Iedereen die zich in het werk van Spinoza (1632-1675) begeeft wordt uitgedaagd over zo ongeveer alle filosofische hete hangijzers na te denken. Nu was het de beurt aan de socioloog Kees Schuyt.
Erg complimenteus is Spinoza niet, als hij het over de mens en zijn eigenschappen heeft. Wij mensen zijn ‘slechts als golven van de zee, door tegengestelde winden voortgezweept, ronddobberend en onwetend over de afloop en ons noodlot.’ Die tegengestelde winden worden veroorzaakt door de emoties, waar we een ‘slaaf’ van zijn en die we maar moeilijk in bedwang kunnen houden omdat het ons maar niet lukt om er de adequate kennis van te krijgen.
Wanneer Spinoza het over de mens in het algemeen heeft is zijn toon er niet een waar je gretig je oor bij legt. Omdat de mensen ‘jammerlijk heen en weer geslingerd worden tussen hoop en vrees’ zijn ze sterk geneigd om aan alles maar geloof te hechten. Wanneer ze even niet tussen die hoop en vrees aan het slingeren zijn lopen ze al gauw weer ‘pochend en opgeblazen’ over van ‘overmoed’. In de Ethica schrijft hij met enige pedanterie regelmatig dat zoiets natuurlijk duidelijk is voor iemand die zijn verstand gebruikt (‘zoals iedereen kan zien die een beetje nadenkt.’)
Omdat de mensen ‘jammerlijk heen en weer geslingerd worden tussen hoop en vrees’ zijn ze sterk geneigd om aan alles maar geloof te hechten.
Deze pessimistische kijk op mens heeft niet verhinderd dat Spinoza tot de meest bestudeerde filosofen is gaan behoren, sinds hij in de negentiende eeuw uit de vergetelheid werd gehaald. De laatste vijftig jaar kun je zelfs van een vloedgolf Spinoza-studies spreken. Te beginnen bij de centrale rol die Jonathan Israel hem geeft in zijn driedelige geschiedenis van de Verlichting, gevolgd door de boeken van (om me tot Nederland te beperken), Wim Klever, Henri Krop, Wiep van Bunge, Herman De Dijn, Tinneke Beeckman, Miriam van Reijen en Maarten van Buuren. Er moet van enige onverschrokkenheid sprake zijn dat de socioloog Kees Schuyt hier met Spinoza en de vreugde van het inzicht een boek aan heeft willen toevoegen. Hij behandelt het werk van Spinoza daarin nagenoeg compleet en chronologisch. Hoewel hij Spinoza’s politieke geschriften evenveel aandacht geeft als de Ethica beschouwt Schuyt zijn politieke denkbeelden als ‘door de tijd ingehaald.’ Dat verklaart waarom Jonathan Israel, die Spinoza juist als radicale verlichter en voorloper van de democratie naar voren schuift, geen rol speelt in Schuyts boek. Hier moeten wel twee visies tegenover elkaar staan, al zullen zij niet verschillen als het gaat om de waardering voor hoofdstuk 20 van zijn Theologisch-Politiek traktaat, het hoofdstuk waarin staat dat het doel van de politiek ‘in werkelijkheid de vrijheid’ is. En waarin staat dat een regering ‘noodzakelijkerwijs de vrijheid om te oordelen moet toestaan en de mensen zo moet regeren dat, hoe verschillende en tegengestelde meningen zij ook openlijk koesteren, zij toch eendrachtig samen leven.’

Schuyts chronologische behandeling betekent dat Spinoza’s werk op een andere manier tevoorschijn komt dan gebruikelijk. Men laat de chronologie meestal rusten. Omdat alles uiteindelijk uitloopt op de postuum in 1677 gepubliceerde Ethica, wordt al het werk van daarvoor min of meer als voorwerk beschouwd. Dat is het misschien ook wel, maar Schuyt vindt de Ethica zo’n ‘meesterlijk en monsterlijk moeilijk’ boek dat hij blij is dat Spinoza’s Verhandeling over de verbetering van het verstand van 1662 een goede ingang is om vertrouwd te raken met zijn denkwereld. De chronologie zorgt er ook voor dat we eerst kennismaken met degene die een bodem heeft gelegd voor Spinoza’s systematische manier van denken: René Descartes. Het samenvattende werk dat hij onder zijn eigen naam over hem schreef in 1663 maakte hem, ook al ging het niet over zijn eigen denkbeelden, in Europa bekend.
Ook al nam hij veel van hem over, Spinoza zette zich vooral tegen Descartes af, zoals tegen het leerstuk van de scheiding van lichaam en geest. Schuyt beschouwt het werk van Spinoza als een berg graniet in het wijsgerige landschap. Dat hij zich er desondanks jaren in heeft verdiept wil zeggen dat er iets in moet zitten dat vruchtbaar voor hem is gebleken. Spinoza heeft hem vooral laten nadenken. Het verwerven van inzicht duurt even, maar vasthoudendheid en geduld worden volgens Spinoza beloond met ‘vreugde’. Inzicht, verworven met de rede, maakt vrij. Wat Schuyt aanspreekt in Spinoza is zijn realisme als hij het over de mens heeft, en zijn rationalisme, dat toch alle ruimte laat voor emoties. Ook Spinoza’s wetenschappelijke houding bevalt hem. Daarmee staat hij volgens Schuyt ‘haaks’ op ‘de hedendaagse subjectiverende visies.’ Het bevalt hem ook dat bij Spinoza eigenbelang en solidariteit samengaan, net als denken en emoties. Niet onbelangrijk is dat Spinoza een theorie had over het samengaan individu en samenleving, van deel en geheel. Schuyt vond daar een mooie formule voor: hij noemt het een pars in toto (een deel in het geheel) in plaats van een pars pro toto (een deel van het geheel). In het pars in toto gaat het deel niet op in het geheel, maar blijft ook een afzonderlijk individu. Bij Spinoza kon persoonlijke vrijheid samengaan met politieke vrijheid.
Het komt er steeds op neer dat voor Spinoza en Schuyt schijnbare tegenstrijdigheden samen kunnen gaan, zoals solidariteit en eigenbelang, individualisme en gemeenschapszin. Uiteindelijk komt Schuyt bij Spinoza uit op iets dat veel wegheeft van een paradox: op democratisch individualisme. Zo achterhaald is Spinoza hier dus niet.
Uiteindelijk komt Schuyt bij Spinoza uit op iets dat veel wegheeft van een paradox: op democratisch individualisme. Zo achterhaald is Spinoza hier dus niet.
Er is ook het nodige waar Schuyt het niet mee eens is. Spinoza was nog niet zo ver dat hij zich een democratische rechtsstaat kon voorstellen, een die gescheiden van de macht zou staan. Hij was in dat opzicht nog een absolutist in de geest van de tijd, verwant aan Thomas Hobbes. Spinoza legt volgens Schuyt zoveel nadruk op het goed gebruik van de rede dat ervaring en verbeelding door hem niet serieus worden genomen en als verward denken wordt beschouwd. Ervaring en verbeelding kunnen juist uiterst creatief zijn. Schuyt moet het, net als menige andere interpretator van Spinoza, hebben over het determinisme en de vrije wil bij Spinoza. Spinoza ging zo formalistisch te werk (alles heeft altijd een oorzaak) dat de dagelijkse wil bij hem er bijna niet meer aan te pas kwam. Op dezelfde filosofisch-formele gronden relativeerde hij het verschil tussen goed en kwaad, zodat niemand nog ergens schuldig aan kon zijn.

Een van de andere tegenspraken waar Schuyt bij Spinoza op stuit is het gebruik van de rede als de manier om evenwicht in de samenleving te brengen. De emoties moeten door de rede getemperd worden. Maar op een andere plaats zegt hij dat het óók in de aard van de mens ligt om zijn emoties en lusten te volgen. Maar toch heet hoofdstuk IV van de Ethica dan weer: ‘De onderworpenheid van de mens, of de kracht van de gevoelens’. Daarin traceert en definieert hij als een grote kenner achtenveertig van die gevoelens, van begeerte tot droefheid, van haat tot wanhoop – allemaal gevoelens waar we aan onderworpen zouden zijn. Terwijl je zou denken dat ze psychologisch van het grootste belang zijn, hoe lastig ook om mee om te gaan. Spinoza lijkt soms te suggereren dat we die gevoelens wel met de rede kunnen neutraliseren.
Schuyt beschouwt het als een ‘zwarte bladzijde’ in Spinoza’s Politiek Traktaat dat hij vrouwen geen plaats heeft gegeven in zijn democratische bestel. Zij zouden de mindere van de man zijn in fysieke kracht, in geestkracht en in slimheid. Dat zou tot de ‘essentie’ en de natuur van vrouwen behoren.
Schuyt geeft in Spinoza en de vreugde van het inzicht een persoonlijke samenvatting van Spinoza’s inzichten, en wil tegelijk uit laten komen wat nog relevant aan die inzichten is. Dat komt door die uiteenzetting en de weerbarstigheid van de materie enigszins in gedrang en beperkt zich daardoor tot het laatste hoofdstuk. Maar dat doet er niets aan af dat Schuyts ‘tocht’ door het werk van Spinoza, zoals hij het zelf noemt, een klassieke en geslaagde poging is persoonlijke greep te krijgen op een nog steeds invloedrijk denker, met alle vreugde die dat voor hemzelf en zijn lezers overlevert.
Spinoza en de vreugde van het inzicht, door Kees Schuyt is uitgegeven door Balans.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.