Een van de vrienden die de dichter Chris J. van Geel (1917-1974) stimuleerde om zijn ‘heldere wartaal’ te blijven schrijven was Judith Herzberg, zo blijkt uit hun brieven.
‘Kunstwerken’, schreef Rainer Maria Rilke in 1903 aan de jonge dichter Franz Xaver Kampus, ‘zijn van een eindeloze eenzaamheid, voor niets zo weinig toegankelijk dan als voor kritiek. Alleen liefde kan ze begrijpen en vasthouden en rechtvaardig tegen ze zijn.’ Het is heel begrijpelijk dat zo tegen kunstwerken en zeker poëzie wordt aangekeken, maar er zijn kunstenaars die er heel anders over denken. Zoals de dichter Chris van Geel. Hij had een hele schare vrienden, door hem ‘betuttelaars’ genoemd, die vrijmoedig kritiek en commentaar op zijn gedichten mochten geven. ‘Als je jezelf wantrouwt – en wie doet dat niet – moet de critiek van anderen je talent aanvullen’, schreef hij in 1962 aan Judith Herzberg. De geschiedenis ‘is vol van beste dichters dankzij raadgevers.’
Er zouden verschillende boeken gevuld kunnen worden met de betuttelende brieven van Van Geels vrienden Jan Emmens, Dick Hillenius, Jan Pieter Guépin, Enno Endt en Tom van Deel. Judith Herzberg was niet zo’n raadgever, zo blijkt uit de brieven die ze elkaar vanaf 1962 tot Van Geels dood in 1974 schreven. Ze was meer een vriendin en collega, maar vooral een verwante geest als het gaat om wat je de substantiële lichtheid van hun poëzie zou kunnnen noemen: het zijn waarnemingen van eenvoudige concrete dingen of gebeurtenissen waaraan iets af te lezen is over het bestaan.
Van Geel schreef poëzie die moeilijk in een stroming te plaatsen is en het dus moet doen met het cliché ‘volstrekt eigen’. Zijn poëzie komt nog het meeste in de buurt van natuurlyriek omdat het zo vaak over vogels, bomen, gras, wind, padden en lucht gaat. Ook al zou dat misschien genoeg zijn, bij Van Geel gaat het om iets meer. Hij heeft vaak het verwijt gekregen dat er geen mensen in zijn gedichten voorkomen terwijl, zo blijkt uit de brieven aan Judith Herzberg, het in zijn brieven daar voortdurend over gaat. Maar die mensen komen wel degelijk in zijn gedichten voor, alleen op een andere manier dan men verwacht. In Chr. J. van Geel, Een bundel over zijn poëzie, de uitgebreide herdruk van het vermaarde nummer van het tijdschrift Raam over Van Geel, staat een mooi essay van Wies Roosenschoon waarin ze Van Geels bomen, vogels, wind, boomwortels, water en insecten ziet als onopzettelijke metaforen voor menselijke ervaringen en gewaarwordingen. Impliciet-menselijke natuurlyriek noemt ze het. Zoals in dit gedicht:
De oorzaak van verdriet is niet:
geen grote boom te zijn, noch op
een slechte plek te staan, maar waar
ook, op aantrekkelijke plaatsen
of in de drukke schaarste, niet
te kunnen voelen het verborgen
minste drinken van je wortelkroon.

Dit is het soort gedicht waarvan Judith Herzberg zou zeggen dat ze ‘nabroeien in het geheugen’. Haar brieven aan Van Geel onderhouden een vriendschap die standhoudt omdat Herzberg steeds benieuwd is wat er uit een geest als die van Van Geel komt. Ze beschouwt hem als een grillig, niet per se alleen maar aardig, wezen waarin allerlei onvoorspelbaar moois zit. Voor haar is het iemand die op een onmaatschappelijke manier zijn eigen gang gaat, op een paradoxale manier geïsoleerd leeft in een tuinhuis, maar met solide vrienden in de buurt en op afstand. Wanneer hij haar een tijdje niet heeft geschreven vraagt ze hem of hij eigenlijk wel bestaat: ‘Ik zou je wel verzonnen willen hebben, als je er dan tenminste ook echt wàs.’
Dat ‘verzonnen willen hebben’ geeft aan dat Van Geel iets exotisch had. Van Geel kon heel onduidelijke brieven schrijven, zodat Herzberg hem moest gaan vragen wat hij bedoelde. Er zijn meer brieven van Van Geel dan van Herzberg omdat er brieven van haar verloren zijn gegaan bij de brand in Van Geels huis in Groet in 1972. Er zijn brieven bewaard die voor de helft verbrand zijn, met name uit de tijd dat er van wrijving sprake is omdat Van Geel tijdens een bezoek aan Herzberg en haar man Huyck van Leeuwen wat al te vrijpostig en hooghartig was opgetreden. Maar, schrijft ze uiteindelijk, ‘Ik blijf je lekker toch aardig vinden.’
Van Geels brieven zijn soms moeilijk te begrijpen omdat ze nooit geschreven zijn om ooit gepubliceerd te worden. Het zijn brieven voor de goede verstaander en in zekere zin ook voor ‘familie’ als we de vrienden (als Hans Gomperts, Renate Rubinstein, Aad Nuis, M. Vasalis) erbij rekenen die zich op de achtergrond bevinden. Die hebben min of meer dezelfde smaak, zijn erfgenamen van Ter Braak en Du Perron, verkeren in de kring van eerst Libertinage en later Tirade, publiceren bij Van Oorschot en zijn als kunstenaars en intellectuelen kritisch en eigenzinnig.
Van de wrijving die ontstaat tussen Van Geel en Van Oorschot doet hij Judith Herzberg uitvoerig verslag. Zij is daarbij vooral een luisterend oor. Het gaat over het publiceren van zijn tweede bundel gedichten Uit de hoge boom geschreven. Van Oorschot heeft het er maar moeilijk mee omdat Van Geel alles zo tot de essentie wil terugbrengen dat hij het leven er uit weghakt en Van Oorschot zich ‘voor een skelet van een vers geplaatst zie.’ Hij geeft de bundel wel uit, maar Van Geel heeft de pest in omdat hij op de achtergrond nog Van Oorschots vrouw Hilly hoort zeggen: ‘ik mis de mens zo in de gedichten.’ Van Geel wil op die manier niet menselijk zijn. Hij vindt dat Van Oorschot de mens ‘gráág’ moet missen in zijn gedichten omdat die er op een andere manier wel degelijk in te vinden is. Via de omweg van de natuur, in de natuur en in de metaforen, zoals in ‘Zwanen bij nacht’:
Zij kunnen het niet laten licht te geven,
Hun drijven is aanwezig in de nacht
Als liggen er twee lampen in het water
Gelijk van sterkte, van gelijke kracht.
Van Geel schrijft aan Herzberg dat hij tot ‘de lange traditie’ behoort van ‘de heldere wartaal’, ‘de integere kronkels’ of, zoals Jan Emmens over zijn poëzie zegt: van de klassieke duisterheid, wat hem verwant maakt aan J.H. Leopold. In vergelijking met Van Geel is Judith Herzberg veel argelozer. Van Geel wil dat de lezer van zijn gedichten zich realiseert dat er, zoals hij het ergens eens formuleerde, veel paard gereden is voor de auto ontstond. Dat wil zeggen: er is veel ervaring gaan zitten in wat er uiteindelijk op papier komt. Vandaar dat Van Geel ook zo anders over critici kon denken dan Rilke. Hij was niet zo kwetsbaar.
Brieven 1962-1974 door Judith Herzberg en Chr. J. van Geel is verzorgd door Marsha Keja en uitgegeven in de Parelduikerreeks van Uitgeverij Bas Lubberhuizen.
ISBN 9789059375055.
208 pagina’s: € 22,99.
Meer van Carel Peeters? Lees hier de Literaire Kroniek over de onhoudbare neutraliteit van Erasmus.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.