Overzichten en geschiedenissen van de jaren zeventig van de vorige eeuw zijn er wel, maar persoonlijke memoires minder. Chris van Esterik voorziet hierin ten dele in zijn boek over die jaren gezien door de ogen van de politicologen.

Het is gevaarlijk je als vriendengroep te spiegelen aan Nescio’s Titaantjes en dus van jezelf te zeggen: ‘Jongens waren we – maar aardige jongens. Al zeg ik ‘t zelf.’ De Titaantjes staan voor verloren illusies, voor ‘stakkerig wijs’ geworden zijn en jezelf als held te hebben opgegeven. Dat klinkt, aangelengd met een biertje, misschien sympathiek, maar het is beter zo’n directe vereenzelviging te ontwijken en de Titaantjes de Titaantjes te laten. Het gevaar dat je bij ‘gelatenheid’ uitkomt is te groot. Chris van Esterik neemt het risico in Jongens waren we, zijn memoires als journalist en eertijds politicoloog in het licht van de ‘totalitaire verleiding’ in de jaren zeventig. Die verleiding, je aansluiten bij het om je heen vigerende marxistisch-leninistische gedachtengoed, wist Van Esterik te weerstaan.

Het boeiende aan Jongens waren we is hoe Van Esterik, als zoon van een cafébaas in het Betuwse dorp Ingen, zich in Amsterdam beweegt, in een steeds hedonistischer en ideologisch radicaler wordende omgeving. Hij voelt zich tijdens de studie politicologie wel verleid door al dat nieuwe (marxisme, protestmanifestaties, krakers, feminisme, burgerlijke ongehoorzaamheid, Frankfurter Schule, CPN, drugs, geweld als politiek middel), maar verder dan zijn grote teen gaan hij en zijn drie vrienden er niet in. Zijn marxisme houdt op hij zeggen dat we in een klassenmaatschappij leven en dat alles om de economie draait. Vandaar dat Van Esterik van iedereen de doopceel licht en tot vervelens toe vertelt uit wat voor milieu ze komen. Dat is in tegenspraak met zijn grote bewondering voor de ‘onafhankelijkheid en mentale soevereiniteit’ van de politicoloog Siep Stuurman, voor wie afkomst kennelijk geen punt meer is.

Van Esterik werd een heimatloser Linke die zag hoe studenten van goede huize de vrijheid niet aankonden en zich aansloten bij de communisten.

Jammer is dat Van Esterik er niet echt memoires van heeft gemaakt. Hij wil ook de historicus van het decennium zijn, terwijl daar genoeg andere boeken voor zijn. Wanneer hij vanuit zijn eigen perspectief schrijft, en niet vanuit de archieven, wordt het een kleine intellectuele geschiedenis. Dan krijgt Van Esteriks geest reliëf, bijvoorbeeld omdat hij al als puber Pressers Ondergang las, het boek over de vernietiging van de joden. Daarna ontpopte hij zich tot ‘hardcore revist’ en werd hij liefhebber van Koestler, Elsschot, Dostojewski, Orwell, Solzjenitsyn en Canetti. Dit zijn allemaal anti-ideologische schrijvers. Van Esterik werd een heimatloser Linke die zag hoe studenten van goede huize (‘elitekinderen’) de vrijheid niet aankonden en zich aansloten bij de communisten van de CPN omdat daar alles streng vastlag: denkvrijheid nul.

Wanneer Van Esterik door zijn eigen ogen kijkt kijk je graag met hem mee. Over zijn verbijstering bij het lezen van Sartre’s inleiding bij De verworpenen der aarde van Frantz Fanon. Daarin kreeg het Westen de schuld van al het leed in de wereld. Sartre deed er nog een schepje bovenop: ‘Het is nodig alle structuren op te blazen en niets minder. (…) Het menselijke van de strijder zit in zijn wapen. Want in de eerste periode van de opstand moet er gedood worden: met het uit de weg ruimen van een Europeaan sla je twee vliegen in een klap, je rekent af met een onderdrukker en met een onderdrukte: blijven over een dode en een vrije mens.’

Of zijn verbazing bij het lezen van de inzichten van de radicale theoloog Bert ter Schegget. Die vond dat het geweld door de Palestijnen van de PLO werd gepleegd ‘met een beroep op een betere, menselijker toekomst; het revolutionaire geweld vindt zijn rechtvaardiging in zijn doel, namelijk te komen tot een wereld zonder geweld.’ Geweld als politiek doel had in de jaren zeventig een zekere uitstraling. De criminoloog Willem Nagel ontlokte dat de uitspraak: ‘Ik ben helemaal niet zo tegen terroristen.’

Lucas van der Land (midden) tijdens een congres over sociaal-democratie in 1981 | Foto: Wikimedia

Van Esterik zelf nam de geest van het café (‘de genade van mijn geboorteplek’) mee: daar was sprake ‘van immer botsende visies.’ Hij was voorstander van het ‘polarisatiemodel’, wat inhield dat er permanent gedebatteerd moest worden. Hij beleefde ook groot genoegen aan het lezen van stukken of columns waar hij het helemaal niet mee eens was. Het ‘narcisme’ en de ‘geborneerdheid’ in de columns van Annemarie Grewel in De Groene Amsterdammer vond hij ‘geestig’. Het half-religieuze gezever van Emmy van Overeem in NRC Handelsblad had in hem ‘een toegewijd lezer’ omdat het zo idioot was. De toon van buitenlandcommentator Karel Roskam op de radio ‘duldde geen tegenspraak’, vandaar dat Van Esterik er zich op verheugde die weer te horen.

Van Esterik bewonderde Lucas van der Land omdat hij politicologie zag als de studie van conflicterende ideeën en theorieën, niet als een bolwerk waarin een ideologie werd gepredikt, zoals indertijd door de CPN-ers als Meindert Fennema of Kees van der Pijl (die zich een ‘vervreemd, overgetheoretiseerd mannetje’ noemt). Die waren dan wel ‘anti-fascistisch’, maar niet anti-totalitair. Ze leefden in de ‘papieren werkelijkheid’. Van Esterik gaf de voorkeur aan de harde werkelijkheid van de tap, met lachende gelatenheid zou je kunnen zeggen.

Jongens waren we. Totalitaire verleiding in de jaren zeventig door Chris van Esterik is uitgegeven door Balans.