen er niet mee moeten worden belast. ‘Het probleem is alleen dat er geen andere route is voor levensbeëindiging dan de medische. Dat zorgt voor een patstelling. Als iemand ondraaglijk lijdt, voel ik geen enkele weerstand om daar iets aan te doen. Maar we zijn zo vergroeid met de maakbaarheidsgedachte dat we op alle vlakken de regie over ons eigen leven willen voeren. We zijn niet meer in staat om ons te verzoenen met ons lot. Als iemand zegt “ik heb niet zoveel meer te verwachten van het leven, dus zullen we maar stoppen” dan is dat op geen enkele manier een medische kwestie. Sorry.’
Protonbestraling
De delegatie van de Indiase ziekenhuisketen komt langs, twee man sterk, met in hun kielzog tot Marcel Levi’s lichte irritatie twee ambtenaren van het ministerie van internationale handel – het ziekenhuis is nu eenmaal een staatsbedrijf. ‘We hebben de expertise en de appetite om over te steken naar Engeland,’ vertellen de Indiase zorgondernemers verlekkerd. Ze nodigen Marcel Levi en zijn staf nadrukkelijk uit om binnenkort per businessclass naar India te vliegen om er een van hun twaalf ultramoderne kankercentra te bekijken. ‘Protonentherapie, dat hebben wij in India al lang.’ De CEO antwoordt beleefd dat hij zeker kansen ziet, meer in ieder geval dan in de Golfstaten waar ziekenhuizen met de meest geavanceerde apparatuur aan maar één ding gebrek hebben: patiënten. Maar nee, bedankt, hij wás onlangs al in India voor een serie lezingen, onder andere in twee ziekenhuizen van deze keten in Delhi en Bombay.
Mijn vader had de moed en de medische kennis om te zeggen: het is voorbij.
‘Zo werkt die lobby,’ zegt hij als de Indiase delegatie weer is vertrokken. ‘Voor artsen is het vaak aantrekkelijk om op het aanbod van een geheel verzorgd reisje in te gaan waar je ook nog wat van opsteekt. Maar als ik naar India wil, koop ik zelf wel een ticket.’
Ook bij de inkoop van apparatuur worden artsen vaak benaderd door commerciële partijen die ‘zichtzendingen’ sturen. De specialist krijgt dan tijdelijk gratis nieuwe apparatuur waarbij soms zelfs een ‘gratis promovendus’ wordt meegeleverd. Levi had er in het AMC last van en in Londen is het niet anders. ‘Die fabrikanten zijn net Jehova’s getuigen, als ze eenmaal een voet tussen de deur hebben, als hun spullen eenmaal bij je staan, krijg je ze nooit meer weg.’
In Amsterdam wees hij de lobbyende producenten de deur en stelde professionele inkopers aan. ‘Je moet niet denken dat je dat als dokter, ambtenaar of ziekenhuisdirecteur zomaar erbij kan doen. Het is een vak apart. Vroeger kocht een ziekenhuis hoogstens verband en pleisters in, inmiddels zijn de materiële belangen enorm geworden.’ Dat geldt in de eerste plaats voor medicijnmonopolisten, zegt Levi. ‘Dat is een big battle. Dat er torenhoge winsten worden gemaakt op medicijnen is onhoudbaar, ik verwacht dat de samenleving het op den duur niet meer accepteert. Als de fabrikanten zelf hun winsten niet beperken, dan moeten we de patentwetgeving veranderen.’
Hetzelfde geldt voor technologische ontwikkelingen. Artsen willen opereren met de nieuwste technische snufjes, vaak zonder dat de werking van die nieuwe technologie is bewezen, en ook dat draagt bij aan de stijgende kosten van de zorg. Levi verbaast zich over het ontbreken van dat onderzoek. ‘Als je een nieuw medicijn op de markt wil brengen, moet je daar eerst duizenden ratten voor doodmaken. Heb je een nieuw apparaat, dan steek je een stekker in het stopcontact en je kunt beginnen.’
Nieuw is in de ogen van artsen en patiënten nu eenmaal per definitie beter, en dat geldt in de Verenigde Staten nog sterker. ‘Kankerpatiënten staan daar tegenwoordig op protonenbestraling omdat de Scientific American erover schrijft.’ DaVinci, de fabrikant van operatierobots, organiseert symposia waar chirurgen mogen vertellen over hun ervaringen. ‘Er ontstaat dan gezoem en iedereen met prostaatkanker wil wel met zo’n robot geopereerd worden. Maar onafhankelijke, goed uitgevoerde trials die bewijzen dat je met robot voor de patiënt betere resultaten boekt dan zonder, die zíjn er helemaal niet.’
Vermijdbare doden
James Shanahan, de uitgever van McGraw-Hill die langskomt na de Indiase delegatie, heeft ook een commercieel belang. Via Levi, die hij kent als medeauteur van onder andere een handboek over hematologie, wil hij in Europa voet aan de grond krijgen met de databank van zijn uitgeverij. Al snel gaat het over Watson, de IBM-computer die de televisiequiz Jeopardy won en waarvan tot voor kort veel werd verwacht op het gebied van diagnose en behandeling van kanker. De samenwerking tussen het MD Anderson Cancer Center en de IBM Watson Group is inmiddels stopgezet. ‘Ze wilden ook onze data invoeren in Watson,’ zegt de uitgever. ‘Ik dacht het niet, dan kunnen we die kennis niet meer vermarkten.’

Ook Levi is niet zo’n fan van Watson. Bij het diagnosticeren is menselijke communicatie essentieel, vindt hij. ‘We werken hier intensief samen met het Farr Institute, onze computerfaculteit, maar clinical decision making blijft een subtiel proces, een zoektocht, een combinatie van verbale en non-verbale communicatie. Ik zie dat heel lastig vervangen worden door algoritmes. Wel veelbelovend is het laten interpreteren van CT-scans door de computer. Big data blijkt bruikbaar als ondersteuning van medici, maar op de korte termijn gaat Watson ons niet wezenlijk vooruithelpen.’
Dat neemt niet weg dat geneeskunde zich razendsnel ontwikkelt, zegt Levi na de vergadering met de executive board, die door de Nederlandse CEO in vlekkeloos Engels is voorgezeten. De presentatie over de avoidable deaths, incidenten en near misses in het ziekenhuis maakt indruk: dat blijken er jaarlijks twaalfhonderdvijftig. Dat moet beter kunnen, vinden de aanwezige artsen zelf ook, al blijft ‘vermijdbaar’ een lastig begrip als het om de dood gaat.
Clinical decision making blijft een subtiel proces, een zoektocht.
Zijn staf lijkt blij met Levi’s relaxte leiderschap en vooral met zijn voorkeur voor kort en ter zake vergaderen. ‘Het is mooi om samen te werken met al die toptalenten, in het ziekenhuis en op de universiteit,’ zegt hij. ‘De medische ontwikkelingen gaan pijlsnel, al is dat soms moeilijk over te brengen. Studenten en patiënten hebben het heden als ijkpunt en vinden het niet meer dan logisch als een ziekte die kortgeleden nog niet te behandelen was, dat nu wel is.’
Met kanker, en met name met longkanker, schiet het nog niet erg op volgens Levi, die een verklaard voorstander is van een torenhoge accijns op tabak. Met bloedkankers gaat het wel razendsnel, en hepatitis C is ook een goed voorbeeld. ‘Nog maar vijf jaar geleden was dat een drama, je ging een langdurige ziekte tegemoet met een slechte uitkomst. Nu slik je drie maanden een pilletje en het is over. En de sterfte aan hart- en vaatziekten is gehalveerd. Kwam je nog niet zo heel lang geleden in het ziekenhuis met een hartinfarct, dan had je een kans van vijftien procent dat je een maand later niet meer leefde. Nu is die kans kleiner dan een half procent – dat is zó indrukwekkend.’
De werkdag van Marcel Levi zit er nog lang niet op, maar de volgende vergadering, van de board of directors onder leiding van Richard Murley, ‘mijn Londense baas’, is grotendeels besloten. ’s Avonds volgt dan nog een board dinner, waar Levi zich niet direct op verheugt. Het zal niets afdoen aan zijn enthousiasme over zijn nieuwe baan, zegt hij bij het afscheid. ‘Het is een voorrecht om in dit topziekenhuis te werken, juist in deze tijd: de gouden eeuw van de geneeskunde.’
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.