‘Een leesautobiografie’ is de biografie van wat iemand heeft gelezen en wat dat voor hem of haar heeft betekend. Het autobiografische karakter zorgt ervoor dat de schrijver over zijn lectuur heeft nagedacht, er over heeft ‘gereflecteerd’ zoals dat zo mooi heet. Hij geeft betekenis aan wat hij denkt en doet dat via de romans die hij gelezen heeft, via de essays waarmee hij dagen in zijn hoofd heeft rondgelopen, met de biografie van een schrijver waarin hij delen van zijn eigen leven terugziet, en de eerste boeken die hij als kind las.

Er zijn weinig boeken waarin op deze directe manier de invloed van lectuur wordt beschreven. Het dichtst in de buurt komt, de titel zegt het al, Cahiers van een lezer van E. du Perron, geschreven in de tweede helft van de jaren twintig en begin van de jaren dertig. Dit is meteen het beste voorbeeld omdat Du Perron het in afleveringen schreef, bijna als een dagboek. Bovendien zorgde zijn polemische inborst ervoor dat hij permanent op scherp stond, bezig deze schrijver van zich af te stoten, zoals Dirk Coster (‘Ik heb bij Coster van het begin tot het einde het gevoel: onwaar, onwáár, onwaar’), en die schrijver voor zichzelf te annexeren, zoals André Gide (‘wellicht de intelligentste, maar zonder twijfel de boeiendste en gevarieerdste figuur onder de levende Fransen’).

Geen echte leesautobiografie

Wanneer Daniël Rovers daarom een ‘leesautobiografie’ publiceert is er alle reden om op te kijken. Maar de verwarring treedt meteen op wanneer het boek Bakvis heet, een titel die wel erg ver afstaat van een volwassen verslag van wat men heeft gelezen. Rovers is redacteur van De Witte Raaf, het Vlaams-Nederlandse tijdschrift met lange en geduchte beschouwingen over kunst en cultuurfilosofie. Gezien dit intellectueel veeleisende werk zou Bakvis als titel enige ironie moeten bevatten. Maar dat is niet het geval.

Het is ook geen echte leesautobiografie, daarvoor reflecteert Rovers te weinig. Hij zet zichzelf te weinig in als spiegel van zijn lectuur. De eerste vier essays gaan over zijn jeugdlectuur van Annie M.G. Schmidt, Anne Frank, Thea Beckman en de roman Bakvis van Aleid Ages-Van Weel. Daarna komen normale beschouwingen over Hugo Claus, Hans Faverey, Frans Kellendonk, Kees Verheul, Walter Benjamin, W.G. Sebald, Penelope Fitzgerald, Danilo Kis, David Foster Wallace, Douglas Coupland, Anton Valens, Niña Weijers, Nanne Tepper, Erik Bindervoet en Virginia Woolf.

Hij wil een bakvis zijn, maar daarvoor maakt hij van de traditionele bakvis iets mooiers dan het is.

Het boek sluit af met een essay over allerlei soorten liefdes bij Toergenjev, Hugo Claus, Roland Barthes, Alain de Botton, Theodor Adorno en Ian McEwan, eindigend met de doodlopende constatering: ‘Liefde is ingewikkelder én waarachtiger dan ze wordt voorgespiegeld in de meeste vertellingen.’ Het lezen van al die liefdesverhalen heeft dus niets uitgehaald: nergens iets van herkenning.

Allerminst bakvisachtige schrijvers

Waarom de titel Bakvis als het gaat over allerminst bakvisachtige schrijvers als Sebald, Benjamin, Coupland of Kellendonk? De verklaring moet zijn dat Rovers een essayist is die pendelt tussen zijn allersimpelste ziel en zijn alleringewikkeldste inborst. Hij wil een bakvis zijn, maar daarvoor maakt hij van de traditionele bakvis iets mooiers dan het is. Hij maakt er geen braaf blond springerig meisje met vlechten van dat zo leuk uit de hoek kan komen, zoals een traditionele bakvis. Bij Rovers is ‘een bakvis wendbaar, optimistisch, inlevend en grappig, hij durft voor zijn gevoelens en gedachten uit te komen, of droomt in ieder geval van de dag waarop hij dat zal doen. Bakvissen zijn de gretigste lezers ter wereld.’

Het is tamelijk ongerijmd om een volwassen lezer een bakvis te noemen, ook al tuigt Rovers hem op met bepaalde eigenschappen. ‘Wendbaar’, ‘inlevend’ en ‘grappig’: dat is niet genoeg om het te redden in de literatuur als je Hermans, Céline, Grunberg, Kafka, Dostojevski of Flaubert wilt lezen. Dan moet je wat eelt op je ziel hebben verzameld en misschien iets minder optimistisch zijn.

Had hij in die tijd ‘een broer kunnen kiezen’, dan was het Douglas Coupland geweest.

Rovers huldigt op goede gronden de stelling dat in literatuur ‘de vorm de inhoud voorbrengt’, wat betekent dat elke schrijver een unieke, onverwisselbare manier heeft om zijn zinnen vorm te geven, zijn woorden te kiezen, zijn metaforen in te zetten, zijn komma’s te plaatsen. En dat de lezer daar oog voor moet hebben. Rovers schrijft wel over Danilo Kis, Hans Faverey, W.G. Sebald en al die andere schrijvers die ik al noemde, maar er wordt maar zelden duidelijk wat hem nu precies in hun werk bevalt.

Het lukt Rovers lang niet altijd hun uniciteit te bevatten. Hij houdt het veelal bij navertellen, beschrijven en parafraseren. Tot een persoonlijke, autobiografische verhouding of confrontatie met een schrijver komt het nauwelijks. Behalve met Nanne Tepper en enigszins met Douglas Coupland, de schrijver van Generation X. Coupland bevalt hem vanwege ‘de ontvankelijkheid en intimiteit die hij wist te bereiken.’ Die boden hem rond 1994 een uitweg ‘uit de toenmalige Nederlandse literatuur, waar het mode geworden was om blasé en cynisch te zijn, en waar liefdeloosheid geloofwaardigheid leek te moeten garanderen.’ Had hij in die tijd ‘een broer kunnen kiezen’, dan was het Coupland geweest.

Daniel Rovers
Bronbeeld: Nationaal Archief, British Library, Sonja Lijnes, Victor Schiferli, Koos Hageraats CC3.0, Jeremy J. Shapiro CC3.0, Michiel Hendryckx CC4.0, Steve Rhodes CC2.0, Chris van Houts CC4.0
Over echte gevoelens hebben

Met de schrijvers die Rovers blasé en cynisch noemt bedoelt Rovers ‘Zwagerman, Grunberg, Giphart, Moens en Landvreugd’, schrijvers die in die tijd tot de Generatie Nix werden gerekend. Die claimden in het tijdschrift Zoetermeer ‘vernieuwing met een mengeling van reviaanse ironie en Brat Pack-nihilisme.’ Ze stonden haaks op de ‘intimiteit’ van Coupland en op Nanne Tepper, schrijver van De eeuwige jachtvelden, ‘die het onbeschroomd over echte gevoelens wilde hebben, die weigerde zijn verhaal te laten uitmonden in een Noordzee van hopeloosheid, die het eigen pathos niet bij voorbaat smoorde in ironie.’ De personages van Tepper durven ‘te verlangen naar geloof, hoop, liefde en gemeenschap.’

Het lukt Rovers lang niet altijd de uniciteit van de schrijvers te bevatten. Hij houdt het veelal bij navertellen, beschrijven en parafraseren.

Hier hebben we duidelijk een autobiografische ontboezeming die reliëf geeft aan Rovers als essayist. Deze sympathie voor Teppers ‘echte gevoelens’ verklaart ook waarom de schrijver van Infinite Jest, David Foster Wallace, een aantal keren voorbij komt. Wallace is ook niet bepaald een cynicus, hij behoort tot de stroming van de New Sincerity. Met zijn vermaarde lezing Dit is water voor studenten van Kenyon College brak Wallace met het nihilisme door voor mededogen te pleiten. Niet alleen met de caissière van de supermarkt, maar ook met de mensen die na een lange werkdag in de lange rij voor haar kassa staan. En voor mededogen met zichzelf, als onderdeel van die rij.

In Rovers vorige boek uit 2012, De figuur in het tapijt, ging hij ‘op zoek’ naar zes schrijvers: Frans Kellendonk, Marie Kessels, Tonnus Oosterhoff, Willem Jan Otten, M. Februari en Marc Kregting. De beschrijving van hun werk ging toen gepaard met de nodige literatuurtheoretische poespas, aan het slot van het boek uitmondend in de bekentenis dat hij voor al die theorie eigenlijk ‘niet in de wieg’ was gelegd.

De titel van het boek was ontleend aan een verhaal van Henry James, The Figure in the Carpet, over een criticus die hoopt het patroon in het werk van een schrijver te achterhalen. Dat zou Rovers ook hebben moeten doen bij zijn schrijvers, maar dat gebeurt niet omdat hij ‘figuur’ anders uitlegt dan zou moeten. Hij verstaat er onder dat de figuur van de schrijver zich vooral stilistisch laat kennen, terwijl het er volgens mij bij James om gaat dat de criticus het patroon in het oeuvre van de schrijver ontdekt. Dat patroon bestaat uit het wereldbeeld, de thema’s, motieven, obsessies, mythen, ideeën, de metaforen, de verbeelding, de dwangmatige herhalingen, de mentaliteit, de psychologie, kortom samen heel de inhoudelijke/stilistische poëtica van een schrijver.

Wanneer Rovers voor de essays in Bakvis meer en gerichter gebruik had gemaakt van het zoeken naar dit patroon, die inhoudelijke en stilistische poëtica, dan zouden de essays aanzienlijk rijker en boeiender zijn geweest.

Bakvis. Een leesautobiografie door Daniël Rovers is uitgegeven door De Wereldbibliotheek.