Dertig jaar geleden kreeg oud-NRC Handelsblad redacteur Paul Hellman een hutkoffer die jarenlang op de zolder van een antiquair had gestaan. Daar zat de geschiedenis van zijn familie in. Het duurde lang voor hij er in durfde te kijken.

Aan de geschiedenis van het verdringen van de Tweede Wereldoorlog leverde Paul Hellmann in 2009 een interessante bijdrage met zijn boek Mijn grote verwachtingen. Het had vijftig jaar geduurd voor hij, geboren in 1935, zich serieus ging verdiepen in de oorlog en de dood van zijn vader in Sobibor en zijn grootmoeder in Auschwitz. In dat boek verwerkte hij voor het eerst wat hij had aangetroffen in de hutkoffer die hem in 1980 ten deel was gevallen toen de zolder van een Haagse antiquair werd ontruimd. In de vorm van brieven, foto’s, contracten, getuigschriften, schuldbekentenissen en bankpapieren zat daar de geschiedenis van zijn familie in. Het is geen wet dat de geschiedenis zich niet laat verdringen (dat kan heel gezond zijn), maar in het geval van Hellmann drong zij zich op toen hij eenmaal het deksel had opengeklapt. Er moest hem nog veel duidelijk worden.

In die koffer bevindt zich een onmiskenbaar droevige geschiedenis. In de over het algemeen heel droefgeestige brieven die Hellmanns in 1939 uit Wenen naar Nederland gevluchte grootmoeder schreef, zegt ze dat ze zich ‘in de storm van het leven een verschrompeld blad’ voelt. Maar soms waren er ‘zeldzaam mooie dagen’, zoals wanneer haar kleinzoon haar ‘ontstuimig’ omhelsde en ‘dag lieveling, dag schat’ tegen haar zei. ‘Kon je het maar zien’, schreef ze aan haar dochter in Londen, ‘wij tweeën vormen een wonderlijk liefdespaar.’

Hellmann heeft zestig jaar vooruit geleefd, maar altijd geweten dat er nog niet afgemaakte geschiedenissen sluimerden.

Met wat hij van en over haar in de hutkoffer aantrof heeft Hellmann nu, precies en onderkoeld, Irene, mijn grootmoeder geschreven. Net als Mijn grote verwachtingen is dit een recapitulatie en een hersteloperatie: Hellmann heeft zestig jaar vooruit geleefd, maar altijd geweten dat er nog niet afgemaakte geschiedenissen sluimerden. Het beeld dat hij van zijn grootmoeder had was niet scherp, hij kon haar niet goed voor de geest halen. Wanneer hij in haar brieven leest hoeveel hij voor haar betekende, heeft hij daar geen concrete herinneringen aan, tot zijn ergernis en spijt. Hellmann is in dit boek verder zijn eigen geschiedenis aan het inpolderen, aan het invullen. Hij geeft zichzelf een geschiedenis. Hij noemt zich een ‘ervaren opportunist’, dat wil zeggen dat hij zich vanaf 1941 als onderduiker steeds moest aanpassen aan een nieuwe omgeving. Met dat ‘opportunisme’ leefde hij vooruit en dacht hij aan wat hij op dat moment nodig had.

De geschiedenis van zijn grootmoeder doet meteen denken aan Edmund de Waals De haas met de amberkleurige ogen, over de ondergang van de joodse familie Ephrussi in Wenen. Irene Hellmann en haar man Paul woonden een paar minuten lopen van de Ephrussi’s in de Ringstrasse en ondergingen na de Anschluss in maart 1938 hetzelfde lot: intimidatie, willekeurige arrestatie en beledigingen door de nazi’s. Irene heeft het hier in haar brieven opvallend genoeg niet over. ‘Er heerste een cultuur van stilte’, zei een nichtje. Het was te beschamend en te pijnlijk om over te hebben. Maar in algemener zin hield ze zich niet in: ‘De duivel heerst over de wereld en is nergens bang voor.’

Paul Hellmann als kind, foto uit het besproken boek

De aansluiting van Oostenrijk bij Duitsland betekende dat de joden van alle rangen en standen het leven onmogelijk werd gemaakt. Irene kwam uit een welgestelde joodse familie die jarenlang het kunstleven bevorderde, aan de wieg stond van de Salzburger Festspiele, bevriend was met Hugo von Hofmannsthal, Richard Strauss en Arthur Schnitzler. Ze hadden een buitenhuis in Altaussee bij Salzburg. Het was elke week feest. Irene deed ‘oneindig veel goeds en vriendelijks, van de ware weldaad tot de fijngevoeligste attentie’, schreef Hofmannsthal. ‘Dat blijft als een werkelijkheid bestaan, het zijn daden van het hart die verwant zijn aan geestelijke daden, aan kunstwerken, en daarom onvergankelijk zijn, of ze nog worden waargenomen of niet.’ Toen Hofmannsthal vijftig jaar werd kreeg hij niet één cadeau van haar, maar een hele reeks (‘een bontjas, een koffer, een huisjasje’ en ‘godweetwat’). Na de Eerste Wereldoorlog ging het geleidelijk bergafwaarts met het bedrijf van haar man, met als sluitstuk na de dood van haar man de vlucht van Irene naar haar zoon Bernhard in Nederland, zonder noemenswaardige middelen van bestaan. Ook haar zoon zat aan de grond. Ze verhuist in Nederland van de ene koude kamer naar de andere. Ze voelt zich ‘een varende gezel’ en ‘een verwaaid blad’.

In een van haar brieven vraagt Irene zich af of ‘alles dan voor niets is geweest?’. Het antwoord was in die tijd ja. Maar hoe treurig het ook allemaal was (ze citeert Rilke: ‘Und der Mut ist so müde geworden und die Sehnsucht so gross’), Hellmanns in weelde opgegroeide grootmoeder leerde zichzelf uit alles moed te putten, zoals uit de omhelzing van haar kleinzoon.