Wat hield het eigenlijk in dat rond het jaar 1500 een nieuw intellectueel tijdperk begon? Veel veronderstellingen die men als vanzelfsprekend beschouwde, werden – niet zonder slag of stoot – losgelaten. Een paradigmawisseling deed zijn intrede. Klassieke, ‘heidense’ schrijvers werden van het stof ontdaan. De heidense oden van Horatius verdrongen vrome psalmen.

Op de Latijnse school waar Erasmus in Deventer als kind naar toe ging werd ineens ook Grieks gegeven. Een revolutie. Dat was niet het middeleeuwse Latijn, de taal van het katholicisme of Christendom. Er was meer dan Augustinus of Thomas van Aquino, er was ook Plato, Aristoteles, Ovidius, Lucianus, Terentius. Door het lezen van deze schrijvers ontstond het ondogmatische ‘nieuwe leren’, wat later het ‘humanisme’ werd genoemd.

Op zijn reis naar Engeland met zijn leerling William Blount Lord Mountjoy had Erasmus rond 1500 het manuscript in zijn bagage van Tegen de barbaren, de oorlogsverklaring aan al degenen die na zijn tijd op de Latijnse School ‘verantwoordelijk waren voor de intellectuele achterlijkheid van het onderwijs in de tijd van zijn jeugd’, zoals Sandra Langereis schrijft. Die hielden hun leerlingen opzettelijk dom. Ze hoefden alleen maar alles te weten over vroomheid. Dociele monniken kweekten dociele monniken.

Sandra Langereis schetst een huiveringwekkend beeld van de kloosterscholen in Den Bosch en Gouda die Erasmus moest bezoeken. Belangstelling voor de ‘letteren’ werd door die barbaren ‘subversief’ verklaard, terwijl Erasmus juist ‘door een mysterieuze natuurkracht’ naar de letteren werd gedreven.

ritueel flemer

Het nieuwe leren had nogal wat consequenties bij iemand als Erasmus. Langereis noemt hem een dwarsdenker, een niet zo voor de hand liggende typering, maar wel een die veel dichter bij de werkelijkheid staat dan de zachtmoedige verzoener die Johan Huizinga van hem maakte.

Het is de vermenging van verbeelding, moraal en stijl waar Erasmus aan vasthield die hem nog steeds zo leesbaar maakt.

Erasmus wilde wel graag verzoenen, maar de werkelijkheid was zo weerbarstig dat er geen denken aan was dat hij de pen in de melk van de menselijke aardigheid kon dopen, hoe goed hij in zijn brieven (die worden uitgegeven in twintig delen) ook was als strategisch vleier en ritueel flemer. Er moest voortdurend tegengesproken, weerlegd, gepolemiseerd en weersproken worden om de ruimte van het denken te openen en open te houden. Het is alsof Erasmus zelfs nog onderweg naar Parijs, Brussel of Bazel op zijn paard zijn dwarse brieven dicteerde.

middeleeuwse bekrompenheid

Het ‘humanisme’ dat de paradigmawisseling rond 1500 ging bepalen, betekende dat de wereld niet meer alleen door het goddelijke werd bestierd, maar minstens zoveel door het menselijke. Menig door de middeleeuwse bekrompenheid verschrompelde menselijke kwaliteit werd in ere hersteld, zoals de kritische zin. De humanisten leerden ‘ieder vertrouwd woord in twijfel te trekken. Niets was zo versleten dat het hun dwarsdenken ontliep’, schrijft Langereis.

Er werd met het nodige gebroken, tot ergernis van de vrome clerus, vooral aan de universiteiten van Leuven, Parijs en Keulen. In de voetsporen van Lorenzo Valla werd gebroken met het middeleeuwse Latijn en overgegaan op Valla’s nieuwe handboek Welluidend Latijn.

Erasmus verschijnt in Langereis’ biografie als een van zichzelf overtuigde man die een ‘natuurkracht’ volgt waarmee hij alles verslindt wat hij in boekvorm interessant vindt, speciaal als het gaat om ‘de letteren’. ‘De lettteren’ omvat bij Erasmus een complete wereld waarin het gaat om stijl, woordkunst, vormkracht, moraal, geloof, kennis, overtuiging, humor, verbeelding: alles wat te vinden is in Erasmus’ Lof der zotheid, Tegen de barbaren, de Gesprekken, de Adagia en al die traktaten, toespraken, inleidingen en commentaren.

Het is die vermenging van verbeelding, moraal en stijl waar Erasmus aan vasthield die hem nog steeds zo leesbaar maakt. Hij was duidelijk beïnvloed door geestrijke satirici als Horatius, Ovidius en Lucianus.

geleerde bedelaar

Langereis’ biografie geeft een uitputtend beeld van zijn leven als denker en literator, maar ook als geleerde bedelaar, als iemand die voortdurend afhankelijk was van wat hem aan goudstukken werd toegestopt. Menigeen vond het een eer om met hem te verkeren of met hem te corresponderen, maar hun belofte nakomen dat ze hem een duurzaam jaargeld zouden geven: ho maar.

Vrouw Armoe, schreef hij zelf, was niet van hem weg te slaan, hoe lelijk hij ook tegen dat mens deed. Er waren desondanks genoeg vrienden die hem in leven wisten te houden. Daardoor kon hij een ‘wereldprimeur’ als het Nieuwe Testament uitgeven, vertaald uit het Grieks, dus zo dicht mogelijk bij de oertekst. Dat was een gebeurtenis. Op basis van deze grondtekst ontstonden later de Lutherbijbel, de Statenbijbel en de King James bijbel.

Het uitgeven en becommentariëren van het Nieuwe Testament en andere heilige teksten op basis van de Griekse brontekst is cultuurhistorisch geen sinecure gebleken. De filoloog Erasmus bracht nogal wat veranderingen aan die menigeen op de kast jaagde. Langereis geeft het toepasselijke voorbeeld van de ‘menselijkheid’ van Christus.

Daar stuitte de tekstkritische Erasmus op toen hij het met zijn vriend en theoloog John Colet in Cambridge had over de nacht van Christus voorafgaand aan zijn kruisiging. Drie van de vier evangelisten hebben getuigd dat hij met deze woorden tot God had gebeden: ‘Vader, laat deze drinkbeker aan mij voorbijgaan.’

Alles waarmee Erasmus te maken kreeg mondde uit in het herstel van de menselijkheid, ten koste van het goddelijke.

Volgens Erasmus blijkt hier uit dat Christus twijfelde of hij zich wel moest opofferen, moest laten kruisigen. Dat was een ‘humane aarzeling’. Christus, concludeerde Erasmus (maar niet Colet) ging dus niet ‘met vreugde’ zijn kruisdood tegemoet zoals men altijd dacht. Hij was een mens, hij twijfelde. De ‘vreugde’ waarmee Christus zijn kruisdood zou hebben aanvaard was voor extreem devote christenen lang aanleiding om aan zelfkastijding te doen.

Niet minder brisant was Erasmus’ commentaar op de brief van Paulus aan de Romeinen. Daarin gaat het over de erfzonde waar iedereen mee behept zou zijn. Dat zou een bijbelse grondslag hebben. Het staat in de bijbel, en dan is het zo. Maar nee, dat was niet zo volgens Erasmus: het was een menselijk bedenksel, een doctrine die pas rond het jaar 400 door Augustinus was geformuleerd, in reactie op de toen populaire monnik Pelagius die beweerde dat de mens ‘in wezen goed’ was. Vanwege de erfzonde was de mens volgens Augustinus juist een ‘kwaad schepsel.’ Langereis pluist zulke cultuurhistorisch cruciale, en nog steeds actuele, kwesties pagina’s lang nauwgezet uit.

Alles waarmee Erasmus te maken kreeg, mondde uit in het herstel van de menselijkheid, ten koste van het goddelijke. Het menselijke woog zwaarder dan het goddelijke. Al die katholieke parafernalia van bidden, vasten, aflaten, boete doen, goddelijke bescherming afsmeken: voor Erasmus was het grotendeels poppenkast. Wat canoniek, dogma, regel, voorschrift, zondigheid of vast ritueel was, werd door hem nauwelijks serieus genomen. Ervoor in de plaats kwam ruimte voor twijfel.

Weg de hand van de voorzienigheid, weg de genade of het gedoemd zijn. Het leven draaide om het feilbare menselijke doen en laten. Daar komt niets goddelijks bij te pas (al koesterde Erasmus een eigen soort goddelijke voorzienigheid). Het hele idee dat er ergens nog iets onfeilbaars zou zijn, zoals de vrome christenen en Luther dachten, bestond niet meer voor Erasmus.

meest verkochte auteur van de wereld

Er waren tijden dat de naam van Erasmus in devote christelijke kringen niet genoemd mocht worden. Wanneer je de naam Erasmus in een boek tegenkwam moest hij zwart gemaakt worden. Erasmus, dat laat Langereis genoeg zien, werd in zijn leven zowel ongenadig op zijn kop gezeten als van lauwerkransen voorzien door de groten der aarde. Langereis laat van tijd tot tijd terecht weten dat Erasmus de meest verkochte auteur van de wereld was. Dat geeft de categorie aan.

De Lof der zotheid was ‘een schot in de roos’, een boek waarin de wereld als een dwaasheid werd opgevat en daar bovendien zelf voor uitkwam. ‘Dwaasheid’ werd een van de kenmerken van het leven. Was het leven niet ontsproten aan de zotheid van de ouders? Al te grote zwaarwichtigheid kon ermee worden gerelativeerd. Radicalisme, fundamentalisme, absolutisme en fanatisme behoorden niet tot Erasmus’ woordenschat.

Sandra Langereis begint haar biografie met veertig pagina’s over een ingewikkelde reis die een beeld van Erasmus als boegbeeld van een schip in 1598 gaat maken. Dat zou ik overslaan. Dat is geen begin voor een biografie. Maar vanaf pagina 45 stoomt Langereis met vaste hand door Erasmus’ leven, met de nodige uitvoerige zijsprongen waarin geschiedenissen worden verteld van scholen en kloosters. Soms is dat te uitgesponnen. Langereis maakt van Erasmus’ leven een exemplarisch intellectueel avontuur waarin duidelijk iets op het spel staat: de vermenselijking van het leven en denken.

Erasmus. Dwarsdenker door Sandra Langereis is uitgegeven door De Bezige Bij.

De correspondentie van Desiderius Erasmus in twintig delen is uitgegeven door Ad. Donker.