De beroerde toestand waarin de wereld verkeert geeft genoeg stof tot schrijven. Maar de een slaagt daar beter in dan de ander, bewijst het hamerende Wat op het spel staat van doemdenker Philipp Blom.
Apocalyptische droom
De Duitse historicus Philipp Blom denkt dat mensen pas na een geduchte apocalyptische droom tot bezinning komen en toegeven dat de toestand van de wereld erbarmelijk is. De volgende ochtend zouden ze, glazig voor zich uitkijkend, vol schrik begrijpen dat ze dringend moesten gaan handelen en overgaan tot noodzakelijke veranderingen. Dat Blom de toestand in de wereld in apocalyptische termen ziet verklaart de felheid van zijn boek Wat op het spel staat. Hij is een Kassandra die waarschuwt voor de op handen zijnde rampen als er niets gedaan wordt: de digitalisering en automatisering die honderduizenden banen gaat kosten, de verrechtsing die voor een autoritaire politiek gaat zorgen, de opwarming van de aarde die tot zeespiegelstijging leidt, het aanhoudende consumentisme dat de planeet uitput.

Er zullen weinig mensen zijn die niet van deze problemen hebben gehoord. Maar dat is voor Blom precies het probleem: men wil maar niet zien hoe urgent ze zijn. Blom maakt er een vijf voor twaalf-kwestie van. Zijn apocalyptische droom moet ervoor zorgen dat alle horloges op de hele wereld op vijf voor twaalf komen te staan. Dat de meeste mensen, bedrijven en politici het wel weten, maar slechts traag in actie komen, maakt van Blom een alarmist, iemand die luidt iets roept dat al bekend is. Dat geeft zijn boek iets tamboererends, hamerend op een bekend aambeeld. Met de one-liners die dat oplevert kun je in plaatprogramma’s ver komen, maar in een boek keert dat hameren zich tegen je.
Zijn apocalyptische droom moet ervoor zorgen dat alle horloges op de hele wereld om vijf voor twaalf komen te staan.
Blom is een historicus en geen essayist. In andere boeken, zoals over de Encyclopédie van Diderot, de Verlichtingsfilosofen (Het verdorven genootschap) en zijn boek over de jaren vóór de Eerste Wereldoorlog (De duizelingwekkende jaren), wist hij uitstekend om te gaan met de concrete historische feiten. Hoe ondubbelzinnig zijn vijf-voor-twaalf-boodschap in Wat er op het spel staat ook is, Blom weet er toch verwarrend over te schrijven. In de paragraaf ‘Elke democratie sterft op haar eigen manier’ noemt hij de democratie ‘een hersenschim’. Een hersenschim is ‘een onberedeneerde gedachte’ of iets dat alleen in de verbeelding bestaat. Het zou wel heel armoedig zijn als de democratie alleen iets van de verbeelding zou zijn, en niet in de Grondwet zou zijn verankerd. Blom bedoelt dat, als je niet oppast, de democratie door een meerderheid van stemmen om zeep geholpen kan worden, maar dat maakt haar nog niet tot een ‘collectieve fictie’. Zij kan ook weer met een meerderheid van stemmen hersteld worden.
Angst voor verandering
Blom maakt ook veel werk van het ‘consumentisme’. Dat is de basis van het ‘westerse businessmodel’. Daar moet ‘radicale verandering’ in aangebracht worden want de groei van de economie gaat ten koste van de planeet, van de fossiele grondstoffen en zorgt voor de giftige uitstoot. De radicaliteit van de verandering die Blom noodzakelijk vindt is te groot. Hij kan er de consequenties niet van overzien, maar dat houdt hem niet tegen. Blom zegt het niet rechtstreeks, maar hij bedoelt dat er een alternatief voor het huidige, kapitalistische systeem moet komen. Mensen moeten bereid zijn armer te worden. Men moet bereid zijn in te leveren. Dat zal op grote schaal niet vrijwillig gebeuren. Blom schrijft zelf dat het consumeren de godsdienst en de ideologie als zingevende transcendentie heeft vervangen. Dat kun je betwijfelen, maar het geeft wel aan dat consumeren zelfs voor Blom niet zomaar kan verdwijnen zonder een gapende leegte achter te laten. Om het nog verwarrender te maken: volgens Blom heeft het consumeren zijn ‘transformatieve toverkracht’ verloren, de ‘transcendentale kick’ van het kopen wordt niet meer gevoeld.
De mensen in de rijke wereld willen maar één ding: ‘dat het heden nooit eindigt.’
Bij Blom heeft het idee postgevat dat we in een ‘reactionair tijdperk’ zijn beland waarin we van geen toekomst meer willen weten en de status quo willen handhaven: ‘toekomst is verandering, en verandering is verslechtering’. Dat wil zeggen: ‘migratie van miljoenen mensen, ineenstortende sociale systemen, islamisering, milieuverontreiniging, bommen in nachtclubs.’ De mensen in de rijke wereld willen maar één ding: ‘dat het heden nooit eindigt.’ Dit is misschien allemaal het geval, maar is alles nu juist niet tegelijk gericht op de toekomst? Als er íets permanent rondzweeft dan zijn het de jaartallen van de toekomst: er wordt voortdurend vooruit gekeken naar hoe het zal zijn in 2030, 2050 of in het jaar 2100. Niet de status quo beheerst het denken, maar het toverwoorden vernieuwing en ‘innovatie’. Het is waar dat er gigantische problemen zijn, maar er wordt tegelijk permanent vooruit gekeken en gepland. De toekomst is binnen handbereik.

Volgens Blom is er een wijdverbreid gevoel dat ons zegt ‘dat we de controle aan het verliezen zijn.’ Dat is vraag. De digitalisering en automatisering zijn een ramp, schrijft Blom, omdat ze zonder meer banen gaan kosten: ‘Wie een baan heeft, moet vrezen die te verliezen.’ Het is ook slecht omdat algoritmes het menselijke beslissen gaan overnemen. Het lukt Blom niet om de onzekerheid omtrent de prangende vraag of digitalisering, kunstmatige intelligentie en automatisering een zegen of een ramp zijn (of allebei) goed over te brengen. Hij houdt louter vast aan het rampscenario: alles wordt eenvormig, onmondigheid neemt toe, er ontstaat een ‘gedigitaliseerde oligarchie’, de menselijke verhoudingen worden hatelijker door de sociale media (‘de normalisering van de haat’).
Behoud van de twijfel
Wie dat wel lukt is Maxim Februari in zijn roman Klont. Amusant en vernuftig speelt hij de digitale dilemma’s uit met zijn personage Alexei Krups, de over de hele wereld optredende populaire spreker over de laatste ontwikkelingen in de technologie. Krups is een halve zwendelaar die de mensen een vage angst aanpraat voor de ophanden zijnde overname van de wereld door de technologie. Hij wordt lang als een hippe goeroe gevierd en vereerd, maar zijn val komt wanneer hij plagiaat blijkt te hebben gepleegd. Is de klont (een soort cloud) nu een zegen of een ramp? Er doen genoeg tegenstrijdige verhalen de ronde. Is de dataficering, de werkelijkheid teruggebracht tot data, niet héél efficiënt, of is het juist een verarming en reductie van de werkelijkheid?
Wordt onze moraal binnenkort geoutsourced, uitbesteed aan een machine die de twijfel uitbant?
Krups mag ten val komen, via hem weet Februari toch de twijfels, dilemma’s en paradoxen omtrent de dataficering, de algoritmes en de ‘klont’ over te brengen. Worden we in plaats van kennende mensen, mensen die gekend worden door de data die er over ons zijn verzameld? Wordt onze moraal binnenkort geoutsourced, uitbesteed aan een machine die de twijfel uitbant? Wordt de mens een door regels aangestuurde dataverzameling?
Philipp Blom vertelt over de mogelijke gevaren van de technologie en dataficering, maar Februari maakt ze net iets voelbaarder door de twijfel niet weg te redeneren. Krups mag een halve zwendelaar zijn, maar hij heeft wel zijn hoofd erbij waneer hij zegt: ‘Soms komt de gruwelijke gedachte bij me op dat geen mens de mentale capaciteiten bezit om zelfs de juiste vragen te stellen aan de toekomst die op ons toe raast. Laat staan dat iemand het begin van een antwoord heeft.’ Blom voert de apocalyptische stemming over de toestand in de wereld op en heeft in veel opzichten het gelijk aan zijn kant, maar een echt verpletterende indruk maakt het niet.
Wat op het spel staat (€19,99) van Philipp Blom is vertaald door W. Hansen en uitgegeven door De Bezige Bij.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.